Zomervakantie.
Het studiejaar van de
Schrijversvakschool was afgelopen. Ik moest Carina uit het eerste jaar gaan vertellen
dat ze na de zomervakantie niet terug hoefde te keren. Ik was haar mentor.
Ze kwam lachend binnen
en ik zei haar plaats te nemen.
“Je hebt voor vier van
de zes vakken een onvoldoende gehaald,” zei ik meteen, “dat is te veel.”
“O?” zei ze. “Wat bedoel
je?”
“Je bent niet door,” zei
ik. “Maar je moet niet denken dat je niet kunt schrijven hoor,” voegde ik daar
snel aan toe. “Dat is het niet.”
“Wat is het dan?”
We zaten tegenover
elkaar in het kleine lokaal, ik keek op mijn wekkertje en Carina kneep in haar
handen. Ze deed me aan mezelf denken, twintig jaar geleden, toen ik een schrijfopleiding
volgde en raadselachtige werelden beschreef, die voor mij dan wel glashelder waren,
maar voor ieder ander onnavolgbaar bleken.
Carina zat vaak met een
spierwit gezicht in de klas, omdat ze de hele nacht had doorgewerkt aan één van
haar sciencefictionboeken. Ze had er al twaalf geschreven, maar er geen
afgemaakt.
Ik voelde haar enorme drijfveer
wel, om zichzelf te verduidelijken. Om haar wereld met lezers te delen. Om niet
meer alleen te zijn, uiteindelijk.
“Je werk is tot nu toe
onbegrijpelijk,” zei ik. “Misschien zou je het dichter bij jezelf kunnen zoeken.
Jouw verhaal is goed genoeg.”
Ze trok een vies
gezicht.
Ik sprak over de andere
docenten die het over mist hadden gehad. Alsof je door een dikke mist heen
moest, wilde je bij haar of haar teksten terechtkomen. Soms vingen we een glimp
op van Carina. Een paar prachtige observaties.
Ze boog haar hoofd.
“Mijn therapeut gaat ook
al dood,” zei ze.
“O jee.”
“Dit was de enige plek
waar ik het gevoel had dat ik er nog bij hoorde.” Ze begon te huilen. “Hier was
ik veilig.”
Ik zag haar mascara
steeds verder uitlopen. Niks mist. Niks SF. Het was helder.
“Niet opgeven hoor,”
bleef ik zeggen. “Jij gaat bewijzen dat we ongelijk hadden.”
Voor Carina zelf zou het
zoveel beter zijn als ze gewoon op school mocht blijven. Als ze erbij mocht
horen. Een enkeling zal gebaat zijn bij een afwijzing, maar de meeste mensen
hebben vooral veel vertrouwen nodig. En verbinding. Ik kon haar dat allebei
niet geven.
Toen het kwartier
voorbij was, gaven we elkaar een hand.
“Een goeie zomer,” zei
ik.
“Jij ook,” zei ze.