vrijdag 28 oktober 2016

Het geschreven woord


Een greep uit de adviezen die ik krijg:
'Het wordt weer leuker later, echt waar. Het wordt béter.'
'Je kunt hem nu niet veranderen.'
'Zorg voor jezelf en je meisjes.'
'Hier moet je even doorheen.'
'Doorgaan met je leven.'

Dit schreef Renate Rubinstein over adviezen:
'Niemand zei: weet wat je wat jij moet doen, jij gaat hele mooie stukjes in de krant maken waarmee je hem naar je terugschrijft. De enige die dat de juiste tactiek vond was ik zelf. Het heeft niet zo gewerkt en iedereen vindt dat begrijpelijk. Behalve ik, ik sta er nog steeds versteld van dat het geschreven woord niet machtiger is. Maar ik heb ook altijd gedacht dat de slavernij opgeheven werd omdat de regering van Amerika 'De hut van oom Tom 'gelezen had.'

In mijn schrift kom ik een oud dialoogje tussen man en mij tegen:
'Jij dóét er niets aan. Het gáát niet vanzelf.'
'Ik ben hier,' zegt hij.
'Ja, ik ben er ook.'
'Jij bent er niet.'
'O nee?'
'Nee, jij bent er nooit. Ik ben. Dat is wat ik doe. Er zijn. Maar dat kunnen we van jou niet zeggen.'
Ik schrijf deze woorden. Ik ben h i e r.

donderdag 27 oktober 2016

Acceptatie

Het voelde alsof vanmorgen de eerste dag van mijn nieuwe leven was aangebroken. Er was iets van vrijheid mijn hoofd binnengeslopen. Lichtheid. Leven. Acceptatie. Ik ging koffiedrinken met een vriend in het Lloyd hotel.
'Heeft hij soms een ander?' vroeg de vriend.
'NEE JOH. HEL.'
'Dat gaat nog gebeuren,' zei hij droogjes. 'Daar kunnen we vast een voorschotje op nemen.'
'Ik wil die ander nu al doodschieten.'
'En jij krijg óók een ander,' zei hij.
'Ik niet. Ik zou ook niet weten hoe ik eraan kom.'
'Plenty.'
'Ik moet er niet aan denken.'
'Nee, nu niet.'
'Ik vind het juist een uitdaging om heel heel erg oud met dezelfde man te worden,' zei ik. 'Dat doet niemand meer tegenwoordig. Dat is pas a-von-tuur.'
Ik zag hem een beetje meewarig naar me kijken.
Na de koffie liep ik in de Jumbo die daar in de buurt zat, en zag ze plotseling overal. De Anderen. Mannen met boodschappenmandjes aan hun arm. En versleten cowboylaarzen aan hun voeten. Een eenzame blik in hun ogen. Ze glimlachten naar mij.
Ik wist heus wel dat de vriend gelijk had. Het leven gaat door.  Op een gegeven moment komt er misschien een ander. En waarschijnlijk worden we - hoe dan ook - allemaal weer gelukkig. Maar werkelijk: ik moet er niet aan dénken dat het ooit zover komt. Ik sterf nog liever.
Tot zover: mijn acceptatie.

woensdag 26 oktober 2016

De wederopstandeling

Voor ik naar binnenging, stond ik een tijdje door het keukenraam te kijken. Man lag op het vloerkleed voor de kachel. Hij keek televisie op de iPad. Tot voor kort was dit tafereel het beschrijven niet waard. Nu was het een ideaal plaatje. Een wonder haast. Zolang ik buiten bleef staan.
Voor mij voelt het alsof hij drie weken geleden stierf en dan ís hij er steeds ineens weer.
Meteen toen ik binnenkwam, stond hij op van het kleed en ging op de stoel zitten.
Hij had met de meisjes gegeten en ze naar bed gebracht. Ik was netjes tot half tien thuis weggebleven.
Daar zaten we. Tegenover elkaar. Boven sliepen onze meisjes. Ik vertelde ditjes en datjes over mijn dag, zoals ik gewoon ben. Hij begon zijn schoenen aan te trekken.
'Ik ga maar eens.'
'Ja.'
'Ik ben moe.'
'Ik ook.'
'Ik had nog wel wijn voor je,' zei hij.
'Zullen we nog één glaasje wijn drinken?'
'Dat is goed.'
Even later zaten we in de tuin. We hadden het over het tijdelijke appartement dat hij over anderhalve week zou betrekken. Hier op het eiland. Over dat dat prettig is. Dat het goed zal zijn als hij weer meer betrokken kan zijn bij de meisjes.
'Ik mis ze vreselijk,' zei hij.
'Ja.'
We dronken dat ene wijntje. We rookten.
'En mis je mij ook?'
'Nee,' zei hij, 'jou niet.'
'O.'
'Helemaal niet.'
'Misschien komt dat nog.'
'En mijn droefheid, of depressie wat was het? is al bijna weg,' zei hij.
'Dan is het toch ergens goed voor.'
'Ja.'
'Nu heb ik de droefheid.'
'Ja,' zei hij.
We lachten. De wijn was op. De sigaret was op. En toen zwaaide ik de levende dode weer uit.

dinsdag 25 oktober 2016

Nee hoor

Er zitten ook praktische kanten aan het verhaal van de weggelopen man. Vanmorgen is bijvoorbeeld mijn fiets stuk gegaan. Normaal gesproken zou ik met de fiets aan de hand naar huis lopen en 'Man!' roepen. 'Fiets kapot! Maken!'
Dat doe ik al 24 jaar lang.
En dan zou man naar buiten komen op z'n sokken, met z'n warrige haar, frons in zijn wenkbrauwen, een beetje tegenzin, hij zou de fiets op z'n kop zetten, met de ketting rommelen, hier en daar wat verbuigen, het ding weer rechtop zetten. En dan deed de fiets het weer.
Een kusje zou ik hem geven, zwaaien, en de brug over racen.
Maar oké. Het is nu even niet normaal gesproken.
Dus ik zette daarnet zélf m'n fiets op z'n kop, rommelde met de ketting, verboog hier en daar wat en zette het ding weer rechtop. En toen deed de fiets het niet. 
Ik herhaalde dit protocol een paar keer - dacht na over emancipatie waar ik wel een grote mond over kan hebben, maar die in de praktijk toch stilletjes aan mij voorbijgegaan is, wat niet weet wat niet deert - maar de fiets deed het nog altijd niet.
Ik hoorde dat iemand gestopt was met het lezen van dit weblog omdat de stukjes te droevig voor haar waren. Het zóú ook mooier zijn als ik nu eens een triomf zou beschrijven. Zo van: ik rommelde wat met die fiets, en ja hoor! Natuurlijk! Simpel! 
Maar nee hoor. 

maandag 24 oktober 2016

Tastbaar

In het holst van de nacht kropen ze bij mij in bed. Eerst Deetje en toen Jeetje. Ze konden niet slapen. Ik kon ook niet slapen. Zo lagen we met z'n drieën in het grote bed dat aan de kleine kant is. De poezen mauwend voor de deur. Maar die mochten er niet bij.
Ik had één meisje onder mijn ene arm en het andere meisje onder m'n andere arm. Ze kleefden aan me vast. Heel stil lagen we. De levensgrote afwezige haast tastbaar om ons heen.
'Niet denken,' fluisterde ik. '
'Nee,' zei Jeetje.
'Voel je ademhaling.'
Heel lang luisterde ik naar het ademen van de meisjes. Tot man echt in de kamer verscheen, ons alledrie omarmde en de heilige vier-eenheid compleet was. De onrust was meteen weg. Zelfs de poezen werden stil. Hij lag aan de andere kant van de stad alleen in een bed, niet te slapen, en had gevoeld dat hij nu terug moest. Het volgende moment was hij er. 'Ik wist niet dat je dat kon,' zei ik. Heel snel daarna was het ochtend en liepen we gevieren achter elkaar de trap af, hij dekte de ontbijttafel, er klonk een prachtig muziekje. Alles was goed.
En toen..ja toen ging de wekker.
En toch leek het niet op een droom.

zondag 23 oktober 2016

Niets

Er was niets. Buiten het schrijven van een stukje op dit weblog was er niets dat mij nog boven mijzelf uit kon tillen. Ik zat op de bank naar de tuin te kijken. Of in de tuin te roken.
Man en Deetje waren naar oma. Jeetje uit logeren. Vroeger zou ik heel blij en tevreden zijn met een vrije zaterdagmiddag. Nu was het al met al: niets.
Op een gegeven moment deed ik toch iets goeds: ik nam een bad. Maar de badkamermuren werkten niet mee. Dus dat was ook niets.
En toen deed ik nog iets goeds: ik vluchtte het huis uit. Ik was precies op tijd toen de film Tonio begon. Over het ergste verlies dat een mens kan meemaken.
Hoe de vader naar de bewakingsbeelden zit te kijken. De lege nachtelijke straat. Zijn zoon die eraan komt fietsen. De auto van rechts. Het beeld stop zetten. Roepen dat hij even moet vertragen, heel even maar. Een paar seconden.
Het was heel mooi om te zien hoe de schrijver in hem  - na een periode van zichzelf bijna-dood zuipen - opstond om in te grijpen. Hoe hij probeerde godverdomme recht te breien wat totaal niet had moeten gebeuren. De tijd stil te zetten. Het leven voor te zijn. De dood te slim af. Zijn zoon terugschrijven. Maar die zoon kwam niet echt terug.

zaterdag 22 oktober 2016

Toeval

Op zaterdagochtend wandelen Deetje (6) en ik van de tram naar de Bijenkorf. Ze krijgt daar een paar te dure laarzen en drie veel te dure maillots. En dan gaan we weer terug. In een hip zaakje in de Warmoesstraat eet zij een ijsje en drink ik espresso en versgeperste jus. We zitten naast elkaar op een roodleren bank. Ik kijk of ik nog een nieuw bericht heb en scroll door de boze berichtjes die man en ik vanmorgen naar elkaar gestuurd hebben.
'Papa gaat in een ander huisje wonen, hè?' zegt Deetje dan. 'Papa is niet meer verliefd op jou, hè?'
'Zei hij dat?'
'Ja.'
'Nee, papa is niet meer verliefd op mij.'
'Dus dat is eigenlijk scheiden?'
'Ja.'
Ze likt van haar aardbeienijsje. Ik drink mijn sapje. We kijken voor ons uit.
'Mama?'
'Ja?'
'Ben jij eigenlijk nog wel verliefd op papa?'
'Nou, eh, ja.' En dan zeg ik dat ik even af ga rekenen. Dat we moeten gaan. Dat we de tram moeten halen. Papa zal haar zo thuis op komen halen voor zwemles.
Even later wandelen we hand in hand in de richting van het Centraal Station. Langs drommen toeristen. En als we bij de Prins Hendrikkade het fietspad oplopen om over te steken, worden we bijna omver gefietst door de persoon die we nú net niet hadden verwacht. En meteen lachen we breed, ondanks de berichtjes, dat gaat vanzelf als we elkaar zien. Een kort moment van connectie.
'Ik was op weg naar huis,' zegt man. 'Wat een toeval!
'Ja, wat een toeval!'
'Deze weg neem ik anders nooit,' zegt hij.
'Papa!'
Even later zit ik op het kinderzitje achterop, Deetje staat voorop de stang, en zo fietsen we gedrieën de stad uit. Op zachte banden.