In mij knippert de laatste weken continu het alarmerende rode lichtje. Je batterij is bijna leeg. Bijna leeg. De procenten hollen achteruit. En hoe vaak ik het huis ook doorzoek, mijn oplader is kwijt. Weg. Verdwenen.
Dit is een ontzettend lelijke metafoor. Maar het is wel waar.
Vanmorgen plukte ik man uit de kamer - die hier was gekomen om 'iets leuks' met Deetje te gaan doen - trok hem met me mee, deed alles wat ik juist niet moet doen, en lag in dat gestolen moment tegen hem aan, mijn ogen gesloten, zijn hand op mijn hart, en toen ja, toen voelde ik het leven weer in mij stromen. Hoogstens één minuut. Groen licht. Vijftien procent.
Ik kan er weer een tijdje tegenaan. Volledig autonoom. Voor jezelf zorgen heet dat.
Goed, dit is een overgangsperiode.
Goed, dit is een proces van ontvlechten.
Bij mijn ouders was ik achttien jaar. Bij man vierentwintig jaar. Twaalf dagen geleden is hij vertrokken. Loskomen kost tijd. Dat snap ik. Oké. Goed. Prima. Fijn. Ik begrijp het.
'Neem je verlies,' zei iemand.
'Doe ik, doe ik.'
Apple Music heeft vandaag de song 'Back for good' van Take That speciaal voor mij geselecteerd.
Op Facebook ontvang ik een gesponsord bericht van De Ex Terug Methode.
Mijn verlies en ik, we luisteren 'Waiting for the Miracle to come' van Cohen uitgevoerd door de Scandinavian Report.
vrijdag 21 oktober 2016
donderdag 20 oktober 2016
Bij de Blokker
Man, Jeetje en Deetje vertrokken voor een nachtje naar een hotel met zwembad. Jeetje zat voorin, op mijn plek, en Deetje zat achterin. En toen reden ze weg. Ik moest huilen. Niet omdat ik mee wilde. Maar omdat ik niet mee wilde.
Alles wat ik ooit heb gelezen over liefdesverdriet en wat erover gezongen wordt, is waar. Barensweeën zijn er niets bij. Geen wonder dat er altijd zulke aanstellerig grote woorden voor gebruikt worden. Het ís geen aanstellerij.
Iemand zei me: 'De wond zit op dezelfde plek als verliefdheid. Maar nu is het het omgekeerde.'
Iemand zei me: 'Het is wél goed voor de literatuur.'
Toen ik dit gisteravond tegen een vriendin vertelde, riep zij uit; 'Jezus, de literatuur! Jij zou natuurlijk nog liever bij de Blokker gaan werken en voor altijd met schrijven stoppen, als je je gezin maar bij elkaar houdt.'
'Ja, tuurlijk!' zei ik en nam een slokje wijn. Nee, dacht ik. Dat niet. Ik zou niet nog liever bij de Blokker gaan werken. Maar dat durfde ik niet hardop te zeggen.
woensdag 19 oktober 2016
Kanariegeel
We zaten in de bus. Lijn 83 waar ik vroeger zo vaak ingezeten heb. Als kind ging ik altijd met mijn oma naar de stad, als tiener zat ik hier alleen - onderuitgezakt, met dat gepermanente haar, het wit weggetrokken kopje en die lege blik in mijn ogen - en nu zaten we met z'n drieën in de bus. Jeetje, Deetje en ik. Met een rugzak vol herfstbladeren en kastanjes. En onze rolkoffer. We waren een paar dagen bij opa en oma geweest.
'Wat gaat die bus langzaam,' zei Jeetje. 'Het lijkt wel of we stilstaan.'
Lijn 83 reed inderdaad in slakkentempo langs de plaatsjes Gennep, Ottersum, Plasmolen, Mook, Malden - er was niets veranderd behalve halte 'de Helweg' - en na een klein uur kwamen we in Nijmegen aan. Daar hadden we de aansluiting met de trein naar Amsterdam gemist.
Jeetje en Deetje mochten een tijdschrift uitzoeken en ik nam de Psychologie waarin stond hoe je om moest gaan met een gebroken hart. Nog voor de trein station Arnhem bereikt had, had ik het blad al in een prullenbakje gepropt.
'Je moet het rijbewijs echt halen, mama!' zei Jeetje. 'Ik zie ons al helemáál voor me. Hoe we dan rijden in een klein autootje. Met de muziek kei hard. En onze hond hijgend in onze nek.'
Toen zag ik het ook even voor me. Een kanariegeel wagentje waarin ik over de wegen scheurde met mijn dochters en een immense Golden Retriever op de achterbank.
maandag 17 oktober 2016
Het gat
Het is zes uur 's avonds. Ik heb de hele dag lesgegeven. Heel langzaam fiets ik terug naar huis. Over de gracht, de brug en de dijk. Zoals elke zaterdag. Het gat in mij is zo groot dat de wind er dwars doorheen waait. Misschien dat ik daarom haast niet vooruit kom.
Door het raampje zie ik hem al staan. In de keuken. Zijn hoofd onder de afzuigkap. In plaats van op te kijken, blijft hij nu doorroeren in zijn pan. En in plaats van aan te kloppen, zoek ik naar de huissleutel in mijn rugtas.
De houtkachel brandt. De kinderen spelen op het kleed. Zodra ik binnenkom, schieten de oogjes pijlsnel van mij naar man en weer terug. Ze lachen net te hoog, te veel en te opgewekt.
'Hallo!'
'Hallo,' zegt man. 'Goed gewerkt?'
'Ja hoor.'
'Ik had deze wijn net gekocht. En vandaag staat die toevallig ook in de wijngids.' Hij houdt een fles omhoog.
'Wat goed!'
'Goed van mij, hè?'
Man schenkt een glaasje wijn voor me in. De kaarsjes branden. Hij en Jeetje hebben een complete Indonesische rijsttafel gemaakt. Even later zitten we met het hele gezin aan tafel, maar - hoeveel bakjes er ook voor onze neus staan - het voelt alsof er in ons midden een bom is ontploft. Ook in ons vieren is een gat geslagen.
'Lekker is die wijn,' zeg ik.
'Gewoon van de AH.'
'Moet ik onthouden.'
En na het eten laat ik me naar rechts vallen. Mijn hoofd in zijn schoot. Hij legt zijn handen op mijn rug. Mijn ademhaling wordt kalm. Alles wordt kalm. Heel even is het gat gedicht.
vrijdag 14 oktober 2016
Dus
Op mijn zeventiende werd ik gedumpt door de knapste jongen van de hele school. Een paar dagen later kwam er een geblindeerde zwarte BMW het schoolplein in Boxmeer oprijden. Voor mij. De deur ging open en de dertigjarige Michael Jackson stapte uit. Zoals hij eruit zag in zijn BAD periode. Iedereen - ook de knapste jongen - zag het toen ik op hoge hakken naar hem toe liep.
Daar gingen Michael Jackson en ik. In de BMW. Over de snelweg. Naar Oss. Daar woonde hij met zijn moeder.
'Gaan we naar Oss?'
'Ik zal je straks lekker masseren.' Hij fluisterde.
'Maar ik moet huiswerk maken,' zei ik. 'Dus.'
'Huiswerk?'
'Huiswerk.'
Het bleef stil. De BMW gleed geruisloos over de weg. Michael Jackson rook sterk naar parfum.
'Ik moet nú naar huis. Nu.'
Hij stopte bij een parkeerplaats. Hij boog zijn gepoederde gezicht naar me toe.
''Ik hou ook niet van masseren,' zei ik. 'Dus.'
donderdag 13 oktober 2016
Duidelijkheid
Deetje (6) kwam mijn slaapkamer binnen.
'Waar is papa nou?'
'Hij logeert toch ergens anders?'
'Ja, maar hoe láng dan?'
'Best een hele tijd.'
'O,' zei Deetje. En meteen daarna: 'We maken een kalender! Dan kunnen we de dagen afstrepen tot hij er weer is!'
Ik zei niets.
'We kunnen toch een kalénder maken, mama?'
Aan de ontbijttafel had Jeetje (11) 'Aan de Amsterdamse grachten' op repeat gezet.
'Zeg, papa komt toch wel weer terug in de herfstvakantie?' vroeg ze.
'Nee.'
'Nee?'
'Dit gaat veel langer duren dan een paar dagen,' zei ik.
Jeetje trok krijtwit weg. Deetje aaide de afbeelding van de Golden Retriever pup op een roze etui.
'Dit is mijn hondje,' zei ze. 'En dit etui heb jij ook, hè mama, en jij ook, hè Jeetje?'
'Dus hij gaat voorlopig ergens anders wonen,' zei ik. En toen volgde die hele riedel, bla bla bla, zus zus zus en zo, houden van jullie, allebei heel vaak zien, zus zus zus en zo en als laatste zei ik: 'Op proef. Dus nog niet definitief.'
En als allerlaatste: 'Jullie mogen er ab-so-luut niet onder lijden.'
'Ja haha,' zei Jeetje.
'Ja, dat is onzin hè?'
'Nou,' zei Jeetje, 'dan heb ik liever een vader die zégt dat hij definitief weggaat, maar gewoon blijft, dan een vader die niet definitief weggaat, maar al weg is.'
(De ouders van haar beste vriendin gaan uit elkaar. Ze hebben dit vorige maand heel serieus medegedeeld, maar er is nog niets veranderd)
En toen zei ik: 'We gaan zaterdagavond gewoon met z'n vieren eten, goed? En daarna nog een potje kaarten.'
En daar kikkerden ze enorm van op.
En daarmee liet ik mijn idee van man voorlopig helemaal niet zien ter plekke varen.
En toen zongen we nog even mee van 'een huisje in Amsterdam' en 'ik ben zo blij een Amsterdammer te zijn'.
woensdag 12 oktober 2016
Tegenstrijdigheid
In mijn lessen creatief schrijven geef ik vooral aandacht aan de tegenstrijdigheid die in een tekst moet zitten. Dubbelheid. In een personage. In de omstandigheden. In elk woord dat je opschrijft.
Dat is wat een tekst goed maakt.
Dus het is beter als iemand weg wil en tegelijkertijd wil blijven.
Het is mooier dat iemand bij je weggaat waarvan je nog houdt, dan dat er iemand bij je weggaat waarvoor je al niets meer voelde. Dat laatste zou de tekst saai maken. Dan denken we: 'hè, hè, die is weg. Gelukkig maar. Einde verhaal.'
Hoe groter de liefde is, hoe érger de afwijzing voor je personage is.
En daar gaat het allemaal om bij het schrijven: maak het voor je personage zo moeilijk mogelijk. Laat er dus ook nog kinderen in het spel zijn. Dat is altijd goed.
En nee, laat ze nou eens géén vijandige relatie hebben, met veel ruzie, schelden, spanningen over en weer, maar laat je personages avond aan avond spelletjes doen met hun dochtertjes, samen een wijntje drinken bij de houtkachel, lepeltje lepeltje tegen elkaar aan in slaap vallen, en dán besluit de één om te vertrekken.
Dat is mooi. Omdat we het niet verwacht hadden. Omdat de lezer het niet aan had zien komen.
De klap is dan dés te groter. Dat is literatuur.
En nee, laat er nou eens geen ánder in het spel zijn. Dat is te voorspelbaar.
Speel met het verwachtingspatroon van je lezer.
De mensen van wie je het het minst verwacht had, laat die het moeilijk krijgen samen.
Het is mooier als je personage het allerliefst in iemands armen wil liggen, vastgehouden wil worden, voor altijd samen wil zijn, maar diegene ook het allerliefst met zijn zelfgemaakte gehaktballetjes zou bekogelen, met de koekenpan op zijn hoofd zou timmeren en hem nooit meer wil zien.
Alléén een boosaardig type is niets.
Alléén iemand die lijdt is ook saai.
Die tweestrijd in jezelf én in je omgeving, dat is wat literatuur is all about. Van het leven begrijp ik niks.
Abonneren op:
Posts (Atom)