De schoonmaker wordt gebeld. Het is een vriend die vanavond bij hem wilde komen eten maar nul op rekest krijgt.
'Ik hou niet van eten, Elkie. Ik vind het onzin,' zegt Fabio als hij klaar is met telefoneren.
'Waarom?'
'Je eet het op, en de volgende dag ligt het in de wc,' zegt hij, 'dat vind ik nutteloos.'
'O, nou, maar.'
'En ik wil dun worden!' zegt hij ferm. 'Hoe kom jij eigenlijk zo dun? Jij bent moeder van twee kinderen.'
'Maar jij bènt toch dun, Fabio?'
'Ik heb een hele grote buik.'
Er staat een kleine, uiterst tengere man in de keuken. De grote buik is nergens te zien. Zelfs een lichte bolling van zijn t-shirt, is met mijn blote oog niet waar te nemen. De analyse is al gemaakt. Er schieten mij ineens wel erg veel gesprekken met hem te binnen over eten, vetzucht en zijn aperte afkeer van de dichtslibbende mens. Hij heeft al heel vaak gevraagd naar mijn voedingspatroon Ook heb ik hem nog nooit iets in zijn mond zien stoppen. Clear.
'Eh?' zeg ik, 'Jij hebt denk ik anorexia nervosa.'
'Wat?'
'Dat is een ziekte. Je dènkt dat je dik bent, maar je bent het helemaal niet. Je ziet in de spiegel iets anders, dan er is. Dat heb jij.'
'Dat heb ik niet,' zegt Fabio, 'ik heb een grote buik.'
Daar laten we het bij voor vandaag. Misschien ontgaat mij iets. Ik wil niet zover gaan dat de schoonmaker nu voor mij zijn t-shirt omhoog moet doen. Dan zal hij zijn kerstpakket, volgestouwd met bonbons - dat eten 'ze' anders nooit - ook wel weggegooid hebben, denk ik meteen.
donderdag 14 juli 2011
dinsdag 12 juli 2011
Stappen overslaan
Vanmorgen om kwart voor zeven besloot ik het bed uit te gaan om mijn dagelijkse rondje van 3 kilometer te rennen. Nog in bed zag ik mezelf al gaan in mijn rode korte broek. Het deed me goed. In gedachten vloog ik over het asfalt, was ik in een wip weer thuis. Met een geweldig humeur en rode wangen begon ik het ontbijt voor de hele familie klaar te maken, kopje koffie erbij.
Maar eenmaal op het asfalt waren mijn benen erg zwaar, alsof die nog sliepen. Het lichaam was log. De stront liet zich maar moeilijk uit de ogen verwijderen. Ik besefte: ook een klein rondje, is een rondje. Echt elke meter moet gerend worden. Je kunt niet een paar stappen overslaan. Het blijft zwoegen.
Zo ook met schrijven. In gedachten heb ik al bijna twee boeken geschreven. Ik weet waar ze over gaan. Hoef het alleen nog maar op te schrijven. Een paar maandjes en af is het. Kopje koffie erbij en op naar het volgende idee.
Maar echt elke letter moet opgeschreven worden.
Maar eenmaal op het asfalt waren mijn benen erg zwaar, alsof die nog sliepen. Het lichaam was log. De stront liet zich maar moeilijk uit de ogen verwijderen. Ik besefte: ook een klein rondje, is een rondje. Echt elke meter moet gerend worden. Je kunt niet een paar stappen overslaan. Het blijft zwoegen.
Zo ook met schrijven. In gedachten heb ik al bijna twee boeken geschreven. Ik weet waar ze over gaan. Hoef het alleen nog maar op te schrijven. Een paar maandjes en af is het. Kopje koffie erbij en op naar het volgende idee.
Maar echt elke letter moet opgeschreven worden.
maandag 11 juli 2011
Anekdote overstijgend
Nieuwe opnames van Torpedomagazine stukjes in de Rode Hoed. Ik kwam er om elf uur in de ochtend. Maar goed ook, anders had ik nog de hele dag geschaafd aan mijn stukjes.
Na de opnames, eet ik, - in het illustere gezelschap van A.L Snijders, Joubert Pignon, Tommy Wieringa, Carel Helder & dochter, cameraman Hens en assistente Miep, broodjes ham.
Het was goed gegaan, dus een broodje ging er wel in.
De handdruk van de heer Snijders voel ik, allang weer thuis, nog steeds. Ik was er niet op beducht. Zoals ook bij lezing van het eerste tekstje mijn stem nog te zacht had geklonken. Die moest harder. Het is de instelling van krachtige handdrukken en luide stemmen. Daar moet ik af en toe aan herinnerd worden.
Ik denk nu aan wat we daar bespraken over het schrijven van korte stukjes en hoe ingewikkeld dat feitelijk is, of kan zijn. Omdat het de anekdote moet overstijgen. Ik wil het eigenlijk niet zo serieus nemen. Anders moet ik met dit weblog stoppen. Daar neigt het soms naar.
Na de opnames, eet ik, - in het illustere gezelschap van A.L Snijders, Joubert Pignon, Tommy Wieringa, Carel Helder & dochter, cameraman Hens en assistente Miep, broodjes ham.
Het was goed gegaan, dus een broodje ging er wel in.
De handdruk van de heer Snijders voel ik, allang weer thuis, nog steeds. Ik was er niet op beducht. Zoals ook bij lezing van het eerste tekstje mijn stem nog te zacht had geklonken. Die moest harder. Het is de instelling van krachtige handdrukken en luide stemmen. Daar moet ik af en toe aan herinnerd worden.
Ik denk nu aan wat we daar bespraken over het schrijven van korte stukjes en hoe ingewikkeld dat feitelijk is, of kan zijn. Omdat het de anekdote moet overstijgen. Ik wil het eigenlijk niet zo serieus nemen. Anders moet ik met dit weblog stoppen. Daar neigt het soms naar.
zaterdag 9 juli 2011
De structuur is helder
'Wanneer schrijf jij nou eens een keer een kinderboek?' zegt Jeetje. 'Ik wil dat jij een kinderboek schrijft!'
Aha. Hier gebeurt iets. Moeder wordt uitgedaagd. Je hoeft bij moeder niet al te hard aan te dringen, of ze heeft deze uitdaging aangenomen. Zeker als haar dochter erom vraagt. Het arme kind wil een fatsoenlijk boek.
'En dan gaan we naar de winkel om jouw boek te kopen,' gaat Jeetje door.
'Nou, als ik dat boek al helemaal geschreven heb, ga ik het natuurlijk niet kopen,' zegt moeder, 'maar waar moet het eigenlijk over gaan?'
'Over een gelukkig en tevreden meisje,' zegt Jeetje meteen.
'O,' zegt moeder teleurgesteld. 'Een gelukkig en tevreden meisje.'
'Ja, een gelukkig en tevreden meisje,' zegt Jeetje.
'Maar,' zegt moeder. 'Wat moet ik daarmee?'
'En op een dag komt ze erachter dat ze kan vliegen,' zegt Jeetje.
'Aha!' Moeder veert op. Vliegen betekent neerstorten, denkt ze. 'En waar wil dat gelukkige meisje dan naartoe vliegen?'
'Naar de hemel,' zegt Jeetje.
'Nou, nou, nou.' Moeder schudt haar hoofd. De hemel is haar te pathetisch en te symbolisch.
'Ze wil naar de hemel, de sterren en de maan vliegen,' zegt Jeetje, 'Wat is daar mis mee?'
'Dan moet er onderweg natuurlijk iets gebeuren,' zegt moeder. 'Een hemelmonster of zo.'
'Ja, hèhè!' Jeetje zucht diep. 'Dat is nou juist het héle boek, dat zijn de hoofdstukken die jij op moet schrijven. Ze kan vliegen. Ze gaat naar het heelal! En onderweg gebeuren er dingen. Misschien een hemelmonster, ik weet niet wat. Als het op het eind maar goed komt. Dan is het meisje weer thuis bij haar papa en haar mama.'
'Maar wàt moet er dan gebeuren onderweg?'
'Ja, eh, jij gaat het boek schrijven. Niet ik,' zegt Jeetje. 'Doei.'
Aha. Hier gebeurt iets. Moeder wordt uitgedaagd. Je hoeft bij moeder niet al te hard aan te dringen, of ze heeft deze uitdaging aangenomen. Zeker als haar dochter erom vraagt. Het arme kind wil een fatsoenlijk boek.
'En dan gaan we naar de winkel om jouw boek te kopen,' gaat Jeetje door.
'Nou, als ik dat boek al helemaal geschreven heb, ga ik het natuurlijk niet kopen,' zegt moeder, 'maar waar moet het eigenlijk over gaan?'
'Over een gelukkig en tevreden meisje,' zegt Jeetje meteen.
'O,' zegt moeder teleurgesteld. 'Een gelukkig en tevreden meisje.'
'Ja, een gelukkig en tevreden meisje,' zegt Jeetje.
'Maar,' zegt moeder. 'Wat moet ik daarmee?'
'En op een dag komt ze erachter dat ze kan vliegen,' zegt Jeetje.
'Aha!' Moeder veert op. Vliegen betekent neerstorten, denkt ze. 'En waar wil dat gelukkige meisje dan naartoe vliegen?'
'Naar de hemel,' zegt Jeetje.
'Nou, nou, nou.' Moeder schudt haar hoofd. De hemel is haar te pathetisch en te symbolisch.
'Ze wil naar de hemel, de sterren en de maan vliegen,' zegt Jeetje, 'Wat is daar mis mee?'
'Dan moet er onderweg natuurlijk iets gebeuren,' zegt moeder. 'Een hemelmonster of zo.'
'Ja, hèhè!' Jeetje zucht diep. 'Dat is nou juist het héle boek, dat zijn de hoofdstukken die jij op moet schrijven. Ze kan vliegen. Ze gaat naar het heelal! En onderweg gebeuren er dingen. Misschien een hemelmonster, ik weet niet wat. Als het op het eind maar goed komt. Dan is het meisje weer thuis bij haar papa en haar mama.'
'Maar wàt moet er dan gebeuren onderweg?'
'Ja, eh, jij gaat het boek schrijven. Niet ik,' zegt Jeetje. 'Doei.'
vrijdag 8 juli 2011
Daar zijn geen woorden voor
We staan met de hele familie voor onze gesloten deur. Het regent.
'Geef mij dat deuropenmaakding eens,' zeg ik.
Man kijkt mij aan.
'Wat is er? Geef nou!'
'Het is ernstig dat je het zelf niet eens meer hoort,' zegt hij, 'deuropenmaakding. Het is toch ook veel omslachtiger dan sleutel?'
Een schrijver met woordvindingsproblemen. Hier zit er één.
Het vreemde is dat de woordvindingsproblemen zich nauwelijks voordoen als ik schrijf. Ja, soms moet ik zoiets googelen: 'ding waar je op kunt zitten.' Of: 'het geeft licht.'
Maar bij het schrijven komen de woorden meestal uit een reservoir diep in mij, daar waar ik in het dagelijkse leven niet bij kan.
Daarom heeft het voor mij iets mystieks.
'Geef mij dat deuropenmaakding eens,' zeg ik.
Man kijkt mij aan.
'Wat is er? Geef nou!'
'Het is ernstig dat je het zelf niet eens meer hoort,' zegt hij, 'deuropenmaakding. Het is toch ook veel omslachtiger dan sleutel?'
Een schrijver met woordvindingsproblemen. Hier zit er één.
Het vreemde is dat de woordvindingsproblemen zich nauwelijks voordoen als ik schrijf. Ja, soms moet ik zoiets googelen: 'ding waar je op kunt zitten.' Of: 'het geeft licht.'
Maar bij het schrijven komen de woorden meestal uit een reservoir diep in mij, daar waar ik in het dagelijkse leven niet bij kan.
Daarom heeft het voor mij iets mystieks.
donderdag 7 juli 2011
Het schoolfeest
Om acht uur 's avonds staan de moeder en de zoon voor de deur met één tekening van een luchtballon. Het hadden twéé portretten moeten zijn. Een van de meester en een van de juf, met een leuke quote erbij.
'Ik vind het zo dapper van jullie,' zegt de moeder, 'dat jullie de organisatie van het feest op je nemen. Wat een werk moet dat zijn.' De zoon staat me verwachtingsvol aan te kijken.
'Mooie ballon,' zeg ik, 'knap.'
'Het is niet niks, zo'n eindfeest. Ik zou er niet aan moeten denken. Maar jullie zijn natuurlijk de klassenouders.'
'Klassenvader,' zeg ik. 'Mijn man is klassenvader. Hij organiseert alle festiviteiten. Ik ben zijn assistente. Ik neem de tekeningen in ontvangst.' Ik doe mijn lieftallige glimlach.
'Ik heb morgen speciaal vrij genomen om 14.00 uur.' De moeder glimlacht ook.
'Morgen. Het is morgen toch niet?'
'Jawel, het is morgen,' zegt ze stellig.
'Het moesten trouwens twee tekeningen zijn,' zeg ik zacht. 'Eentje voor de juf en eentje voor de meester.'
'O, dan gaan we naar huis om er nog eentje te maken.' Ze wenkt de zoon.
'Het is volgens mij morgen niet hoor,' zeg ik nog eens.
Maar de moeder en de zoon zijn al weg.
Binnen leest man de krant.
'Ze vinden het allemaal heel dapper en fantastisch dat wij dit al-le-emaal doen,' roep ik. 'Maar we doen helemaal niks! We zijn er helemaal niet mee bezig. Wat moeten we eigenlijk doen? Ze zeggen dat het morgen al is. Iederéén heeft vrij genomen voor dit geweldige feest.'
'Ik koop twee flessen rosé en ranja.' Man slaat een bladzijde van de krant om.
'Maar als ze allemaal vrij genomen hebben, komen er 60 ouders en 30 kinderen,' roep ik.
'Er zit niet meer geld in de pot,' zegt hij.'De ouders betalen niet én ze kunnen niet lezen. Al die tekeningen zijn niet goed. Ik ga ze teruggeven, en dan moet het opnieuw.'
'Maar het is mórgen al.'
'We hebben nu een insect, een boot, een huis, een hijskraan en een luchtballon,' zegt man. 'Dat was de opdracht niet.'
'Ik vind het zo dapper van jullie,' zegt de moeder, 'dat jullie de organisatie van het feest op je nemen. Wat een werk moet dat zijn.' De zoon staat me verwachtingsvol aan te kijken.
'Mooie ballon,' zeg ik, 'knap.'
'Het is niet niks, zo'n eindfeest. Ik zou er niet aan moeten denken. Maar jullie zijn natuurlijk de klassenouders.'
'Klassenvader,' zeg ik. 'Mijn man is klassenvader. Hij organiseert alle festiviteiten. Ik ben zijn assistente. Ik neem de tekeningen in ontvangst.' Ik doe mijn lieftallige glimlach.
'Ik heb morgen speciaal vrij genomen om 14.00 uur.' De moeder glimlacht ook.
'Morgen. Het is morgen toch niet?'
'Jawel, het is morgen,' zegt ze stellig.
'Het moesten trouwens twee tekeningen zijn,' zeg ik zacht. 'Eentje voor de juf en eentje voor de meester.'
'O, dan gaan we naar huis om er nog eentje te maken.' Ze wenkt de zoon.
'Het is volgens mij morgen niet hoor,' zeg ik nog eens.
Maar de moeder en de zoon zijn al weg.
Binnen leest man de krant.
'Ze vinden het allemaal heel dapper en fantastisch dat wij dit al-le-emaal doen,' roep ik. 'Maar we doen helemaal niks! We zijn er helemaal niet mee bezig. Wat moeten we eigenlijk doen? Ze zeggen dat het morgen al is. Iederéén heeft vrij genomen voor dit geweldige feest.'
'Ik koop twee flessen rosé en ranja.' Man slaat een bladzijde van de krant om.
'Maar als ze allemaal vrij genomen hebben, komen er 60 ouders en 30 kinderen,' roep ik.
'Er zit niet meer geld in de pot,' zegt hij.'De ouders betalen niet én ze kunnen niet lezen. Al die tekeningen zijn niet goed. Ik ga ze teruggeven, en dan moet het opnieuw.'
'Maar het is mórgen al.'
'We hebben nu een insect, een boot, een huis, een hijskraan en een luchtballon,' zegt man. 'Dat was de opdracht niet.'
dinsdag 5 juli 2011
En toen wist ik het
Ik was aan het joggen en vroeg me af waarom de konijnen er 's middags niet zijn en 's ochtends en 's avonds met zovelen. Met z'n honderden. Overdrijven mag dan mijn stijlfiguur zijn, maar dit is de absolute waarheid. Er zitten in het Diemerpark honderden bruine, en een tiental zwarte, konijnen gebroederlijk op veldjes bijeen. Mannen, vrouwen, kinderen. Als ik 's ochtends of 's avonds voorbijren, verzet geen konijn een poot.
Ik scheer rakelings langs ze heen, maar het zal de konijnenwereld een rotzorg zijn. Ze zijn met meer, natuurlijk.
Vandaag was het anders. Heel sporadisch zag ik er eentje die, al was ik nog heel ver weg, meteen weer het struikgewas indook. 's Middags is het natuurlijk te warm voor de konijnen, met al die zon, dacht ik. 's Middags zijn de konijnen banger, dacht ik, door al die zon. Het zijn natuurlijk alleen de gekke, schuwe beestjes die dan naar buiten gaan. 's Middags houdt de rest van het konijnenuniversum siësta.
Totdat er plotseling een vos voor mij de weg opschoot.
Ik scheer rakelings langs ze heen, maar het zal de konijnenwereld een rotzorg zijn. Ze zijn met meer, natuurlijk.
Vandaag was het anders. Heel sporadisch zag ik er eentje die, al was ik nog heel ver weg, meteen weer het struikgewas indook. 's Middags is het natuurlijk te warm voor de konijnen, met al die zon, dacht ik. 's Middags zijn de konijnen banger, dacht ik, door al die zon. Het zijn natuurlijk alleen de gekke, schuwe beestjes die dan naar buiten gaan. 's Middags houdt de rest van het konijnenuniversum siësta.
Totdat er plotseling een vos voor mij de weg opschoot.
Abonneren op:
Posts (Atom)