Soms slaap ik te diep. Zo diep dat ik 's ochtends niet écht wakker ben - maar dat heb ik niet helemaal in de gaten natuurlijk, zoals de slapenden niet weten dat ze slapen - ik werk in halfslaap en ik betreed aan het einde van de dag de crèche in droomtoestand. De gezichtjes staren mij van ver aan. De mondjes beginnen te roepen en de vingertjes te wijzen. Naar mij.
De kleine waarvoor ik kom, rijdt rond op een autootje.
Dan krijg ik een klap in mijn gezicht. De kleine is afgestapt.
'Hee, dat mag je niet doen,' zeg ik zwakjes.
'Ik-blijf-hier.'
'Je moet mee.'
'Nee, ik blijf hier!' En hoppa, daar heb ik nog een klap te pakken. Recht in mijn smoel. Ik voel iets in mij ontwaken. Ergens in dit lichaam ontvlamt iets. Een klein vuurtje en het begint steeds harder te branden. Totdat de hele boel in de fik staat.
En bij de kleine tenslotte ook.
woensdag 26 maart 2008
dinsdag 25 maart 2008
Raar
In de AH dwaalde een zwart spook. Het was iets kleiner dan ik.
Ik was net rustig een paksoi aan het bestuderen, toen het spook naast me kwam staan. Mijn hart stond een tel stil. Daarna keek ik om me heen of er meer waren die het gezien hadden. Of dat ik mijzelf nu beter officieel het predikaat 'raar' op kon plakken.
'Ik ben raar. Ik zie een zwart spook in de AH. Maar wat geeft dat!?'
Toen zag ik dat het een vrouw in boerka was. Waarbij zelfs de ogen niet vrijgelaten worden. Of een man in boerka. Wist ik veel wie daar precies onder zat. Ik kon het mens niet eens een blik toewerpen. Niets. Ik stond daar maar hulpeloos met mijn paksoi. En omdat de zwarte stof dunner was op de plek waar de ogen moesten zitten, kon zij wel naar buiten kijken. Ik niet naar binnen.
Ik was net rustig een paksoi aan het bestuderen, toen het spook naast me kwam staan. Mijn hart stond een tel stil. Daarna keek ik om me heen of er meer waren die het gezien hadden. Of dat ik mijzelf nu beter officieel het predikaat 'raar' op kon plakken.
'Ik ben raar. Ik zie een zwart spook in de AH. Maar wat geeft dat!?'
Toen zag ik dat het een vrouw in boerka was. Waarbij zelfs de ogen niet vrijgelaten worden. Of een man in boerka. Wist ik veel wie daar precies onder zat. Ik kon het mens niet eens een blik toewerpen. Niets. Ik stond daar maar hulpeloos met mijn paksoi. En omdat de zwarte stof dunner was op de plek waar de ogen moesten zitten, kon zij wel naar buiten kijken. Ik niet naar binnen.
maandag 24 maart 2008
Tweede paasdag
'Kom gaan we dáárheen.' Hij wijst naar het grote ijzeren hek van Zorgvlied. Het dochtertje op haar lawaaierige plastic driewieler met laadbakje stopt met fietsen.
'Die speeltuin halen we toch niet meer,' zegt hij somber.
'Hoezo halen we die speeltuin niet meer?' vraag ik.
'Wou jij nog zover dan?'
'Ik vind dat niks! Zo'n begraafplaats met zo'n kind.'
'Ach het is toch gewoon een bos!'
Even later staat het felkleurig driewielertje achter het hek geparkeerd en schrijden vader en moeder langs de zerken. Het dochtertje klimt enthousiast op een grafsteen.
'TERUG JIJ. Alléén op de paden!' Het moet iets in de toon van moeders stem zijn dat maakt dat het dochtertje niet weet hoe snel ze er weer af moet komen. Iets zorgt er ook voor dat ze steeds stiller wordt. Ze zijn de enige drie bezoekers in dit bos.
Dan begint het te sneeuwen. En te hagelen. Moeder draagt het dochtertje. Ze zetten de pas er stevig in.
'Het is hier net een doolhof,' zegt vader na een tijdje.
En als ze weer bij de ingang komen, is het hek gesloten.
'Die speeltuin halen we toch niet meer,' zegt hij somber.
'Hoezo halen we die speeltuin niet meer?' vraag ik.
'Wou jij nog zover dan?'
'Ik vind dat niks! Zo'n begraafplaats met zo'n kind.'
'Ach het is toch gewoon een bos!'
Even later staat het felkleurig driewielertje achter het hek geparkeerd en schrijden vader en moeder langs de zerken. Het dochtertje klimt enthousiast op een grafsteen.
'TERUG JIJ. Alléén op de paden!' Het moet iets in de toon van moeders stem zijn dat maakt dat het dochtertje niet weet hoe snel ze er weer af moet komen. Iets zorgt er ook voor dat ze steeds stiller wordt. Ze zijn de enige drie bezoekers in dit bos.
Dan begint het te sneeuwen. En te hagelen. Moeder draagt het dochtertje. Ze zetten de pas er stevig in.
'Het is hier net een doolhof,' zegt vader na een tijdje.
En als ze weer bij de ingang komen, is het hek gesloten.
zaterdag 22 maart 2008
Volmaakt geluk
Rond half twaalf 's avonds stappen er twee dames van rond de zestig in de coupé. Alleen tegenover mij is nog plek. Ik schat in dat ze niet naast elkaar op het bankje passen. Maar ze zitten gezellig klem. Met hun handtasjes op schoot bespreken ze hoe gelukkig ze zijn omdat ze trein gehaald hebben.
'Het was vanavond echt geweldig,' hijgt de een.
'Ja ik heb genóten,' zucht de ander.
'Ik geniet nóg.'
'En we hebben de trein gehaald.' Het geluk kan niet op.
Ik zou de twee dikke vriendinnen wel willen kussen. Om hoe ze daar zitten. Met vuurrode blossen. Om de beurt barsten ze in een aanstekelijk lachen uit. Over het beláchelijk dure mini kommetje rijst van de één en het kleine beetje bami van de ander. De tranen lopen over hun wangen. Ze praten over acteurs. En wie ze genomen hadden als ze hádden mogen kiezen. - En als Piet niet bestond natuurlijk. -
Na een tijdje komen er immense huishoudportemonnees uit hun kleine handtasjes. En rekenen ze de avond met elkaar af.
'Het was vanavond echt geweldig,' hijgt de een.
'Ja ik heb genóten,' zucht de ander.
'Ik geniet nóg.'
'En we hebben de trein gehaald.' Het geluk kan niet op.
Ik zou de twee dikke vriendinnen wel willen kussen. Om hoe ze daar zitten. Met vuurrode blossen. Om de beurt barsten ze in een aanstekelijk lachen uit. Over het beláchelijk dure mini kommetje rijst van de één en het kleine beetje bami van de ander. De tranen lopen over hun wangen. Ze praten over acteurs. En wie ze genomen hadden als ze hádden mogen kiezen. - En als Piet niet bestond natuurlijk. -
Na een tijdje komen er immense huishoudportemonnees uit hun kleine handtasjes. En rekenen ze de avond met elkaar af.
donderdag 20 maart 2008
Het vriendje
Een hele dag achter de rug. Waarin ik geen duidelijk plan had. Het meisje van bijna drie wel. Haar vriendje vinden.
Zo draalden we door dezelfde buurt als altijd. Op zoek naar haar vriendje. Die we nog met vader en babybroertje hadden zien vertrekken. We zouden hem wel treffen in de een of andere speeltuin dacht ik. Wij waren sneller.
Ik wilde schrijven dat we liepen te zoeken en dat het regende dat het goot en de luchten grijs en grauw waren. Maar het was juist mooi weer vanochtend. De zon scheen. En het meisje naast me begon ineens te zingen: 'Het is lente, het is lente, het vogeltje komt vrolijk uit het ei! Het is lènte.' De voorbijgangers keken verschrikkelijk vertederd. Ik dacht: zo'n vogel komt helemaal niet vrólijk uit het ei. Wie verzint dat.
We vonden het vriendje niet. De hele dag niet.
Zo draalden we door dezelfde buurt als altijd. Op zoek naar haar vriendje. Die we nog met vader en babybroertje hadden zien vertrekken. We zouden hem wel treffen in de een of andere speeltuin dacht ik. Wij waren sneller.
Ik wilde schrijven dat we liepen te zoeken en dat het regende dat het goot en de luchten grijs en grauw waren. Maar het was juist mooi weer vanochtend. De zon scheen. En het meisje naast me begon ineens te zingen: 'Het is lente, het is lente, het vogeltje komt vrolijk uit het ei! Het is lènte.' De voorbijgangers keken verschrikkelijk vertederd. Ik dacht: zo'n vogel komt helemaal niet vrólijk uit het ei. Wie verzint dat.
We vonden het vriendje niet. De hele dag niet.
woensdag 19 maart 2008
Drie dagen geleden.
Boven mij ligt de buurvrouw misschien op sterven. Ze heeft op zich wel vaker ' op sterven' gelegen. Dat is een beetje haar ding. Maar nu voelt het anders. Heel anders. Nu zijn er permanent mensen in haar huis. En steeds als ik voorbij kom, om naar de slaapkamer te gaan, hoor ik andere stemmen achter haar deur. Gedempte stemmen die overleggen. Behalve de stem van onze buurvrouw. Die je normaal altijd overal bovenuit hoort komen. Omdat ze slechthorend is.
En haar zoon is ook al op bezoek. Hij moet anders altijd heel veel werken. Zelfs met de kerst.
'Onzin! Drie dagen geleden zag ik haar nog bij de groenteboer met een tas vol groenten', zegt man, 'dan zal ze nu ineens op sterven liggen?'
En haar zoon is ook al op bezoek. Hij moet anders altijd heel veel werken. Zelfs met de kerst.
'Onzin! Drie dagen geleden zag ik haar nog bij de groenteboer met een tas vol groenten', zegt man, 'dan zal ze nu ineens op sterven liggen?'
dinsdag 18 maart 2008
Misschieniemand
Iemand heeft mijn blog gelezen en schrijft me dat hij het mooie stukjes vindt. Iemand blijkt al te weten dat ik op Texel was geweest. Een ander iemand vraagt hoe het is om zo onwerkelijk (of was het onredelijk?) lang bij elkaar te zijn. En als ik vandaag even boodschappen ga doen, informeert iemand belangstellend of ik een nieuw huis heb. Of we nu al verder kijken dan Haarlem. Een kletsje volgt. Ik kom te weten dat die 'iemand' een opa van in de zeventig is die hier al 35 jaar woont. Ik 10 jaar, zeg ik.
'Zó lang al!'
'Zoiets wel.'
'Waarom heb ik je dan niet éérder gezien?'
'Omdat ik vroeger nooit buiten kwam.'
Nu durf ik niets meer op te schrijven. Omdat misschien iemand het leest.
( Ik wilde het eigenlijk hebben over mijn muizen. Dat het Kremlin er 3200 bij mij besteld had. Vandaar die toestanden hier in huis. Maar daar mocht ik eerder niets over loslaten. 'Heb je die muizen nu al naar het Kremlin gezonden?' )
'Zó lang al!'
'Zoiets wel.'
'Waarom heb ik je dan niet éérder gezien?'
'Omdat ik vroeger nooit buiten kwam.'
Nu durf ik niets meer op te schrijven. Omdat misschien iemand het leest.
( Ik wilde het eigenlijk hebben over mijn muizen. Dat het Kremlin er 3200 bij mij besteld had. Vandaar die toestanden hier in huis. Maar daar mocht ik eerder niets over loslaten. 'Heb je die muizen nu al naar het Kremlin gezonden?' )
Abonneren op:
Posts (Atom)