maandag 13 februari 2017

Column Trouw, 11 feb


HET GAAT GOED

“Zo gaat het echt goed”, zeg ik. “Vind je niet?”
“Ja,” zegt hij.
“Jij vindt het ook gezellig, toch?”
“Ik vind het ook gezellig.”
“We voelen ons alle vier beter als we samenzijn. Dat zie ik.”
“Ik heb wel het idee dat je weer hoop krijgt omdat ik hier vaker ben.”
“Waarom zou ik geen hoop mogen hebben?”
“Mogen, mogen.”
“Ik voel me gewoon stukken beter als ik iets van hoop heb.”
“De liefde is er niet.”
“Die is er wel hoor. Ook bij jou. Dat voel ik. De liefde is ondergesneeuwd. We moeten snel sneeuw scheppen. Voor de liefde echt verstikt is.”
Hij zwijgt.
“Ik heb altijd achteraf gelijk, met alles, weet je nog?”
“Nee,” zegt hij.
“Je zou weer verliefd op me kunnen worden. Dat kán gebeuren. Het zou mooi zijn voor de meisjes als we weer verliefd waren, toch?”
Hij zwijgt.
“Waarom zeg je niks?”
“Hier kan ik niet in meegaan.”
“Waarom niet?”
“Het is het tegenovergestelde van wat ik voel.”
“Ja, op dít moment ja.”
“Volgens mij is het voor jou niet goed als wij elkaar zo vaak zien.”
“Het is toch gezelliger?”
“Ja, maar jij krijgt hoop.”
“Ik begrijp intussen echt wel hoe het zit hoor. Maar ik ben tevreden met een halve man of een kwart man.”
“Dat ben je niet echt.”
“Als ik je zie, voelt het beter dan als ik je niet zie. Als we samen eten, een beetje kletsen. Als je mijn nek masseert, me vasthoudt…”
“Maar ook dán is de liefde er niet,” zegt hij.
“Dat weet ik wel.”
“Het is vertrouwdheid.”
“Dat vind ik ook prima. Als het zo maar blijft.”
“We moeten verder.”
“Ingrid. Angela. Karin. Jolanda. Rosa. Elke nacht droom ik deze vrouwennamen.”
“Waarom begin je daar steeds over?”
“Zeg je het wel als je een ander hebt?”
“Ik zal het zeggen als ik een ander heb.”
“Ik begrijp het gewoon niet,” zeg ik.
“Sorry.”
“Zelfs als je het niet voelt, kun je het toch op z’n minst probéren. Omwille van mij, omwille van het gezin. En als het dán niet werkt, heb ik er ook vrede mee.”
“Maar ik wíl dat niet.”
“Dat is gewoon weglopen.”
“Ik heb het al geprobeerd.”
“Dus jij voelt je goed nu?”
“Ja, ik voel me elke dag weer opgelucht.”
“Ik wou dat je het genuanceerder zei.”
“Maar het ís niet genuanceerder!”
-
“Niet huilen. Hè, nu is de avond mislukt!”



vrijdag 10 februari 2017

Borrel



Bij thuiskomst trof ik mijn gescheiden buurvrouw rokend op een krukje, in haar smalle halletje, de voordeur op een kier, een lege fles wijn naast haar.
‘Waarom moet ik altijd alles alleen doen?’ zei ze. 
We bezochten de buurtborrel in het café op de hoek van onze straat. Allemaal gelukkig getrouwde stellen. De buurmannen spraken over World Wide Domination en de vrouwen doopten hun vingers in kaarsvet, wreven er zachtjes mee over hun neus, en hadden het over Passionele Liefde. Er waren flessen wijn, er was whisky en de traditionele schaal bitterballen. Het was de eerste keer dat ik zonder man bij een buurtborrel was. De borrel ging gewoon door, dat was het vreemdste. Ook zonder hem. De buurmannen leken hem helemaal niet te missen. De nieuwe status quo werd zonder slag of stoot aanvaard.
Ik keek rond, stak een bitterbal in mijn mond en besefte dat dit het was. Hier hoor ik niet meer bij, dacht ik.
Mijn gescheiden buurvrouw en ik giechelden. Als twee bakvissen.
Zoals er vroeger een tweedeling was tussen de moeders en de niet-moeders, zo voelde ik nu voor het eerst de tweedeling tussen de stellen en de alleenstaanden. 
Rond middernacht stond ik met een paar gelukkig getrouwde buurvrouwen buiten te roken en één van hen zei: 'Gescheiden vrouwen horen er ook bij.'

“Ja,’ zei een andere, ‘die zijn er toch gewoon óók?”

woensdag 8 februari 2017

Toekomst, verleden, heden

'Mama! Het is kwart over acht!' de elfjarige kwam mijn kamer instormen. Na een nacht nauwelijks slapen, versliep ik me. Binnen kwartier moesten de meisjes en ik alles gedaan hebben. Ontbijt, kleren, haren, broodtrommels, gymspullen. Dat lukte. Maar mijn eigen verzorging liet te wensen over. Met dikke slaapogen trof ik man voor de basisschool. Voor we naar de tweede afspraak gingen bij de mevrouw die ons helpt, zouden we een wandelingetje maken om het over De Toekomst te hebben. Daar hadden we exact een half uur voor.
'Ik heb eerst koffie nodig,' zei ik.
We liepen naar de Bagel & Beans en namen elk een dubbele espresso.
'Ik wil eigenlijk niet over de toekomst praten,' zei ik toen we de koffietent weer uitliepen, 'gek hè?'
'Maar jij wou wandelen en over de toekomst praten.'
'Ja, maar dat was vorige week. ik heb nu helemaal geen zin meer om over de toekomst te praten.'
'Ik denk toch dat we het huis moeten verkopen,' zei hij.
Nadat we heel kort over de Toekomst gepraat hadden, kwamen we bij de mevrouw aan. En daar moesten we het Verleden onder ogen zien. Het verleden bleek van meer invloed dan we dachten. Het interessantste was: het verleden is niet voorbij.
Daarna was er het Heden waarin we door de Albert Heijn liepen. Het was lang geleden dat we samen boodschappen hadden gedaan. Hij een mandje om zijn arm. Ik een mandje.
'Wat zullen we vanavond eten?' vroeg ik.
'Jullie kunnen zalm met tomaatjes eten,' zei hij, 'dat vinden de meisjes lekker.'
We liepen naast elkaar door de Albert Heijn, maar hij legde geitenkaas en gnocchi in zijn mandje en ik zalm en tomaatjes.


maandag 6 februari 2017

Trouw column, 4 feb

Kleine dingen waar ik stiekem blij van word.

Dat we de komende drie weken minstens twaalf middelbare scholen moeten bezoeken met de elfjarige en daardoor verplicht zijn veel vaker samen te eten dan Het Schema voorschrijft.
Dat we ons sowieso slecht aan ons eigen schema blijken te houden.
Dat het eigenlijk beter met ons gaat als we elkaar door de week wél af en toe zien, dan als wij elkaar helemaal niet zien.
Bij thuiskomst de auto voor onze deur zien staan met een achterbak vol hout voor in de kachel.
Man die voor mij en hem een Indiase curry heeft gemaakt en voor de meisjes spaghetti bolognese. En dat hij als hij de curry serveert, zegt dat er eigenlijk nog verse koriander bij moet en gehakte cashewnoten. Het halve limoentje naast mijn bord, de andere helft knijpt hij fijn boven zijn bord.
“Heb je cashewnoten?” vraagt hij.
Dat ‘je’ verpest de boel heel even.
Er, vlak voor ik naar de les vertrek, toevallig achter komen dat er weer een achterlampje op mijn fiets zit.
Zijn veel te grote skihandschoenen aan hebben.
Dit appje ontvangen: ‘Hoe ging je les?’
Bij thuiskomst op het raam tikken, in plaats van in mijn tas naar de huissleutel zoeken.
Zijn oude legerdumphandtas gebruiken.
Zijn lippen die per ongeluk vijf tellen op de mijne blijven hangen, in plaats van de ene tel die normaal voor een afscheidszoen staat.
Dat we 2017 - ondanks alles – gewoon met z’n vieren onder één dak zijn begonnen, en dat ik voor het eerst in maanden zijn stem weer hoorde in de morgen. Al kwam die uit de logeerkamer.
Zijn stem en de lach van de zesjarige.
Op de eerste dag van het nieuwe jaar met het gezin de uitpuilende afvalcontainers van La Place in Hilversum doorzoeken. Met witte wegwerphandschoenen aan.
We waren alweer bijna in Amsterdam toen de elfjarige erachter kwam dat haar beugel niet in haar mond zat.
Ik had geen beter beeld kunnen bedenken dan dat van het uiteengevallen gezin, op 1 januari, gehurkt op het grauwe achterplaatsje van een restaurantketen, graaiend in vele reuzenvuilniszakken.
Het gezamenlijke doel dat ons bond.
De triomfantelijke kop van man toen hij tenslotte het beugeltje uit een met ketchup doordrenkt servetje viste en omhooghield.
Zijn uitroep: “Zie je wel! Ik vind altijd álles terug!”
Tot nu toe is man inderdaad altijd degene geweest die terugvond wat verloren was geraakt, niet ik.




donderdag 2 februari 2017

Oud mannetje

Ik legde mijn broeken op de vrijgekomen planken van de klerenkast en zag toen de achtergebleven boxershorts (die met het losse elastiek, de meest verschoten exemplaren)  wel tien paar sokken, een plank met zomerbroeken en daar lag het donkerblauwe vest met pluisjes waarin hij in zijn oude leven leek te wonen, - al vond ik altijd dat hij daarin op een oud mannetje leek - maar waarmee hij zijn nieuwe leven kennelijk toch niet had willen beginnen.
Niet als oud mannetje.
Ik sloot de klerenkast en ging op de rand van het bed zitten.
Misschien moet ik alles weghalen, dacht ik, wat aan hem doet denken. Misschien moet ik alles op die ene kamer leggen en de deur dichtdoen.
Toen kwam er een app-bericht binnen van een vriend.
'Je zag er erg goed uit gisteravond. Misschien is er toch iets wezenlijks veranderd, en weet je lichaam het al, maar jij nog niet.'