maandag 16 januari 2017

Column Trouw, 14 jan



Twee werelden

Ik verblijf vier dagen in het huisje van een schrijfster die op vakantie is, ik ging gisteravond met een schrijfster eten, intussen mail ik intensief met een schrijver over de kwestie, en kreeg ik hier net een schrijfster op de koffie waarmee ik het probleem van het verlaten worden in twee uur grondig doornam. “Maar waarom wil je hem zo graag terug? Omdat je er niet tegen kunt dat iemand je niet meer wil? Of wil je het allerliefst van de hele wereld bij hém zijn?”
“Toch echt meer het laatste.”
“Maar waarom? Wat biedt hij je nog?”
“Niks.”
Het is een verademing hier te zijn. Schrijverstypes bekijken het leven van oneindig veel kanten. Dat zit in hun aard. Ze doen constant aan zelfonderzoek en wantrouwen geloof ik per definitie hun eigen beweegredenen en die van anderen. Op mijn nieuwbouweiland komen ze nooit koffiedrinken. Het zijn twee verschillende werelden. Misschien ligt daar een oorzaak van de breuk. Ik stelde mijzelf en hem, onze wereld samen, voortdurend ter discussie, terwijl man jarenlang tevergeefs wachtte op mijn tevredenheid. Tot de dag aanbrak dat hij op niets van mij nog zat te wachten. Dat proces heeft hij in z’n eentje doorgemaakt. Het moet een eenzame route zijn geweest. En aan mij enkel het eindpunt mededelen, het kant-en-klare besluit, maakt mij weer zo hondsalleen.
Hoe graag had ik hier met man wekenlang aan de koffie gezeten en onze motivaties, gevoelens en patronen tot op het bot uitgeplozen? Samen. Hoe graag had ik deze afscheidsceremonie, - als dit dan per se een afscheidsceremonie moet zijn - met elkaar gehouden?
Vandaag tuigen zij thuis de kerstboom af. Ze stoppen de ballen weer in de doos, de lichtjes, de piek. Ik vraag me af waar die doos volgend jaar weer opengaat en bij wie die ballen dan het meeste horen? (Ja, bij ons vieren.)
Het is voor het eerst sinds maanden dat ik weg ben. In deze wereld mag ik weer even bestaan. Dit ben ik. En thuis zijn de meisjes die op me wachten. Moeder ben ik bovenal. Maar ik ben nu niet meer de vrouw van man. Dat moet ik loslaten. Dag man. Hallo ex!
En ik heb dan maar vertrouwen in de liefde? Dat die liefde wel komt bovendrijven,  - mócht die stiekempjes nog ergens zijn – ooit, in een nieuwe wereld van ons twee.

Of beter: ik heb gewoon vertrouwen.

vrijdag 13 januari 2017

Draaglijk

Met twee vriendinnen had ik afgesproken in een café in de stad. We dronken wijn en aten hapjes.
'Er zijn echt zat mensen die het wél leuk vinden om met je te zijn,' zeiden de vriendinnen.
'Ja, nou wij ook eigenlijk niet,' zei de ene.
'Nee,' zei de andere. 'Wij niet. Maar wij hebben een bericht van je man gekregen. Of we alsjeblíéft iets met jou wilden gaan drinken.
'Ja,' zei de ene, 'hij had het nou al zó vaak gedaan.'
'Wij hadden wel wat leukers te doen,' zei de andere.
'Iets veel leukers,' zei de ene. 'Maar we zitten hier alleen om het voor jou een beetje draaglijk te maken.'
'We zitten hier natuurlijk niet omdat we jou graag willen zien.' De andere lachte.
'Niemand wil dat,' zei de ene. 'De mensen om jou heen drinken alleen iets met je om het leven voor jou ietsiepietsie draaglijk te maken.'
'Aardig van ze,' zei ik.
'Héél aardig van ons,' zeiden de vriendinnen.

dinsdag 10 januari 2017

De auto.

Als ik door de straat fiets en ik zie onze auto geparkeerd staan tussen de andere auto's, helemaal vóór in de straat, vlak naast de Turk, achterin dat rode smoezelige kinderzitje, dan vind ik dat heel erg. Eén keer heb ik de auto zelfs bij de Turk om de hoek zien staan, weg uit onze straat. Dat was het allerergste.
Op sommige dagen staat de auto halverwege ergens, op een plek tussen onze huizen in, dat is nog oké.
En als ik eraan kom fietsen en de auto voor onze deur zie staan, of in de buurt van onze deur, om de hoek van ons huis is ook goed, lucht dat onmiddellijk op. De auto staat alvast goed.
De plaats van de auto bepaalt mijn gemoed. Ik probeer de auto wel zoveel mogelijk te vermijden door alleen op plekken te fietsen waar geen auto's kunnen komen. Ik fiets tegenwoordig door het Diemerpark om boodschappen te gaan doen.
Maar gisteren fietste ik terug over het lange rechte fietspad, met een volle boodschappentas, het was avond, het motregende, toen ik onverwacht de auto zag staan. Echt op een totaal verkeerde plek. Helemaal aan de overkant van de IJburglaan, bij de waterwoningen. Wéér verder weg.
Ik had er totaal geen rekening mee gehouden, maar het is niet zo gek. Man is sinds gisteren echt helemaal uit het straatbeeld verdwenen. Hij woont nu ergens in een huis van glas op het water.
En dan zet hij de auto daar natuurlijk ook neer.

zondag 8 januari 2017

Column Trouw, 7 januari

GRAPJE

We gaan echt uit elkaar, schijnbaar. De meisjes weten het op het moment dat ik dit schrijf nog niet. Maar als deze krant ter perse gaat, moet we het ze samen hebben verteld. Dat hun leven er na de vakantie écht anders uit gaat zien. Met een schema. Een vader daar. Een moeder hier. Met twee keer per week samen eten.
Tenzij alles anders loopt natuurlijk.  Tenzij hij dadelijk eindelijk ‘grapje’ zegt. ‘Grapje, dit was een test om te kijken of je echt van me hield.’  Tenzij het vlammetje bij man - binnen nu en een paar dagen - weer is opgeflakkerd. Het zoú toch kunnen? Als ik maar iets beter m’n best doe.
Dan kunnen we de meisjes zeggen dat het goed komt. Dan kan deze column als fictie beschouwd worden. En schrijf ik in het vervolg stukjes over hervonden liefde. Dat dat bestáát.
Maar nee, we gaan uit elkaar. Ik schrijf dit ook op zodat ik het zelf zwart op wit op papier zie staan. Ik kan nu eenmaal slecht overweg met de werkelijkheid. Dat is een karaktertrek. Ik maak er het liefst iets anders van.
Iemand vertelde me laatst dat maar 4% van jezelf ‘spontaan’ handelt en dat de overige 96% wordt geregeerd door patronen uit je onbewuste. Dus: we doen allemaal maar wat.
Zodra man binnenkomt, staat er in mij een schaduwfiguur op die leuk gevonden wil worden. Ze handelt en denkt volgens haar eigen vermoeiende patronen. Ook al vind ík dat geen slim idee.
Maar wat ik wilde zeggen: we hebben geen verwachting meer over een toekomst als geliefden. Dat is schijnbaar echt waar.
De mevrouw die ons bij dit proces helpt, de kinderbehartiger, heeft gezegd dat we tegen de meisjes in de ‘we’-vorm moeten spreken.
‘Papa en mama zijn niet meer verliefd op elkaar. We hebben besloten dat het beter is dat we uit elkaar gaan.’
Maar officieel zullen we nog niet scheiden.
“Scheiden is zo gepiept,” zei de mevrouw, “het lijkt mij het beste als jullie nu eerst eens een tijdje gewoon gaan zijn.”
“Een proefscheiding?” zei ik.
“Dan lijkt het erop dat het nog goed komt,” zei man.
“We weten niet hoe het loopt als we elkaar écht niet meer zien.”
“Ik wil geen verwachting.”
“Maar we wéten toch ook niet hoe het uiteindelijk loopt?”
“Nee, je weet nooit hoe het loopt.”
“Precies,” zei ik. “We gaan het meemaken.”




vrijdag 6 januari 2017

Moet dit?

De bel in mijn logeerhuisje in de Pijp gaat. Man en meisjes staan voor de deur. Ik heb ze sinds maandagmiddag niet gezien. Ze zien er alledrie goed uit. Het eerste dat me opvalt is dat de zesjarige een vlecht heeft.
‘Wie heeft die vlecht bij jou gemaakt?’
‘Ik,’ zegt man.
‘Jij? Heb jij nu ineens leren vlechten?’
‘Ja!’
Dus het lange haar van de meisjes zal ook niet de doorslaggevende factor zijn die dit proces een halt toeroept.
We gaan eten bij een Thais restaurantje om de hoek. Ik kijk naar mijn gezin. We horen bij elkaar. Dat is gewoon zo. Het is gezellig. Man bestelt meteen een cocktail voor me. Ik vraag hem hoe de dagen verliepen. Heerlijk. Ook de elfjarige doet zo gezellig mogelijk. Opdat zij zeker niet degene zal zijn die de boel verstoort. En zodra haar zusje het te warm krijgt, genoeg gegeten heeft, naar huis wil om nog even te voetballen, neemt de elfjarige haar mee naar de toiletten. Onderweg kijkt ze even om. Of vader en moeder nog leuk met elkaar praten. Hoe ze erbij zitten. Ik ken die manier van kijken.
En als we weer teruglopen over de Van Woustraat, vraagt de zesjarige: ‘Ga jij niet mee? Wanneer kom jij weer naar huis, mama?’ Ik zie hoe de ruggen van de drie lieverds in het donker verdwijnen,  - de vlecht, het lange blonde haar, de krullenbol - trek dan de deur van mijn logeerhuisje dicht. Moet dit nu echt voortaan zo gaan?

maandag 2 januari 2017

Column Trouw, 31 dec


Slowscheiding

2016 was het jaar waarin ik pas echt begreep dat ik gelukkig was met mijn leven, met ons gezin in ons nieuwbouwhuis, en dat ik iets wilde doen aan ons huwelijk, het onzegbare uiteengaan.
Op drie januari zei ik: “We kunnen in relatietherapie!”
“Het vuurtje is uit.”
“We kunnen het toch proberen?”
“Maar ik wíl het niet proberen,” zei hij een paar dagen later. “Erg hè?”
2016 werd het jaar waarin man in de logeerkamer ging slapen, om de paar maanden een keer zei dat hij weg wilde, maar dan nooit ging. Waarin we op een zwoele avond in mei besloten uit elkaar te gaan, en hij direct na die beslissing weer in onze slaapkamer trok.
2016 werd het jaar waarin we veel meer contact hadden dan in 2015 en het jaar waarin man de plek innam van het boek dat ik schreef.
En net toen ik erop durfde te vertrouwen dat het de goede kant op ging, dat zijn aangekondigde vertrek imaginair bleef, een midlifedingetje misschien, verliet hij op een oktoberavond plotseling ons huis. Met z’n zwarte rugzakje rénde hij haast de straat uit, de donkerte in. Alsof hij geen andere keuze had.
“Papa gaat een paar daagjes logeren,” had hij gezegd.
Het werd het jaar waarin man naar Boven de Turk verhuisde, de eerste afspraak met de mediator stilzwijgend werd doorgestuurd, maar waarin we – alles bij elkaar genomen – precies één week echt als een gescheiden gezin hebben geleefd. De weken daarna kwam het niet uit, was het teveel gedoe, de meisjes vonden het fijner zo. Het kwam er op de een of andere manier niet zo erg van.
 “Papa is een beetje gescheiden,” zei de zesjarige.
Een slowscheiding noemt man het. Zoals hij ook degene is die aan slowcooking doet en ik het eten binnen een kwartier op tafel heb staan.
“Je bent een varkentje in de pan,” lachte mijn vriendin, “dat héél langzaam wordt gestoofd.”

Maar 2017 wordt het jaar waarin man – de eerste zeven weken - in een fijn huis woont. Van glas. Op het water. 2017 wordt het jaar waarin we starten met co-ouderschap. Afspraken. Elkaar zo min mogelijk zien. Waarin we echt beginnen met het nieuwe leven. Het jaar dat ik, voor het eerst in een kwart eeuw, niet met een kus aan man zal beginnen. En ik heb geen idee over het jaar dat voor mij ligt. Behalve dat ik dan schrijf.