donderdag 6 december 2012

Peter

Ik werd gebeld door Peter.  Hij zei: 'Dag Elke.'
Het was half elf 's avonds, ik zat op de bank bij de houtkachel, en ik vroeg waar Peter mij zo laat nog voor belde, om er heel snel achteraan te zeggen dat ik niet echt een Peter kende, ja, ik ken wel Peters, mijn vader heet zo en ook de overbuurman, dat waren de Peters die meteen in mij opkwamen, maar geen van die Peters was de Peter die ik nu aan de lijn had, mijn vader klonk anders en zou ook niet snel 'met Peter' zeggen en ook Peter de overbuurman had niet zo'n lage stem.
Toen ik hem vroeg Peter Wie? zei hij: 'Peter Rutten.'
'Peter Rutten.'
'Ja,' zei hij.
'O ja. En waarvoor bel je ook alweer?'
'Gewoon om even te kletsen.' Er klonk verbazing in Peters stem.
Ik had Peter Rutten aan de lijn die ik moest kennen, maar ik wist echt niet waarvan ik Peter Rutten zou moeten kennen en ik schaamde me diep omdat ik zo snel de namen vergat van de mensen die me dierbaar waren, kennelijk zo dierbaar dat ze me om half elf 's avonds nog belden om even te kletsen.
Ik groef dieper naar de Peters in mijn geheugen. Er was een Peter die een bestseller geschreven had, een Peter die dood was en er was de broer van een aangetrouwde tante die ook Peter heette. In mijn hoofd klonken steeds de eerste regels van een Slauerhoff-gedicht: zeven zonen had moeder, allen heetten Peter, behalve Wanjka die Iwan heette.
'Komt het nu ongelegen, Elke?'
'Eh ja, Peter,' zei ik. Ik gluurde naar man die even verderop met gefronste wenkbrauwen naar het gesprek tussen Peter en mij zat te luisteren en weer schaamde ik me, de stem van Peter Rutten klonk zwoel, het moest mijn geheime minnaar zijn die op een verkeerd tijdstip belde, Peter Rutten en ik waren intimi, maar ik had dat verdrongen en nu kwam het alsnog allemaal uit.
'Lag je al in bed, Elke?' vroeg Peter.




dinsdag 4 december 2012

Voordat

9.17. Zo te zien aan mijzelf sta ik alweer op het punt te gaan rennen. Ik kan het opmaken uit mijn kleding en ik zie het aan de plaats waar ik zit, namelijk beneden aan de keukentafel. Dichtbij de voordeur.Man staat aan het aanrecht koffiebonen te malen. De meisjes hebben allebei twee vlechtjes in hun haar en zijn vertrokken, de één is druk bezig met een rap voor de sint die morgen op school komt, de andere heb ik meerdere malen gewaarschuwd voor ze de deur uitging: Pas op. Hij Komt Straks Binnenvallen. Hij Doet Niks.
Eigenlijk vind ik dat de goedheiligman op crèches sowieso niet moet komen. Ik vind dat hij nergens moet verschijnen. De suggestie is genoeg. Het is werkelijk verschrikkelijk om zo'n goedkope sinterklaas hier over het winderige nieuwbouwplein van het winkelcentrum te zien dwalen. Op zoek naar? Op de voorpagina van de krant twee doden deze ochtend. Jeroen Willems die gisteren plotseling stierf en die de hoofdrol speelt in de film Boven is het stil. Daar dacht ik aan, of eigenlijk ik dacht aan de blogs van Gerbrand Bakker waarin Jeroen Willems voorkomt en aan wat hij ervan zou vinden.
'Misschien heeft hij de volkskrant', zegt man, 'dan heeft hij 'm gisteren nog gewoon zelf uit de brievenbus gehaald en de volgende dag staat hij er zelf in.'
En dan die grensrechter die doodgetrapt is door drie vijftienjarigen. Dat is ook erg natuurlijk. De ene was vijftig, de ander eenenveertig. We worden oud. We moeten opschieten. Ik ga maar weer eens rennen voordat de bom valt.

maandag 3 december 2012

Op het punt

8.37 uur. Ik sta op het punt te gaan rennen, te zien aan de kleding die ik draag en het schoeisel. Te zien ook aan de manier waarop ik op mijn nieuwe bureaustoel zit. Mijn benen naar links in plaats van onder de tafel. Man brengt de kinderen weg. Eerst gaat de kleine naar de crèche en dan wordt de grote naar school gebracht. De kleine is officieel beter verklaard, al moest ze nog wel kotsen vanmorgen na het hoesten of tijdens de hoestbui, daar wil ik vanaf zijn. We hebben het trouwens ook niet meer over het kotsen. Als zijzelf haar mondje maar houdt. Ik ben van plan nu eerst nog een stukje te schrijven omdat ik bang ben dat het er anders vandaag niet meer van komt. Als de dag eenmaal begonnen is, komt het vaak nergens meer van. Buiten valt de natte sneeuw, het is nog niet echt licht geworden. Het ziet ernaar uit dat het donker blijft vandaag. Maar niet pikzwart.
Ik ga maar eens.

woensdag 28 november 2012

Spook

Deetje ziet spoken nu ze ziek is en ik vraag me af of het wel spoken zijn, of gewoon andere entiteiten die bij verhoogde temperaturen zichtbaarder worden voor de mens. Zeker voor de tweejarige mens. Die zijn daar van naturen beter in.
Het spook zit namelijk steeds op dezelfde plek in haar ledikant. Ze huilt paniekerig en roept: 'Daar zit iemand. Daar zit iemand.'
'Welnee.'
'Ja, kijk maar.'
Ik kijk en ik zie niets. Maar haar vinger gaat steeds naar dezelfde plek. Rechtsachter, aan haar voeteneind.
'Hij is weg.'
'Nee, hij is niet weg. Daar zit hij. Kijk dan!'
'Hij is aardig,' zeg ik dan maar. 'Hij doet niets.'
'Nee, hij is NIET aardig. Help mama. Hij mag niet hier. Help.' Ze schreeuwt.
Ik haal het meisje in haar slaapzakje zo snel mogelijk weg bij het spook. Ze voelt aan als een kooltje uit de kachel. Het is de derde keer dat ik haar ga temperaturen vandaag. Maar nu is de thermometer stuk. Wat ik ook doe, het schermpje blijft zwart. Dat heeft dat kutspook waarschijnlijk gedaan.
De rest van de dag ligt ze beneden op een matras. Tot ook daar de man plotseling verschijnt. Op de bank zit hij. En hij is niet aardig.
Meer weten we niet van hem.

dinsdag 27 november 2012

Grootse plannen

Ik had grootse plannen voor vandaag toen het kinderdagverblijf belde. Deetje lag de hele verdere middag en avond op mijn schoot. 'Ik mag appelsap,' mompelde ze. 'Als Jeetje ziek is, mag ze ook appelsap, hè?'
Een gloeiend heet lijfje heb ik vastgehouden. Spoken heb ik voor haar weggejaagd.
En dat is ook belangrijk.

maandag 26 november 2012

De zondagswandeling

Man had ons uit de auto gezet. We liepen van Fort Diemerdam over een smal paadje in de richting van het Diemerpark. Daarna zouden we het park doorsteken naar huis, Jeetje en ik. In het kader van de zondagswandeling. Ik had geen rekening gehouden met de avond die inviel. Het schemerde behoorlijk. De lucht boven ons werd in snel tempo donkerder. Er was ook af en toe een spat regen, maar de bui zette niet door. Windvlagen. Links van ons lag een vrachtboot laag in het water. Het struikgewas ritselde, het moerasachtige gebied was zwart, de bomen en het gras zwiepten heen en weer. Het meisje naast mij zong het liedje: 'ik ben toch zeker Sinterklaas niet.' En ik moest van haar af en toe hoog inzetten met 'Sinterklaaaaas.'
We hadden nog niet eens het begin van het park bereikt of ik moest al aan Marianne Vaatstra denken.
'Het is zó fijn, hè mama,' schreeuwde ze. 'Hier zijn helemáál geen andere mensen!' Mijn kleine blonde misantroop spreidde haar armen als vleugels en huppelde.
'Kom, zullen we rennen?'
We renden en zongen sinterklaasliedjes.
'Waarom rennen we steeds?' vroeg Jeetje.
'We willen het donker voor zijn, toch?'
'Waarom? Het is al donker.'
'Er is hier geen verlichting. Straks zien we niets meer.'
'De maan is bijna vol,' zei ze. 'Dat is juist leuk.'
'O ja.'
Het was inderdaad bijna volle maan. Voor onze voeten schoten konijnen de weg over. Ik pakte haar hand. We liepen verder over de lange rechte weg. Moeder en dochter. We passeerden een bouwkeet. Die was leeg. Achter de bouwkeet was ook niets. Heel in de verte zagen we al een stuk van de fietsbrug.
'Het lijkt wel of we op zo'n loopbaan staan,' zei Jeetje. 'We lopen de hele tijd maar we gaan niet vooruit en niet achteruit.'
'Is dat een man of een vrouw die daar aan komt rennen, denk je?' vroeg ik.



vrijdag 23 november 2012

Vrouw

Bij het Spui stapte ik uit, langs café de Zwart liep ik, waar de schrijvers borrelen. En inderdaad. Ook vandaag zag het er zwart van. Langs de Pels kwam ik, waar ze ook vaak zitten. Het was half zeven in de avond. Spitsuur thuis met de kinderen. Door de vensters zag ik de mannen met bier in hun handen. Ik had afgesproken in de Doffer.
Wij gingen eerst eten en daarna naar de uitreiking van de Anna Bijnsprijs in de Rode Hoed. Met de eerste Anna Bijnslezing van Rachel Cusk. Waar ik op de een of andere manier niet geïnspireerd door raakte zoals ik gehoopt had, maar droevig. Het vrouwzijn valt niet mee, dacht ik.
'Waar ga je naartoe, mama?'
'Ik ga naar een prijsuitreiking die ik al verloren heb,' had ik gezegd. En: 'Is dit een goed t-shirt voor een verliezer? Wat vind je?'
Ik weet nog dat ik dacht: zo moet je dat niet brengen, dat is niet in orde. Dat nemen ze allemaal over, die manieren van denken. De paden van die kleine dames worden in hun hoofd gevormd omdat ik ze daar nu aanleg. Ik ben het voorbeeld. Het voorbeeld moet wat meer trots uitstralen.
'Krijg ik een dikke kont in deze broek?' is een vraag die ze nooit hadden mogen horen.
Later op de avond antwoordde ik op de vraag van een interviewster of ik teleurgesteld was dat ik de prijs voor de beste vrouwelijke schrijver van de afgelopen vier jaar, niet gewonnen had, dat ik het alleen maar leuk vond dat ik genomineerd was. En trots. Dat was óók waar.
Ze vroeg of de prijs minder waard was omdat alleen vrouwen mee mochten doen.
Ik dacht: een prijs is een prijs. Kan mij het schelen. Eigenlijk geluk dat ik nog in een buitencategorie val anders was Lastmens niet meer uit de boekenberg gevist. Maar dat zei ik niet. Een vrouw als buitencategorie is natuurlijk ook bizar.
Ik heb ook nog gezegd dat vrouwen alleen aandacht willen en mannen geld. Dat is niet waar.