vrijdag 3 oktober 2008

Eenwording

Ik zit op onze nieuwe flexplek - de slaapkamer - als Jeetje binnenkomt met een krant onder haar arm.
'Hier staat jouw boek in,' zegt ze. Ze geeft me de bijlage Persoonlijk van het Financieele Dagblad. We bladeren.
'Was het een goed stukje?'
'Ja,' zegt ze. 'Daar staat het.' Ze wijst de oranje/rode afbeelding van mijn boek aan. Mijn ogen scannen wat Fleur Speet erover te zeggen heeft. En Jeetje drukt haar vinger op het ronddolende figuurtje dat op de voorkant staat.
'Dat ben ik, hè mam,' zegt ze trots. 'Dat is Julie.'
'Ja.' Ik hoop niet dat zij dat is, maar laat het zo. Het is op een fijne manier verenigd vandaag. In de krant. Werk en kind. Eéngeworden.

Over eenwording gesproken.
Twee dagen geleden las ik de achterkant van het NRC, mijn neus raakte het krantenpapier bijna. Ik ben bijziend als hel. Ik lees als een bejaarde. Maar dan zie je nog eens wat. Want op de krantenfoto zag ik onmiskenbaar de rug van mijn boek. Tussen andere boeken. Een snapshot van een boekwinkel - en Dola was gesnapt.
Toen pinkte ik pas echt een klein onzichtbaar traantje weg.

donderdag 2 oktober 2008

Het Ademen

'We gaan eerst de neuzen poetsen.'
De Italiaanse yogajuf deelt papieren zakdoekjes uit. We zitten op onze matjes. In onze joggingbroekjes. Met onze beentjes in de lotus. Vijf centimeter tussen het ene matje en het andere. Minder dan vijf centimeter scheidt het ene mens van het andere; mij. Dat maakt ons niets uit. Het is ons even niet om de buitenwereld te doen nu. Geen economische crisis hierbinnen. Wij zijn bij onszelf. Ik hier.
Er wordt flink gesnoten. De neuzen moeten he-le-maal leeg zijn, heeft de juf gezegd. Voor als we dadelijk gaan Ademen. Mijn buurvrouw aan de ene kant snuit luid. Die aan de andere kant ook. Het is volle-neuzen-tijd. Dat viel me op de crèche ook al op. Met mijn doekje dep ik het zweet van mijn voorhoofd. De ruimte is klein. Maar er is sfeer gecreëerd. Veel sfeer. En ook licht. Een boeddha met een brandend waxinelichtje in zijn geopende handpalmen. Hier en daar een kaarsje. Wat zijn we blij dat we niet meer in die lekkende, koude gymzaal liggen. Tussen de koekkruimels van de overblijfkinderen. Met beschimmelde baklava aan je voeten. Waar we de ander nauwelijks konden zien. Zóveel plek was er. Waar we snuitenden in de woestijn zouden zijn geweest.
Buiten barst het onweer los. Binnen begint het Ademen.

woensdag 1 oktober 2008

Geen grapje

'DUREX!' schreeuwde de man aan de tafel achter ons. 'DUUUREX!' Het galmde door de volle fabriekshal waar we zaten te eten. Alle hoofden richtten zich op. Oren spitsten zich even. In de richting waar de schreeuw vandaan kwam. Het geroezemoes stopte een tel.
'Denk je dat ie een grapje maakt?' fluisterde mijn vriendin. Ze zat met haar rug naar hem toe.
'Ik denk het niet,' zei ik.
De man hield zijn hand steeds krampachtig tegen zijn mond gedrukt. Alsof hij bang was voor de woorden die er nog uit zouden kunnen komen. Zijn hoofd was rood. Hij zweette. Zijn hele lichaamshouding gespannen. Als een boog.
'GLIJMIDDEL!' De mensen met wie hij dineerde, besteedden er verder geen aandacht aan. Ze deden ook niet lacherig. Of beschaamd. Ze aten gewoon door en converseerden een beetje. De man at zijn pasta met pesto. Telkens als hij zijn vork naar zijn mond bracht, moest hij zijn hand daar weghalen en weer snel terugleggen.
'GEIL. GEIL. GEIL!' krijste hij.
Je hoorde onderdrukt gegiechel. Hier en daar een geamuseerde lach. Mensen aan belendende tafeltjes zochten oogcontact met elkaar. Nieuwkomers keken verbaasd op naar de roepende. Het geluid droeg ver hier. Vanwege de beroerde akoestiek.
En tijdens het verdere diner van de man zouden alle oren in de hal gespitst blijven. Op hem. Op wat hij nog meer voor geks zou gaan roepen.

dinsdag 30 september 2008

Omdat je wil lachen.

Het is een heel regenachtige dag in een heel regenachtig hoofd. Met heel regenachtige redeneringen. 's Nachts, vooral 's nachts komen ze. De redeneringen. Als je toch nog wakker bent, vanwege koude voeten. Dan sluipen ze naderbij. Druppelen op je neer. De zeikers. En even later valt de regen met bakken binnen. En buiten. Als het dakraam het maar niet begeeft. Terwijl je een paar uur daarvoor in de bioscoop nog hebt moeten lachen. Merkwaardig dat een mens zo kan lachen om een film die duidelijk niet goed is.

maandag 29 september 2008

Natuurlijke habitat.

Op zondagochtend kwam ik mijn redacteur in het wild tegen. We kwamen precies tegelijk aan bij dat net geopende dingetje in het Central Park van Amsterdam. Waar we koffie zouden gaan drinken met onze gezinnen. Buiten in de zon.
We hebben even gekletst - ik nog met dichtgeknepen ogen van het net ontwaakt zijn, natte haren van het douchen, hij ook - en daarna elk naar ons eigen gezin gewandeld. En koffie besteld. (Wij namen een stuk appeltaart erbij. Zij niet.)
Veel meer mensen hadden dit plan gehad. En ik kwam zo te zitten dat ik hem steeds recht in het gezicht keek. En hij mij. Dus moesten we zo'n beetje langs elkaar heen kijken. Om elkaars natuurlijke habitat niet te verstoren.

zondag 28 september 2008

Een menselijk intermezzo 's avonds laat op een gracht

Hij vroeg om 20 cent. En ik zei NEE. Dat zeg ik standaard tegen die types. Vroeger gaf ik standaard geld. Uit lafheid. Nu geef ik standaard niets. Ook uit lafheid. Zodra iemand zijn hand ophoudt, marcheer ik door. Blind, ijskoud en steenrijk.
Hij vroeg om 20 cent. Maar ik had er niets mee te maken, niets. Ik zou weldra het bruisende leven instappen. Deze man zou op de drempel blijven staan. Ik zou de deur dichtdoen. Eenmaal binnen, was ik van hem af. Was ik van het gezeur af. Uit.
'Heb je dan 10 cent?' Hij keek me aan. Gewoon. Aankijken.
'Dat heb ik wel,' zei ik en begon in mijn portemonnee te graven. 'Ik heb alleen een euro.'
'Daar maak je me nog gelukkiger mee.'
Ik maakte hem nog gelukkiger dan hij al was. We liepen een stukje samen op. Toen moest ik linksaf, de kroeg in. Hij liep rechtdoor. We zwaaiden.

vrijdag 26 september 2008

Ik of ik niet?

Op straat zei een voorbijganger: 'hee, gefeliciteerd met je goeie recensie'.
'Hoe weet jij...?'
'Nou, er stond nogal prominent een foto bij,' zei hij.
Hij herkende mijn hoofd, niet mijn naam. Het duurde even voor ik de connectie maakte tussen dát hoofd en dit hoofd hier bovenop. Mijn kop. Dat dat feitelijk van een en dezelfde persoon is.
Ik heb het hoofd ook in de krant zien staan. Jazeker. Het was dezelfde foto maar anders uitgesneden dan op de achterflap. Beter, vond ik. Het hoofd kwam zo beter uit. Ik zag een wakkere blozende debutante.
Ik had het misschien vreemd moeten vinden. Dat hoofd in de krant. Ik had er trots op moeten zijn. Of afschuw moeten voelen. Diepe schaamte. Want waar sláát het op! Wat hééft dat met het boek te maken?
Dat had ik allemaal niet. Omdat ik het niet was. Maar ik was het dus wel, bleek.