maandag 22 mei 2017

Trouw, column 20 mei

Verbond

 “Ik ga met jou een gesprekje voeren en we zetten je ouders aan het werk!,” lacht de onderbouw coördinatrice van het gymnasium. “Zo willen wij dat zien, toch?”
Onze dochter zeg ja. We zitten in een klaslokaal aan een eivormige tafel. De coördinatrice knipoogt naar ex en mij en schuift ons een formulier toe dat we samen in moeten vullen. Ik schuifel op mijn stoel. Ik ben bang voor de vragen die erin staan. Ik ben bang dat we een adres – twee adressen dus - op moeten schrijven. Ik ben bang dat we zo dadelijk ontmaskerd zullen worden als slechte ouders.
Ik kijk naar de bijna twaalfjarige tegenover ons, de bijna volwassene, - “Wat zijn alle kinderen hier groot,” fluisterde ze toen we daarnet de school binnenstapten - de choker om haar nek, het knotje, de mascara die ze speciaal hiervoor heeft opgedaan, haar oogopslag, schuchter, maar vol levenslust, een nieuwe school, een eigen telefoon, de wereld wacht op haar.
“Wat is je nu lievelingsvak?”
De coördinatrice is net terug van zwangerschapsverlof. Dat zag ik meteen al aan haar buikje. Zij staat nog aan het begin van een gezin.
En hier zitten wij, aan de andere kant, de ouders die bijna uit elkaar zijn. De losers.
Ik denk terug aan hoe wij twaalf jaar geleden een gezin werden. Hoe de pasgeboren baby op mijn buik lag, zachtjes kermde en we haar J besloten te noemen. Het verbond tussen ons. Alsof we terplekke ‘heel’ werden. Ik weet nog hoe de liefde die we voelden bijna tastbaar in die verloskamer hing. Het woord: allesomvattend.
Ik denk aan het kinderdagverblijf waar we haar, op de dag dat we haar brachten, ook meteen weer mee terugnamen, omdat de man die ons een hand gaf niet ‘goed’ voelde. Hoe we uitgelachen werden om onze overgevoeligheid. Hoe we J toen uit de handen van Robert M hebben gered.
‘Is er verder nog iets wat belangrijk is voor mij om te weten?” vraagt de coördinatrice.
Ik krijg het afwisselend warm en koud.
Maar J vertelt het verhaal van het meisje dat naar de middelbare school gaat, nog een zusje heeft, met haar ouders op IJburg woont. En wij zitten er stralend bij.
Wij willen het verbond ook niet verbreken. Nu niet. Nu nog heel even niet.
Ooit komt deze mevrouw het wel te weten.

Er hoefde gelukkig ook geen adres ingevuld te worden op dat formulier.

dinsdag 16 mei 2017

Column Trouw, 13 mei

Imaginaire man.

Als kind had ik een imaginair vriendje, nu een imaginaire man.
Ik was al zeker twaalf toen ik mijn imaginaire vriend influisterde dat ik te oud voor hem werd. Ik tekende een ander vriendinnetje voor hem, gaf haar een naam. En weg was-ie ook echt. Helemaal verdwenen.
Had ik tot dan toe altijd iemand aan mijn zijde gehad met wie ik alles deelde, nu stond ik er voor het eerst van mijn leven alleen voor.
Nou, dat was wat.
Bij dezen zal ik ook afscheid nemen van de imaginaire man.
Mijn imaginaire man vraagt zich nu af of ik deze column niet beter een andere keer kan gaan schrijven omdat het al tegen zessen loopt en de meisjes zo honger zullen krijgen.
En als ik ‘s morgens voor mijn kledingkast sta, zegt hij kalmpjes dat de tijd tikt.
“Dit staat je prima,” zegt hij.
“Dus jij denkt dat dit zo kan?”
“Het is beter om in alle rust thuis te vertrekken, dan je eerst nog tien keer te verkleden.”
Mijn imaginaire man glimlacht me trouwens almaar ontzettend vriendelijk toe.
Hij zegt: “Laat je niet opjagen door wat de mensen zeggen.” En: “Het is goed.”
Nee, dit is niet waar. Dit verzin ik nu omdat ik graag zou willen dat hij een beetje liever was. De imaginaire man is puur praktisch en nogal nors.
Als het tegen elven loopt op zondagochtend en we met z’n drieën nog gezellig in onze pyjama’s zitten, zegt hij dat we nu echt onze kleren aan moeten gaan trekken en iets gaan dóén. Het is mooi weer!
“Papa zou nu denk ik gezegd hebben dat het tijd is om naar buiten te gaan,” zeg ik tegen de meisjes.
We negeren papa. We keuvelen lekker verder. Ik laat me natuurlijk niet opjagen door zijn stem in mijn hoofd. Dit is míjn manier van een zondagochtend doorbrengen.
“Opschieten. Dadelijk ben je te laat.”
Dan sta ik op, begin in mijn handen te klappen en te roepen dat we nu eindelijk op moeten schieten, omdat we - als we zo doorgaan - te laat buiten zullen komen voor het mooie weer!  TE LAAT.  De meisjes schrikken, beginnen te gillen, vliegen elkaar in de haren, de poezen vluchten door het kattenluik, en ik ren schreeuwend heen en weer door de kamer. “Zie je wel! We hadden ook béter naar papa moeten luisteren!”

Nou, dat moet nu maar eens voorbij zijn.

maandag 8 mei 2017

Column Trouw, 6 mei

Balans

Het is nu een half jaar geleden dat man ‘een paar daagjes’ uit logeren ging.
Inmiddels verwacht ik niet meer dat hij ’s nachts nog naast me komt liggen. Die lege plek is bij mij gaan horen. En als ik mijn dochters naar bed heb gebracht, weet ik dat er - als ik beneden kom  - niemand op de pastoor stoel in de huiskamer zit. Niemand met een rechte rug, een boek op zijn schoot, een leesbril op zijn neus en grijze, kapotte sloffen aan zijn voeten. Ook niemand die steeds zachtjes ‘ik wil jou niet, ik wil jou niet, ik wil jou niet’ fluistert.  Op de plaats waar eerst die stoel stond, liggen nu een paar zachte kussens.
Inmiddels ben ik degene die voor het slapengaan de lichten uitmaakt, die controleert of de deur wel goed op slot zit, of de fiets binnen staat, ik maal ’s ochtends zonder nadenken de bonen.
En toen de meisjes en ik gisteren tegen etenstijd thuiskwamen van de bioscoop, was het huis gewoon ons huis, en ik degene die de houtkachel aanmaakte, nog even moest koken, een glaasje wijn voor mezelf erbij. Het is al heel lang niet meer voorgekomen dat ik de tafel per ongeluk dek voor vier. Ik ben nu eerder bevreesd dat het met ons vieren nooit meer leuk zal worden, dan dat we er met z’n drieën niets van zullen kunnen maken.
En ik vat het maar op als een goed teken, dat de zachte, wollen deken die man me gaf met sinterklaas – de dag waarop hij zijn twijfel definitief liet varen – daarnet ineens in de fik vloog.  (En daarmee bijna het hele huis)
“Om je warm te houden,” had hij erbij gezegd, “je kunt de deken omslaan als je schrijft.”
Welnu: in dit halve jaar is gebleken dat ik hem - noch zijn deken - nodig heb om warm te worden, om het gezellig te hebben, om in leven te blijven. Al weet ik nog altijd vrij zeker dat we deze identiteitsstorm ook heel goed sámen hadden kunnen doorstaan.
“Zou je deze man echt terug willen?” vroeg iemand me laatst, “ik bedoel: degene die hij nu geworden is?”
Wat misschien wel veel enger is dan al het andere: het idee dat dit precies goed zou zijn.

Dat dit de juiste weg is. In een juist leven. Op een juist moment. Dat de wereld daadwerkelijk voor mij open zou liggen.