maandag 16 juni 2014

Ontbreken

Toen ik vandaag terug naar huis fietste, moest ik uitwijken voor een man in een rolstoel die recht op me af kwam rijden. Aan de man ontbraken zijn twee benen. De broekspijpen lagen verfrommeld op de zitting van zijn stoel. Het haar op zijn kop was grijs en stond rechtop, zijn wangen waren ingevallen. Er ontbrak wel meer aan hem.
Het was spitsuur en hij reed midden op het fietspad langs het Oosterpark, aan de verkeerde kant van de weg. Hordes fietsers reden de spookrijder tegemoet. Het maakte hem werkelijk geen bal uit om nog een keer omver gereden te worden.
Even later stond ik voor het eerst van mijn leven in een gigantische supermarkt met alleen maar dingen voor dieren. De kattenvoerafdeling was helemaal achteraan. Bij de kassa stond een oudere man die twee voortanden miste met de hipster kassajongen te praten over voetballers. Toen ik de winkel weer uit liep, hoorde ik hem zeggen:  'Ik ben oud en ik kan helemaal niets meer, dat is het probleem.'

donderdag 12 juni 2014

Baas

Het was al over tienen en ze was voor de zoveelste keer uit bed gestormd. We stonden tegenover elkaar op ooghoogte - de vierjarige bovenaan de trap en de eenenveertigjarige een paar treden daaronder. We hadden allebei onze armen in onze zij. Het meisje zag er totaal verwilderd uit in haar roze onderbroekje.  Ze liep vuurrood aan, liet zich uiteindelijk een paar keer op de grond vallen, gilde als een speenvarken. Er leek geen rede meer in te zitten. Dit allemaal omdat ze niet naar bed wilde.
'Jij mag helemaal nooit meer naar school,' hoorde ik mezelf tenslotte naar haar roepen. 'Nooit meer!'
'Mooi!' krijste zij, 'dat wou ik ook helemaal niet.'
'O nee?'
'NEE.'
Zo erg buiten zinnen is de kleine dus ook weer niet, dacht ik.

'Ga ik wel naar school?' vroeg ze vanmorgen.
'Ja,' zei ik, 'ik zei het alleen maar omdat ik niets anders meer wist te zeggen. Het was helemaal niet waar. Maar jij deed zo ontzettend raar gisteravond.'
'Ja en dan ga jij ook raar doen, hè?'
'Precies,' zei ik, 'wie is hier eigenlijk de baas?'
'Daar gaan we het nu niet over hebben,' zei ze.
Jawel, zei ik. 'Daar hebben we het nu wel over. Jij bent niet de baas. Dat zijn wij. Papa en ik.'
Ze begon eerst te neuriën en toen te zingen.

Aan de ontbijttafel vroeg ze: 'Als ik eenenveertig ben, ben ik dan wel de baas?'

maandag 9 juni 2014

De verkeerde kant op

Er liepen schapen en lammetjes voor mijn voeten. De zon scheen ineens. Alsof ik een andere wereld ingelopen was. Ik was op de Diemerzeedijk terechtgekomen, als het daar zo heet. In plaats van de brug over, ging ik onder de brug door. Iemand had me verteld over een woest stukje bos dat daar ergens moest zijn, en dat wilde ik even gaan bekijken. Een woest stuk bos in je buurt hebben zonder dat je het weet, kan niet. Onder de sprookjesachtige bomen langs het pad, lagen schapen en lammetjes te slapen in de schaduw. Ze waren niet bang voor mij.  Ik ben dol op schapen, dacht ik. Als ze niet eten, herkauwen ze. Een zin uit een toneelstuk dat ik ooit schreef - waar ik min of meer tevreden over was  - waarin het schaap een prominente rol heeft. Ik moet een jaar of twintig geweest zijn en woonde in een huis dat midden in de weilanden lag. Maar terug naar gisteren, op een gegeven moment zag ik een bordje Almere 17. Die kant moest ik niet op. Ik kon kiezen om terug te gaan of een rondje te maken. Neem nooit dezelfde weg terug, is ook al mijn adagium sinds ik een jaar of twintig ben. Al weet ik niet of ik daar nog steeds achter sta. Dus ik liep door. Over het dijkje, langs de schapen die naast het kabbelende water stonden te herkauwen.


donderdag 5 juni 2014

Over titels.

De titel van mijn boek had Het clowntje van god moeten zijn. Dat was toen de suggestie van mijn agent. Maar dat is de titel niet. Nu lees ik te vaak verschrijvingen als Op weg naar de zee of gewoon Op weg naar zee in plaats van De weg naar zee. En inderdaad er zijn miljoenen titels met zee erin. Ik kan me inmiddels geen titel voor de geest halen zonder zee. Wat heeft me bezield? Ik vond het mooi klinken vorig jaar: De weg naar zee. Het was fijn universeel. Typisch een titel voor een klassieker. (Hier dacht ik aan De weg van McCarthy) Ik vond het ook beter als de nadruk meer zou liggen op de weg die de vrouw bewandelt, dan op haar kind. Maar de nadruk is toch op het kind komen te liggen. Daar helpt geen titeltje lief aan. Mijn uitgever vond Het clowntje van god echt niet kunnen. Het zou als kwetsend ervaren kunnen worden. Ik dacht dat het waar was. Het laatste wat ik wil is mensen kwetsen natuurlijk. Maar het is onzin, weet ik nu. Want het is geen kwetsend boek. Het clowntje van god is directer, ligt beter in het gehoor en juist omdat het controversiëler is, wordt het beter onthouden, pakken mensen het eerder op, met alle gevolgen van dien.
Dat is wat ik denk over titels.



woensdag 4 juni 2014

Wie is hier klein?

Het is Deetjes derde dag op school. Ze mag een werkje pakken en haalt de gereedschapskist uit de kast. Ze gaat ermee aan haar tafeltje zitten en stalt het kleurige gereedschap uit. Een jongen uit groep twee komt bij haar staan.  'Hee, daar mag jij niet mee werken, dat is niet voor kleine kinderen,' zegt hij.
Meteen laat Deetje het gereedschap staan, steunt met haar beide ellebogen op tafel, richt zich half op, haar borstkas steekt naar voren, kijkt de jongen strak aan en zegt: WIE IS HIER KLEIN?
Hij knippert met z'n ogen, wipt snel van z'n ene op z'n andere voet, wijst dan naar het meisje achter haar. 'Zij', fluistert hij. 'Zij is klein.'
'O, ok,' zegt Deetje en concentreert zich weer op de gereedschapskist.
'Mag ik meedoen?' hoor ik de jongen even later vragen.
'Dat is goed.' Deetje schuift een stukje op. De jongen zet zijn stoeltje naast dat van haar.
Innig tevreden verlaat moeder de klas.

dinsdag 3 juni 2014

1984

Een tijdlang zat hij domweg naar het papier te staren. Het was merkwaardig dat hij niet alleen het vermogen om zich uit te drukken verloren leek te hebben, maar dat hij zelfs vergeten leek te hebben wat hij oorspronkelijk had willen zeggen. Wekenlang had hij zich voorbereid op dit ogenblik, en nooit was het bij hem opgekomen dat hij behalve moed nog iets anders nodig zou hebben. Het eigenlijke schrijven zou vanzelf gaan. Hij hoefde slechts de eindeloze, rusteloze monoloog aan het papier toe te vertrouwen, de woorden die almaar door zijn hoofd maalden, letterlijk jarenlang. Op dit moment echter was zelfs die monoloog opgedroogd. Bovendien was zijn open spatader ondraaglijk gaan jeuken.
Uit: 1984 Orwell.
Dit las ik vandaag.  En ik heb daar zelf niets meer aan toe te voegen.

maandag 2 juni 2014

Noorderlicht

De komende tijd ga ik eens buiten het huis werken. Vandaag was dag één. Ik fietste naar de kunstenaarsbroedplaats. Het was eerder een cel. Een mooie Franse cel. Met een hoog plafond. En grote ramen. Noorderlicht. Ik zat er op mijn oude bureaustoel, die meteen weer als gegoten zat. Ik durfde me niet goed te verroeren in de cel en nauwelijks te ademen. Ik weet dat ik dat altijd heb als ik ergens voor het eerst ben. Heel zacht kwam Formidable uit de speakers. Gisteravond had ik de documentaire gezien over het Belgische fenomeen Stromae. Iemand moet de laatste zijn die hem ontdekt. Buiten werd een pand gebouwd. Drilboren. Heipalen. Het overstemde de muziek van Stromae. Ik dronk koffie, opende het document en sloot de ramen. Op een gegeven moment kreeg ik bezoek. Ze zat in de enige stoel die er stond. Ik keek naar haar vanaf mijn bureaustoel. Vanuit mijn cel. We sturen elkaar vaak berichten vanuit onze cellen. En nu zat ze hier. Midden erin. Te praten. Hier is verder geen verbinding.
Drie en een half jaar geleden bracht ik 's ochtends de baby naar deze plek - in dit gebouw is ook een crèche - en fietste daarna zelf hard terug naar het eiland. Met een lege bak. Om te schrijven. Dit voelt logischer. Ergens naartoe fietsen om te gaan werken en aan het eind van de dag weer terug naar huis gaan.  Naar de baby die nu een kleuter is.