maandag 19 juni 2017

Trouw column, 17 juni

Juiste oplossing

Zeker, het is fijn dat er niemand is die mij aan m’n kop zeurt over iets dat mij niet interesseert. En het huis blijft ook veel opgeruimder. Ook is het fijn dat ik elke dag zelf mag bedenken wat we eten en hoe laat. Minstens zo heerlijk is het dat ik, als de meisjes er niet zijn, helemaal niet hoef te koken.
Een echt grote opluchting is het pas dat ik niet meer steeds op hoef te letten hoe de man in huis zich vandaag voelt, en hoe ik daar het beste op kan anticiperen, of juist niet-anticiperen. Er is ruimte voor mij. Ik blijk hier nu gewoon vrij te mogen rondlopen in om-het-even-wat-voor humeur. Want er is niemand meer waarbij ik – als ik niet mijn aller koddigste zelf ben – bang ben nóg meer uit de gratie te raken.
Er is ook niemand meer waarachter ik schuil kan gaan. Maar ik moet toegeven; mijn eigen gezelschap valt me reuze mee. Ik blijk best een aangename huisgenote. Kalmer dan ik dacht. Ordelijker. Levendiger ook. Zelfs als ik heel verdrietig ben of kwaad, verdwijn ik niet meer in dat zwarte gat. En ook al die debiele sociale angsten zijn ineens verdwenen. Zo ben ik nooit meer bang om met andere mensen een praatje te maken. Of om iemand aan te kijken.
Leuke muziek dat ik draai. Soms wel tien keer hetzelfde liedje achter elkaar. Ik heb daar totaal geen moeite mee.
Mijn band met de meisjes is er tot nog toe alleen maar beter op geworden. Hechter. Fysieker. Dichterbij. We knuffelen en praten wat af.
Eind goed al goed, zou u denken, hè?
Toch blijf ik er maar geen goed gevoel over hebben, een scheiding. Mijn geest zoekt de hele tijd naarstig en non-stop naar uitwegen, andere oplossingen, iets waar ieder van ons gelukkig en tevreden mee kan zijn, alsof het een ingewikkeld wiskundig vraagstuk betreft. Ik weet gewoon zeker dat er ergens een goede oplossing is. Of dan tenminste: een betere.
“Kunnen jullie weer getrouwd raken?” vraagt de zevenjarige.
We moeten eerst nog maar eens gescheiden zien te raken, denk ik.
Ik herhaal dat riedeltje over gescheiden ouders die niet verliefd meer zijn, de zevenjarige stopt haar vingers weer in haar oren en neuriet keihard.
“Ik vraag alleen maar of het KAN,” roept ze als ik uitgekletst ben. “Kán het?”
“Ja, het is mogelijk, maar…”
“Oké, dan ben ik het bruidsmeisje! Goed?”


maandag 12 juni 2017

Trouw column, 10 juni

Gevangene

Er gebeuren ook leuke dingen door de ellende. Zo ging ik laatst een dagje uit. Naar de gevangenis. Ik had er afgesproken met een vrouw met wie ik – door deze columns - correspondeer, maar die ik nog nooit had ontmoet. Ze was geen gevangene, zei ze. Ze was er de boeddhistisch geestelijk verzorger.
“Kom jij maar eens mee mediteren,” had ze geschreven.
Misschien wilde ze me vermoorden. Maar ik vond zo’n mailwisseling toch een omslachtige voorbereiding op een moord.
Eenmaal binnen, kon ik niet meer terug. Mijn penvriendin had een grote sleutelbos in haar hand en zei: “Welkom.”
Ik vergezelde haar op haar ronde langs de cellen. We liepen door lange lege gangen waaraan: gesloten deuren, waarachter: een mens. Een mens. Een mens. Enz.
De atmosfeer was er benauwend. Er was overal net te weinig lucht.
Van sommige celdeuren opende ze het luikje met een sleutel.
“Mijn dienst begint zo,” zei ze.
Een half uur later zat ik in de bezinningsruimte tussen twaalf gedetineerden op pittenkussentjes en twee bewaarders. Mijn penvriendin in kleermakerszit voor de groep. Ze vroeg of we onze schoenen uit wilden trekken. Ik had Nike-Airs aan, net als de rest. Er kwam een goor luchtje vrij. Ja, zíj hadden allemaal brandschone sokken zag ik. Zij waren vandaag natuurlijk niet met trein en boot gegaan, hadden niet door een dorp gesnelwandeld, waren niet natgeregend en weer droog geworden.
De kleerkast op het pittenkussentje naast me, duwde zijn vingers één voor één in zijn voetkussentje. Liefdevol. Met aandacht. Ik deed hem na. Na de voetmassage sloten we onze ogen. Ik probeerde maar helemaal niet te denken aan frisse lucht. Of lucht in het algemeen.
Mijn penvriendin sprak over de schoonheid van een gebroken vaas die gelijmd was. Ik dacht aan ex die, als er iets kapotging, zei: “dat is juist mooi, nu gaat het léven.”
Nu gaan we leven, dacht ik. En viel in slaap. Tussen de boeven. Kennelijk heb ik duidelijke grenzen nodig om me op m’n gemak te voelen. Een gevangenis. Daarom hang ik zo aan het huwelijk.  Vrijheid die in de beperking zit, zoiets.

Na de dienst sprak ik met een intelligente, aardige man die al elf jaar zat en - naar later bleek - zijn vrouw had vermoord. Ook een manier.  “In mijn geest ben ik vrij,” zei hij, “maar mijn lichaam is niet vrij.”  Bij de meesten van ons is het andersom.

maandag 5 juni 2017

Column Trouw, 3 juni

Bovenkamer

Ik ben alleen thuis, bezig oververhit te raken in mijn bovenkamer. De kinderen hebben vakantie. Het is een van die warme dagen waarop we normaal gesproken met zn vieren naar het strand zouden gaan, -  waren we heel goed in - maar nu doen we dat even niet.
Begint ze daar alwéér over, hoor ik u denken. Ja.  Alweer.
Ik zou er ook helemaal geen tijd voor hebben, het strand, daar niet van, ik moet nodig aan mijn boek werken, en ook dit stukje nog schrijven.
Ex ligt met de meisjes op het strandje, een halve kilometer hiervandaan, lees ik nu. Vanaf deze bovenverdieping zou ik zowat naar ze kunnen zwaaien. Ik moet moeite doen om, u weet waar ik moeite voor moet doen. Ik wil mijn kleine ook graag zien namelijk. Dat lijfje voelen. Zíj komt in de tijd dat ze bij haar vader is niet dagelijks even langsgefietst. En vannacht schrok ik wakker omdat zij wakker lag. Alleen in dat stapelbed. In dat andere huis. En ik wist dat ze bang was. Ze heeft haar vader, zegt u. Dat is zo. Daar is ze uiteindelijk ook naartoe gegaan. Want ja, beste mensen, ze bleek ook écht wakker te zijn geweest om 03.15 u.
Allemaal prima. Maar ze is veel te jong om zo lang niet bij haar moeder in de buurt te zijn. Ze komt uit mijn buik. Ze hoort bij mij. Ik hou er heel wat traditionelere denkbeelden op na, dan ik tevoren ooit zou hebben gedacht.
Er is nóg iets waar ik me op dit moment, al wegsmeltend, mee bezig houd. Waar we moeten gaan wonen straks, als we die scheiding officieel gaan beginnen. En hoe godsgruwelijk dúúr het zal worden om alleen die walgelijke papieren maar te kunnen tekenen. Dít blijkt die gezamenlijke wereldreis te zijn waarvan ik altijd heb gedroomd. Nee, het is niet enkel kommer en kwel. Er gebeuren ook veel goeie dingen. Ik leef bijvoorbeeld. Dat was voor het gedonder begon wel anders. Waar ik vroeger vooral schreef om dichterbij het leven te komen, schrijf ik nu eerder om het even vanaf een afstandje te bezien. Het is dus ook goed dat dit gebeurt. Zeker. Al werd ik vanmorgen in de sportschool, tijdens de ontspanningsoefening, ineens bevangen door het ondraaglijke idee dat ik nooit meer naast hem in bed zal liggen.
U mag raden wat ik uiteindelijk heb gedaan, betreft dat strandje.