zondag 8 maart 2009

Voedertijd bij de schrijvers

Ik was in de Bijenkorf - om zwarte lakhakken te kopen voor het aanstaande boekenbal - en spotte daar prompt al alle bekende schrijvers van Nederland. Op de eerste verdieping. Elk achter hun eigen kathedertje. Aan weerszijden van het pad. Met een stapeltje zelf geschreven boeken. Ook hadden ze allemaal een krukje voor als de benen moe zouden worden. En een glaasje water. Er was goed voor hen gezorgd. Ik hing over de balustrade van de tweede verdieping. Met het winkelpubliek. We keken recht op de kruinen. En zagen de kale plekjes. Alsof we in de dierentuin waren en het bijna voedertijd was bij de zeeleeuwen. Remco Campert werd heel scherp in de gaten gehouden. Elke beweging die hij maakte. 'Zie je 'm, zie je 'm, daar staat ie!'
Ik meende te zien hoe hij, daar gestaan, langs de werkelijkheid heen scheerde. Ik zag hoe P.F. Thomesé druk in een van zijn boeken begon te bladeren toen hij alleen stond. Hoe een fotograaf zich recht voor Sanneke van Hassel opstelde en hoe Sanneke lachte. Hoe Jules Deelder en Abdelkader Benali zich welwillend naar een mogelijke lezer toe bogen. Herman Koch las iets voor. Maar de akoestiek in het warenhuis liet niet toe dat je er iets van verstond. Recht onder mij stond Rosita Steenbeek in een prachtig groen pakje te wachten, met haar pen in haar hand. Marktlui waren het. Maar ze schreeuwden niet. Ze waren daar neergezet. En wachtten af.
Remco Campert deed een stapje naar achteren toen er geen belangstelling was. Een juffrouw van de Bijenkorf snelde toe om hem te vermaken. Hij glimlachte naar haar.

vrijdag 6 maart 2009

Hoe ik vandaag onverwachts Jehova's bekeerde

Er stonden twee lieve vrouwen aan mijn deur. Een oude en een jonge. Ze waren allebei knap, niet lijkbleek en droegen moderne kleding. Ze wilden goed nieuws met me delen. Etc, etc, etc. Je kent ze wel. Maar hoe ik hen nou bekeerde?
Ik ben er zelf nòg verbaasd over. Het ging razendsnel. De vragen die ik op hen afvuurde. De antwoorden die ze gaven. En toen – pats - mijn vragen weer. Ik zag mezelf plotseling bovenaan de trap - vol vuur - staan preken. En ik weet niet precies hoe het ging, maar ineens concludeerde de jonge vrouw zelf: ‘Ja en dan kom je natuurlijk wel uit bij de evolutieleer.’
'Ja,' zei ook de oude vrouw.
‘Precies!’ zei ik.
Ze lachten ongemakkelijk.
‘Zullen we maar gaan?’ vroeg de oude vrouw toen.
Ze gingen. Ik had een klik met die jonge vrouw. Ze zou mijn vriendin kunnen zijn.

donderdag 5 maart 2009

Zoektocht naar de levendmaker

Jeetje en een vriendje spelen in de kamer.
'Het paard is dood! Het paard is dood!' roepen ze. 'Wáár is de levendmaker?'
Een grootse en meeslepende zoektocht naar de levendmaker wordt op touw gezet. Maar aan het einde ervan - in mijn kamer beland - treffen ze enkel mij.
'Help! De doodmaker!' Ze storten tegelijk ter aarde.
Dood.

woensdag 4 maart 2009

Als ik me niet vergis.

Het motregende. Bij het stoplicht waren twee vrienden van een jaar of elf, hoogstens twaalf, druk in gesprek. Het ging over romantiek. Ze deelden de mening dat het van het grootste belang was. Zonder romantiek zou geen relatie stand houden. Ze vonden zichzelf niet heel erg romantisch. Maar toch zeker wel een beetje.
Twee heren van een jaar of vijftig, ze stonden er recht achter met hun rijwielen, keken elkaar aan. Ze glimlachten.
Ik zag dat hun gelaatstrekken identiek waren. Het waren de volwassen versies van de jongens. Ik was weer eens in twee tijden tegelijk.
De jongens hadden alleen maar om hoeven kijken. Om zichzelf te zien. Maar deden dat natuurlijk niet.
En toen het groen was fietsten de heren, nog altijd glimlachend, achter hen aan. Met rechte ruggen. Hun lege broodtrommeltjes rammelden op de bagagedragers. Ze haalden de jongetjes niet in. Expres niet, als ik me niet vergis.

dinsdag 3 maart 2009

De wereld wordt explicieter

'Je moet een nieuwe maken,' zei iemand tegen mij.
'Ja, je moet echt snel een nieuwe maken,' viel een ander haar bij.
Het was behoorlijk vroeg in de ochtend. Ik bracht Jeetje naar de crèche. Ik had geen flauw idee waar ik nu weer een nieuwe van moest maken.
'Een nieuwe?'
'Ja,' lachten ze. 'Anders zien we je straks niet meer.'

maandag 2 maart 2009

Longlist Gouden Uil

Het besluit van Dola Korstjens staat op de longlist voor de Gouden Uil!

De fictie vergezelt mij als mijn schaduw

Ik was bij de opening van het Pessoafestival in Utrecht en de boekpresentatie van De fictie vergezelt mij als mijn schaduw van Michael Stoker. Waarin het raadsel van de man met de 83 heteroniemen onderzocht wordt. Ik zat schuin achter Pessoa's - inmiddels drieëntachtig jarige - nichtje dat anekdotes over haar beroemde oom vertelde. Die voor haar vroeger natuurlijk gewoon een oom was die bij hen in huis woonde. Ze vond het toen vast een vreemde snuiter maar dat zei ze er niet bij. Het blijft familie. Fernando Pessoa (1888 -1935) de man die vele levens leefde, behalve die van hemzelf. Hij wilde in zijn eentje de hele Portugese literatuur bij elkaar schrijven. Een tijdje was ik hem vergeten - met zijn puberale trekjes, het gegoochel met identiteit en alle schrijvers die hij in zijn eentje was.

Op hetzelfde moment verbleef Jeetje elders in een theater en werd daar geconfronteerd met het fenomeen 'de acteur.' Hij was uit die andere wereld gestapt en zo, boempats, in de wereld van Jeetje terechtgekomen.
'Mama! Ik ben naar het theater geweest. En het was eigenlijk een gewone man die in een gewoon huis woonde, ' onthulde ze zodra ze me zag. 'Na de voorstelling had hij zijn gewone kleren weer aan getrokken. En hij kwam met papa praten.'
'Ja, het was een acteur,' zei ik.
'Hij woont niet in het theater, mama.'
'Nee, dat weet ik.'
'Ik ben helemaal niet bang voor een acteur,' zei ze.
'Dat hoeft ook niet. Het is toch gewoon een mens?'
'Het was een meneer die zich had verkleed.'
'Precies!'
'Maar waarom verkleedt die meneer zich dan?'
'Omdat hij iemand anders speelt.'
'Waaròm speelt hij iemand anders?'
'Dan kun jij naar het toneelstuk kijken.'
'Dat is dan niet echt, hè?'
'Nee.'
'Maar het was toch wel echt?'