Het was donker, koud en het regende. Ik ging deur uit voor boerderijkippetje bij de Bierfabriek en een literair spektakel in de Brakke Grond. En daar stond ik, aan het begin van onze straat, onder de Turkse winkel, op weg naar de tram, terwijl daarboven ergens, achter één van die verlichte ramen, mijn dochters en man pasta Bolognese aten. Iemand had het gisteren steeds over mijn ex.
'Mama, heb jij papa's huis eigenlijk al gezien?' vroeg Deetje vanmorgen. Zij had er een middag met haar vriendje gespeeld en ook Jeetjes vriendin was er een kijkje komen nemen.
'Nog niet.'
'Jij had papa's huis toch eerder moeten zien.'
'Waarom?'
Het bleef even stil. 'Omdat jij familie bent,' zei ze. 'Jij bent onze familie.'
'Dat is waar,' zei ik. 'Is het een mooi huis?'
'Ja,' zei ze. 'Een heel mooi huis.'
'Dan is het goed,' zei ik.
woensdag 9 november 2016
dinsdag 8 november 2016
Het moment
Het volgende moment zaten we weer met z'n tweeën in onze woonkamer, - die vanaf nu voorlopig de mijne is - maakte hij een toastje met zalm aan het aanrecht, kon hij de honing-mosterd dressing niet vinden, schonk hij een glaasje goede wijn in, zat ik op het kleed naast de brandende kachel, zat hij op de bank, proostten we. Waarop wisten we niet.
Op dat moment was het niet meer dan normaal dat hij daar zat, dat ik daar zat, dat wij daar zaten. Dat tegen zessen de meisjes terugkwamen van hun buurvriendjes, dat we met z'n vieren aten, dat de nieuwe kleren aan vader geshowd werden, dat er gelachen werd, dat hij ze allebei naar bed bracht, ook de elfjarige mocht op vaders rug de trap op. Met mijn ogen dicht lag ik op het kleed en luisterde naar het stommelen boven. Het tandenpoetsen. Het kletsen.
'Papa mag ik jouw nieuwe huisje morgen zien?' vroeg de zesjarige. Ook: 'Heb jij eigenlijk wel een tafel?'
En het maakte mij allemaal niet uit. Zolang ik daar lag.
Op dat moment was het niet meer dan normaal dat hij daar zat, dat ik daar zat, dat wij daar zaten. Dat tegen zessen de meisjes terugkwamen van hun buurvriendjes, dat we met z'n vieren aten, dat de nieuwe kleren aan vader geshowd werden, dat er gelachen werd, dat hij ze allebei naar bed bracht, ook de elfjarige mocht op vaders rug de trap op. Met mijn ogen dicht lag ik op het kleed en luisterde naar het stommelen boven. Het tandenpoetsen. Het kletsen.
'Papa mag ik jouw nieuwe huisje morgen zien?' vroeg de zesjarige. Ook: 'Heb jij eigenlijk wel een tafel?'
En het maakte mij allemaal niet uit. Zolang ik daar lag.
zondag 6 november 2016
Sjabloon
De middaglessen zullen zo starten. De docentenkamer zit vol.
'Ik ben drie keer getrouwd en drie keer weggegaan,' zegt de ouwe dichter.
'Hij heeft daar hele mooie poëzie over geschreven,' zegt iemand anders. 'Heel mooi.'
De dichter begint op gedragen toon z'n poëzie te reciteren. Iets over drie nesten die hij achtergelaten heeft.
'Ja, zo doe jij dat,' zeg ik, 'vertrekken en er dan gevoelige gedichten over schrijven. Tjonge jonge.'
'Heb jij er zelf soms ervaring mee?'
Ik vertel over mijn recentelijk weggelopen man.
'En dan zit jij zo te lachen hier,' zegt een schrijfster, 'maakt het jou dan niks uit?'
'Jawel.'
'Ik snap niet dat jij hier zo kan zitten.' Ze praat over de dag dat zij thuis vertrok, met alleen een krakkemikkige printer, en dat ze daar twee jaar lang totaal van in de kreukels lag. Maar dan ook totáál.
'Had je gewoon thuis moeten blijven, hè.'
Ze kijkt me aan.
'Wat voor type is jouw man?'
Nog voor ik uitgepraat ben, zegt ze: 'O, die komt niet terug. Dat heb je met die aardige mannen, ik ken ze, ze doen er heel lang over om tot een besluit te komen, en áls ze dan eenmaal iets besloten hebben, dóén ze het ook, en komen ze er niet meer op terug, nooit meer. Zo zijn ze.'
'Och misschien heeft hij gewoon een tijdje afstand nodig,' zegt weer een ander.
'Zit jij haar nou hóóp te geven?' zegt de schrijfster.
De ouwe dichter vertelt dat ik meteen een nieuwe man moet opduikelen. In het café. Of waar vind je ze tegenwoordig? Zijn relaas eindigt met iets over tinder.
Ik denk: het lijkt of we in een bekend sjabloon passen. Iedereen weet hoe het afloopt. Hoop is ongegrond.
En dan is het tijd om les te gaan geven.
'Ik ben drie keer getrouwd en drie keer weggegaan,' zegt de ouwe dichter.
'Hij heeft daar hele mooie poëzie over geschreven,' zegt iemand anders. 'Heel mooi.'
De dichter begint op gedragen toon z'n poëzie te reciteren. Iets over drie nesten die hij achtergelaten heeft.
'Ja, zo doe jij dat,' zeg ik, 'vertrekken en er dan gevoelige gedichten over schrijven. Tjonge jonge.'
'Heb jij er zelf soms ervaring mee?'
Ik vertel over mijn recentelijk weggelopen man.
'En dan zit jij zo te lachen hier,' zegt een schrijfster, 'maakt het jou dan niks uit?'
'Jawel.'
'Ik snap niet dat jij hier zo kan zitten.' Ze praat over de dag dat zij thuis vertrok, met alleen een krakkemikkige printer, en dat ze daar twee jaar lang totaal van in de kreukels lag. Maar dan ook totáál.
'Had je gewoon thuis moeten blijven, hè.'
Ze kijkt me aan.
'Wat voor type is jouw man?'
Nog voor ik uitgepraat ben, zegt ze: 'O, die komt niet terug. Dat heb je met die aardige mannen, ik ken ze, ze doen er heel lang over om tot een besluit te komen, en áls ze dan eenmaal iets besloten hebben, dóén ze het ook, en komen ze er niet meer op terug, nooit meer. Zo zijn ze.'
'Och misschien heeft hij gewoon een tijdje afstand nodig,' zegt weer een ander.
'Zit jij haar nou hóóp te geven?' zegt de schrijfster.
De ouwe dichter vertelt dat ik meteen een nieuwe man moet opduikelen. In het café. Of waar vind je ze tegenwoordig? Zijn relaas eindigt met iets over tinder.
Ik denk: het lijkt of we in een bekend sjabloon passen. Iedereen weet hoe het afloopt. Hoop is ongegrond.
En dan is het tijd om les te gaan geven.
donderdag 3 november 2016
Roken
De kapster kon alleen maar over sigaretten praten. Ze had al twee dagen niet gerookt. Ze zei dat roken gezonder was dan twee glaasjes wijn per dag. Ze zei dat haar opa 84 was, kerngezond en een roker. We hadden het over verslaving, de eeuwige zwakke plek, en de geest die het roken gaat vergoeilijken. Ze zei dat ze ooit eerder gestopt was, maar meteen weer begonnen toen haar relatie uit ging. Ik zei dat ik onlangs weer begonnen was. Maar dat ik er ook weer mee moest stoppen binnenkort. Omdat het op mijn leeftijd écht niet meer verantwoord is. 'Op een gegeven moment ben je de lul', zei ik. 'Als je ouder wordt, kom je er achter dat niets jou níét zal gebeuren.' Ze schrok toen ik mijn leeftijd zei.
'Zó oud zie je er echt niet uit,' zei ze.
Ze vroeg me waarom ik weer begonnen was. Ze vroeg of er plekken waren waar oude vrouwen als ik kunnen gaan stappen. Ik zei dat ik niet wist waar de oude vrouwen gingen stappen.
'Hoe lang was je bij je man?'
Ik zei hoe lang ik bij mijn man was. Dat was net zo lang als zij leefde. Ik keek naar de oude vrouw in de gebroken spiegel en de jonge vrouw die achter haar stond. Het was een hippe zaak met barsten in de spiegels. Als je er binnenkwam, kon je niet zien dat daar ook mensen geknipt werden. Het was een art gallery. De oude vrouw was onderdeel van de expositie.
'Als ik weet dat jij sigaretten in je tas hebt, wil ik er dadelijk eentje met je roken,' zei de kapster.
'Dat weet ik,' zei ik. Toen zei de kapster dat ze diep van binnen niet wilde stoppen met roken. En dat ik dat in deze periode al helemaal niet zou moeten doen.
'Stress is veel slechter voor je gezondheid,' zei ze.
'Ja,' zei ik.
'Zó oud zie je er echt niet uit,' zei ze.
Ze vroeg me waarom ik weer begonnen was. Ze vroeg of er plekken waren waar oude vrouwen als ik kunnen gaan stappen. Ik zei dat ik niet wist waar de oude vrouwen gingen stappen.
'Hoe lang was je bij je man?'
Ik zei hoe lang ik bij mijn man was. Dat was net zo lang als zij leefde. Ik keek naar de oude vrouw in de gebroken spiegel en de jonge vrouw die achter haar stond. Het was een hippe zaak met barsten in de spiegels. Als je er binnenkwam, kon je niet zien dat daar ook mensen geknipt werden. Het was een art gallery. De oude vrouw was onderdeel van de expositie.
'Als ik weet dat jij sigaretten in je tas hebt, wil ik er dadelijk eentje met je roken,' zei de kapster.
'Dat weet ik,' zei ik. Toen zei de kapster dat ze diep van binnen niet wilde stoppen met roken. En dat ik dat in deze periode al helemaal niet zou moeten doen.
'Stress is veel slechter voor je gezondheid,' zei ze.
'Ja,' zei ik.
woensdag 2 november 2016
Twee kampen
Er zullen hoe dan ook twee kampen komen,' zei ze. 'Jij en hij.'
'Ik wíl geen twee kampen.'
'Dat gaat toch gebeuren.'
'Dat wil ik absoluut niet.'
'Snap ik,' zei ze, 'maar zo gaan die dingen.'
Het was nog vroeg. Mijn vriendin en ik waren de enigen in het Utrechtse café De Bastaard. We dronken goedkope wijn uit Duralex glazen en aten borrelnootjes. Ik voelde me de hele dag al best goed.
'Je hebt nog veel voor je kiezen,' zei ze.
Ik knikte.
'Jullie zullen samen een hoop moeten regelen. Het huis. De omgangsregeling met de kinderen. Geld.'
'We weten niet hoe het loopt,' zei ik.
'Jij blijft maar hopen,' zei ze. 'Jij klampt je overal aan vast.'
'Ik mag toch wel een beetje hoop hebben?'
'In de gesprekken die we er het afgelopen jaar over hebben gevoerd, heb ík niets hoopvols van zijn kant gehoord,' zei ze. 'Niets.'
'Eerst maar eens zien hoe het is als hij weer in de buurt woont.'
We aten het schaaltje nootjes leeg. We namen nog een glaasje rode wijn.
'Zal ik eens wat zeggen?' zei ze toen. 'Ik denk dat het níét goed komt. Nooit meer.'
Ik dronk mijn glas in één keer leeg. Een gore smaak.
'Hij is weg,' zei ze. 'Hij is allàng bij je weg. Hij voelt zich beter nu hij je niet ziet. Hoe duidelijk moeten de signalen zijn?'
Ze keek me aan. Ik barstte in huilen uit.
'Ik zeg dit omdat het anders nog veel meer pijn gaat doen,' zei ze. 'Hij is heel lang niet duidelijk geweest dat heeft jouw hoop steeds gevoed.'
'Misschien niet voor niets,' zei ik, 'die onduidelijkheid?'
'Nee, dat maakt het alleen maar pijnlijker,' zei ze.
Na De Bastaard gingen we Vietnamees eten in de Voorstraat. We spraken over de werkelijkheid, het ontkennen ervan en over nog meer dingen. Maar ik was ineens zo moe geworden. Zo ontzettend moe.
Op de terugweg reden er geen treinen meer naar Amsterdam Centraal. Er was een bovenleiding gesprongen. Dat was de werkelijkheid.
'
'Ik wíl geen twee kampen.'
'Dat gaat toch gebeuren.'
'Dat wil ik absoluut niet.'
'Snap ik,' zei ze, 'maar zo gaan die dingen.'
Het was nog vroeg. Mijn vriendin en ik waren de enigen in het Utrechtse café De Bastaard. We dronken goedkope wijn uit Duralex glazen en aten borrelnootjes. Ik voelde me de hele dag al best goed.
'Je hebt nog veel voor je kiezen,' zei ze.
Ik knikte.
'Jullie zullen samen een hoop moeten regelen. Het huis. De omgangsregeling met de kinderen. Geld.'
'We weten niet hoe het loopt,' zei ik.
'Jij blijft maar hopen,' zei ze. 'Jij klampt je overal aan vast.'
'Ik mag toch wel een beetje hoop hebben?'
'In de gesprekken die we er het afgelopen jaar over hebben gevoerd, heb ík niets hoopvols van zijn kant gehoord,' zei ze. 'Niets.'
'Eerst maar eens zien hoe het is als hij weer in de buurt woont.'
We aten het schaaltje nootjes leeg. We namen nog een glaasje rode wijn.
'Zal ik eens wat zeggen?' zei ze toen. 'Ik denk dat het níét goed komt. Nooit meer.'
Ik dronk mijn glas in één keer leeg. Een gore smaak.
'Hij is weg,' zei ze. 'Hij is allàng bij je weg. Hij voelt zich beter nu hij je niet ziet. Hoe duidelijk moeten de signalen zijn?'
Ze keek me aan. Ik barstte in huilen uit.
'Ik zeg dit omdat het anders nog veel meer pijn gaat doen,' zei ze. 'Hij is heel lang niet duidelijk geweest dat heeft jouw hoop steeds gevoed.'
'Misschien niet voor niets,' zei ik, 'die onduidelijkheid?'
'Nee, dat maakt het alleen maar pijnlijker,' zei ze.
Na De Bastaard gingen we Vietnamees eten in de Voorstraat. We spraken over de werkelijkheid, het ontkennen ervan en over nog meer dingen. Maar ik was ineens zo moe geworden. Zo ontzettend moe.
Op de terugweg reden er geen treinen meer naar Amsterdam Centraal. Er was een bovenleiding gesprongen. Dat was de werkelijkheid.
'
maandag 31 oktober 2016
Waarheid
Deetje vertelt aan het ontbijt dat haar vriendinnetje - Teetje - heeft gezegd dat sinterklaas helemaal niet bestaat en dat de ouders degenen zijn die de cadeaus kopen. Dat gelooft Deetje uiteraard niet. Maar er zijn toch veel dingen die ook zij niet kan rijmen. Dus vraagt ze het na. Haar ernstige, groene ogen kijken me aan.
'Hij bestaat,' zeg ik.
'Ben jij nog wel heel verliefd op papa eigenlijk?' is haar volgende vraag.
'Wat hoor ik nou?' Op het schoolplein komt Teetjes moeder naar me toe. Ze vertelt dat Deetje aan haar dochter heeft gemeld dat haar ouders gaan scheiden.
'Dat is zo.'
'Júllie.'
'Ja,' zeg ik. En heel zachtjes voeg ik eraan toe: 'voorlopig.'
'Jezus, dat is even wat anders dan het geloof in sinterklaas,' zegt ze.
Ik denk aan geloof. Geloof in je ouders. Geloof in sinterklaas. Hoe alles waarop je bouwde op zesjarige leeftijd al niet de waarheid blijkt te zijn. Hoe dé waarheid niet bestaat, maar hoe we die wel kunnen creëren. Het huwelijk is ook een geloofsovertuiging, een verhaal dat ophoudt te bestaan zodra één van de twee er niet meer aan meedoet.
In het boek Contouren van Rachel Cusk lees ik daarnet: 'En uiteindelijk besefte ik dat hun ruzies nooit konden worden bijgelegd zolang het doel was om de waarheid te achterhalen, aangezien er geen eenduidige waarheid meer bestond - dat was nu juist het hele probleem. Er was geen sprake meer van een gedeeld wereldbeeld of zelfs van een gedeelde werkelijkheid. Elk van beiden zag de dingen nu enkel nog vanuit zijn eigen perspectief. Er was maar één wereldbeeld dat ertoe deed.'
'Hij bestaat,' zeg ik.
'Ben jij nog wel heel verliefd op papa eigenlijk?' is haar volgende vraag.
'Wat hoor ik nou?' Op het schoolplein komt Teetjes moeder naar me toe. Ze vertelt dat Deetje aan haar dochter heeft gemeld dat haar ouders gaan scheiden.
'Dat is zo.'
'Júllie.'
'Ja,' zeg ik. En heel zachtjes voeg ik eraan toe: 'voorlopig.'
'Jezus, dat is even wat anders dan het geloof in sinterklaas,' zegt ze.
Ik denk aan geloof. Geloof in je ouders. Geloof in sinterklaas. Hoe alles waarop je bouwde op zesjarige leeftijd al niet de waarheid blijkt te zijn. Hoe dé waarheid niet bestaat, maar hoe we die wel kunnen creëren. Het huwelijk is ook een geloofsovertuiging, een verhaal dat ophoudt te bestaan zodra één van de twee er niet meer aan meedoet.
In het boek Contouren van Rachel Cusk lees ik daarnet: 'En uiteindelijk besefte ik dat hun ruzies nooit konden worden bijgelegd zolang het doel was om de waarheid te achterhalen, aangezien er geen eenduidige waarheid meer bestond - dat was nu juist het hele probleem. Er was geen sprake meer van een gedeeld wereldbeeld of zelfs van een gedeelde werkelijkheid. Elk van beiden zag de dingen nu enkel nog vanuit zijn eigen perspectief. Er was maar één wereldbeeld dat ertoe deed.'
zondag 30 oktober 2016
Eerste ontmoeting
Het was wéér zaterdag. Na een dag lesgeven fietste ik van de Herengracht naar huis. Hoe dichter ik mijn huis naderde, hoe groter de tegenzin. Ik had 2 dagen geen enkele vorm van contact met man gehad. Dat betekent: ik had hem geen app-berichtjes gestuurd.
Goed, ik was op weg naar huis. Ik dacht aan de cursiste die een warme, gezellige zondag beschreven had waarin ze als gezin - achteraf gezien voor het laatst - met z'n vieren bij elkaar zaten.
Goed, ik was op weg naar huis dus.
We zouden er met z'n drieën eten. Man, Deetje en ik. Jeetje was uit logeren. Ik hoopte dat hij iets lekkers gekookt had. En nee, ik hoopte verder nergens op. Misschien was het geen hoop, misschien ging ik er gewoon van uit dat hij deze 'afwezigheid' - of hoe het ook heet - zou compenseren met een exquise maaltijd. Iets interessants, veel pannen, glazen wijn.
Goed, bij binnenkomst stond man achter het fornuis. Op zijn sokken. Dat zag ik. En ook dat er maar één braadpan op de kookplaat stond. Aan de ene helft lagen twee dikke bleke worsten, en aan de andere helft een groente die het midden hield tussen broccoli en bloemkool.
'Gadver.'
'Nou zeg,' zei hij.
'Ja, gadver. Eten we dát?'
'Je lijkt Jeetje wel.'
'Weet je al niet meer dat ik niet van worst hou?'
We keken elkaar niet aan. We keken naar de braadpan.
'Dit is worst van de markt met een q,' zei hij toen.
'Ik dacht echt dat je iets lékkers zou maken.'
'Deze worst lust je wel.'
'Blóémkool. Gadver.'
'Dit is geen gewone...'
Hij rolde de worsten en de lichtgroene bloemkool heen en weer in de pan. Ik liep langs hem heen naar boven om mijn rugtas weg te leggen.
Goed, ik was op weg naar huis. Ik dacht aan de cursiste die een warme, gezellige zondag beschreven had waarin ze als gezin - achteraf gezien voor het laatst - met z'n vieren bij elkaar zaten.
Goed, ik was op weg naar huis dus.
We zouden er met z'n drieën eten. Man, Deetje en ik. Jeetje was uit logeren. Ik hoopte dat hij iets lekkers gekookt had. En nee, ik hoopte verder nergens op. Misschien was het geen hoop, misschien ging ik er gewoon van uit dat hij deze 'afwezigheid' - of hoe het ook heet - zou compenseren met een exquise maaltijd. Iets interessants, veel pannen, glazen wijn.
Goed, bij binnenkomst stond man achter het fornuis. Op zijn sokken. Dat zag ik. En ook dat er maar één braadpan op de kookplaat stond. Aan de ene helft lagen twee dikke bleke worsten, en aan de andere helft een groente die het midden hield tussen broccoli en bloemkool.
'Gadver.'
'Nou zeg,' zei hij.
'Ja, gadver. Eten we dát?'
'Je lijkt Jeetje wel.'
'Weet je al niet meer dat ik niet van worst hou?'
We keken elkaar niet aan. We keken naar de braadpan.
'Dit is worst van de markt met een q,' zei hij toen.
'Ik dacht echt dat je iets lékkers zou maken.'
'Deze worst lust je wel.'
'Blóémkool. Gadver.'
'Dit is geen gewone...'
Hij rolde de worsten en de lichtgroene bloemkool heen en weer in de pan. Ik liep langs hem heen naar boven om mijn rugtas weg te leggen.
Abonneren op:
Posts (Atom)