Ik liep de praktijkruimte van de podotherapeute in. De huisarts had me doorverwezen. Niets voor niets natuurlijk. Voortaan zou ik op aangepaste schoen door het leven gaan. Hoge, zwarte, klompschoenen. Dichtgesnoerd. Beugels om mijn kromgegroeide klauwpoten recht te trekken. Tenminste enigszins te corrigeren. Ook in bed. Mijn design naaldhakken, slechts één keer gedragen, zou ik op marktplaats moeten zetten. IJdelheid werd meteen gestraft.
Samen bekeken we een tijdlang mijn knobbelige voeten. De podotherapeute en ik.
Arme, kromgetrokken roze dingetjes, waren het. Rillend van de kou. Daar beneden op het laminaat. Ver onder mij. Doorgezakt. Hol getrokken. Met een grote huidkleurige pleister op het wondje op de linkervoet. De wond die al weken open ligt.
'Die zijn niet van mij,' wilde ik haar zeggen. 'Ik heb er niets mee te maken, die twee.'
Prompt gingen mijn tenen nog schever staan. Verder van mij weg. Ze keerden zich van mij af. En ik van hen.
donderdag 9 april 2009
woensdag 8 april 2009
Verhaal!
Een paar dagen geleden schreef Annelies Verbeke in het NRC dat schrijvers verhalen schrijven voor hun plezier en romans ter uitdaging. (En voor hun uitgever). Nu is Ton Rozeman, schrijver van verhalen en romans, een interessante site begonnen over het korte verhaal.
Kijk hier. (En kijk eens wat een leuke interviews)
Kijk hier. (En kijk eens wat een leuke interviews)
dinsdag 7 april 2009
Werkruimte gezocht
Het verhaal van de werkruimte die ik op de valreep afzegde. Het lag niet aan het matglas waar ik niet doorheen zou kunnen kijken. Het lag niet aan het hele eind fietsen. Zelfs de prijs was niet het grootste probleem. Zij was het. De verhuurster. De inbewaringgeefster, zoals de beeldend kunstenares zichzelf noemde.
Ik hield meteen al teveel van haar.
Zodra ze de houten schooldeur opendeed om me voor het eerst binnen te laten, hield ik van haar. Ze had iets verlegens. Teruggetrokken. Wantrouwend. Het leven moest dat van haar gemaakt hebben. Ze had de leeftijd van mijn moeder. We droegen allebei een zwarte broek. Van precies hetzelfde stofje.
'Hoi,' zei ik. 'Ik kom voor de werkkamer.'
Ze knikte bedachtzaam. Haar gezicht drukte niets uit. Zo stonden we een tijdje te knikken. Een windje stak op. Ik stak haar mijn hand toe. De inbewaringgeefster aarzelde lang maar nam mijn hand tenslotte aan. Ik mocht binnenkomen. Achter haar aan liep ik de trappen van het schoolgebouw op. Als een kuiken achter moedereend. Ik wilde haar gelukkig maken.
Ik moest alles uit de kast halen, mijn hele arsenaal, en tenslotte schonk ze me haar lachje. Haar lach verlichtte de werkruimte. Het matglas werd er even doorzichtig van. En de volgende dag belde ze op dat ze mij koos. Uit honderden mensen die ze langs had laten komen, vertrouwde ze mij het meest. Ik zou mijn uiterste best gaan doen om dat vertrouwen nooit te beschamen. Zoals anderen dat wel hadden gedaan.
'Dan ga ik bij jou in bewaring,' grapte ik. 'Vrijwillige gevangenschap.'
Nachten achtereen droomde ik van mijn inbewaringgeefster. Ik maakte grapjes. Ik bleef maar naar haar lachen. Maar zij lachte nooit terug. Met holle ogen keek ze mij aan. Haar lippen op elkaar geknepen.
Ik hield meteen al teveel van haar.
Zodra ze de houten schooldeur opendeed om me voor het eerst binnen te laten, hield ik van haar. Ze had iets verlegens. Teruggetrokken. Wantrouwend. Het leven moest dat van haar gemaakt hebben. Ze had de leeftijd van mijn moeder. We droegen allebei een zwarte broek. Van precies hetzelfde stofje.
'Hoi,' zei ik. 'Ik kom voor de werkkamer.'
Ze knikte bedachtzaam. Haar gezicht drukte niets uit. Zo stonden we een tijdje te knikken. Een windje stak op. Ik stak haar mijn hand toe. De inbewaringgeefster aarzelde lang maar nam mijn hand tenslotte aan. Ik mocht binnenkomen. Achter haar aan liep ik de trappen van het schoolgebouw op. Als een kuiken achter moedereend. Ik wilde haar gelukkig maken.
Ik moest alles uit de kast halen, mijn hele arsenaal, en tenslotte schonk ze me haar lachje. Haar lach verlichtte de werkruimte. Het matglas werd er even doorzichtig van. En de volgende dag belde ze op dat ze mij koos. Uit honderden mensen die ze langs had laten komen, vertrouwde ze mij het meest. Ik zou mijn uiterste best gaan doen om dat vertrouwen nooit te beschamen. Zoals anderen dat wel hadden gedaan.
'Dan ga ik bij jou in bewaring,' grapte ik. 'Vrijwillige gevangenschap.'
Nachten achtereen droomde ik van mijn inbewaringgeefster. Ik maakte grapjes. Ik bleef maar naar haar lachen. Maar zij lachte nooit terug. Met holle ogen keek ze mij aan. Haar lippen op elkaar geknepen.
maandag 6 april 2009
Vrouwen die zien
Ziek. De halve zondag weer eens in bed doorgebracht. Hierdoor heb ik wel het genoegen gehad 'Zo begint het' uit te lezen. Het is extra leuk als je weet dat je bij de eersten behoort die dit boek leest. Ik geloof dat het volgende week officieel in de boekhandels ligt. En godver, wat is het goed!
De sfeer is beklemmend, zo beklemmend dat ik in mijn dromen de hele nacht een uitweg gezocht heb. Het blijft 266 pagina's lang spannend. Voor het eerst schrijft Jan van Mersbergen vanuit het vrouwelijk perspectief. Zijn sobere stijl in combinatie met vrouwen. Dat werkt vervreemdend. Vrouwen die niet denken. Vrouwen die zien. Dat is heel wat anders dan bij mannen.
( Mannen denken sowieso nooit.) Het is alsof een vrouw die een voorbijkomende fietser opmerkt met zware fietstassen aan haar bagagedrager daar meer mee zegt dan een man ooit zou kunnen doen.
Echt ab-so-luut gaan lezen.
De sfeer is beklemmend, zo beklemmend dat ik in mijn dromen de hele nacht een uitweg gezocht heb. Het blijft 266 pagina's lang spannend. Voor het eerst schrijft Jan van Mersbergen vanuit het vrouwelijk perspectief. Zijn sobere stijl in combinatie met vrouwen. Dat werkt vervreemdend. Vrouwen die niet denken. Vrouwen die zien. Dat is heel wat anders dan bij mannen.
( Mannen denken sowieso nooit.) Het is alsof een vrouw die een voorbijkomende fietser opmerkt met zware fietstassen aan haar bagagedrager daar meer mee zegt dan een man ooit zou kunnen doen.
Echt ab-so-luut gaan lezen.
vrijdag 3 april 2009
De grote
De groten dronken wijn in de keuken. De kindjes - Jeetje en het jongetje van anderhalf - hadden al in bed moeten liggen. Maar wat gaf het? Ze hadden plezier. Het jongetje had zich van de ene week op de andere ontpopt; van baby tot jongetje. Voor het eerst konden ze samen rotzooien. 'Een beetje op hem letten, hè,' schalde moeder af en toe de huiskamer in. 'Jahaa,' zei Jeetje dan. Ze maakten er een grote puinhoop van. Dat kon je horen. Maar dat gaf niet. Want de avondzon scheen. De balkondeuren stonden open. De wijn vloeide rijkelijk. De afgekloven kippenboutjes lagen op de borden. De rijst op de vloer. Af en toe kwamen de kindjes in de keuken kijken. Hun wangetjes vuurrood. Ze werden wilder, hun ogen twinkelden. Ze hadden steeds meer plezier. De groten ook. Er werd druk gepraat over heel belangrijke zaken.
'NEE, NEE, NEE!' riep Jeetje plotseling. Een diepe, donkere stem. Met een trilling erin. De groten verstomden meteen. Het werd doodstil. Iedereen keek naar het meisje dat met twee voeten stevig op de keukenvloer stond. Haar ene vinger opgestoken. Naar het jongetje. Dat bedremmeld het vlijmscherpe vleesmes aan haar teruggaf.
'NEE, NEE, NEE!' riep Jeetje plotseling. Een diepe, donkere stem. Met een trilling erin. De groten verstomden meteen. Het werd doodstil. Iedereen keek naar het meisje dat met twee voeten stevig op de keukenvloer stond. Haar ene vinger opgestoken. Naar het jongetje. Dat bedremmeld het vlijmscherpe vleesmes aan haar teruggaf.
donderdag 2 april 2009
Moeder peilen
Hand in hand slenterden we over de middenweg. Verse croissants in onze tas. We hadden net iets gedronken bij de coffee compagnie. Zij appelsap, ik een espresso. Echt de laatste voor vandaag. M'n vingers bleven trillen.
De lucht boven ons was helder blauw. De zon scheen recht in onze gezichten. We liepen naar de fiets. Om af te kunnen zakken naar de speeltuin. Maar we hadden totaal geen haast. We babbelden. Over koetjes, kalfjes en de sandaaltjes die we binnenkort voor haar aan zouden schaffen. Jeetje zei me dat ik vanmorgen eigenlijk een tijdje in de gang hadden moeten staan om af te koelen. Maar dat het nu wel goed was omdat ik 'sorry' tegen haar had gezegd én een kusje had gegeven. Ik zei van ja.
Gedurende de hele verdere dag kon ze me af en toe zo aankijken - vanaf de glijbaan, het klimrek, vanachter de krentenbol, de tekening - met een schuin hoofd, mij peilend: 'Mama, ben jij nu misschien weer boos?'
De lucht boven ons was helder blauw. De zon scheen recht in onze gezichten. We liepen naar de fiets. Om af te kunnen zakken naar de speeltuin. Maar we hadden totaal geen haast. We babbelden. Over koetjes, kalfjes en de sandaaltjes die we binnenkort voor haar aan zouden schaffen. Jeetje zei me dat ik vanmorgen eigenlijk een tijdje in de gang hadden moeten staan om af te koelen. Maar dat het nu wel goed was omdat ik 'sorry' tegen haar had gezegd én een kusje had gegeven. Ik zei van ja.
Gedurende de hele verdere dag kon ze me af en toe zo aankijken - vanaf de glijbaan, het klimrek, vanachter de krentenbol, de tekening - met een schuin hoofd, mij peilend: 'Mama, ben jij nu misschien weer boos?'
woensdag 1 april 2009
Het begint!
Ik haalde mijn hele klerenkast leeg. Van boven tot onder. En die van hem. Ik gooide al mijn kleren op bed. En die van hem. Ik voelde in de zakken van al mijn broeken. En in die van hem. Maar geen fietssleutel. Godverdomme geen fietssleutel.
Al drie weken fietste ik op een verroest krot. Al drie weken haalde iedereen me in, werd ik nagestaard, uitgelachen. Al drie weken fietste ik in de kleinste versnelling en kwam nauwelijks vooruit. Het niet beginnen van de lente in mijn hoofd. Mijn afstand tot de dingen. Mijn ogen die niet open gingen. Doordat ik die sleutel kwijt was.
Uiteindelijk keerde ik vanochtend het hele huis binnenste buiten. En klopte het uit, alsof het een tent was. Totdat ik iets hoorde rinkelen. Heel in de verte. Het was iets van ijzer. Een dingetje. Een sleuteltje.
Even later zat ik op de fiets. Op weg naar Jan van Mersbergen. En zijn allernieuwste boek. Ik droeg een rood trainingsjasje. Om mijn snelheid te accentueren. En de lente ook. Het mistte nog wel. Maar de mist zou zo optrekken, wist ik. De zon zou doorbreken. Ik zou leven.
Lezen! Zo begint het.
Al drie weken fietste ik op een verroest krot. Al drie weken haalde iedereen me in, werd ik nagestaard, uitgelachen. Al drie weken fietste ik in de kleinste versnelling en kwam nauwelijks vooruit. Het niet beginnen van de lente in mijn hoofd. Mijn afstand tot de dingen. Mijn ogen die niet open gingen. Doordat ik die sleutel kwijt was.
Uiteindelijk keerde ik vanochtend het hele huis binnenste buiten. En klopte het uit, alsof het een tent was. Totdat ik iets hoorde rinkelen. Heel in de verte. Het was iets van ijzer. Een dingetje. Een sleuteltje.
Even later zat ik op de fiets. Op weg naar Jan van Mersbergen. En zijn allernieuwste boek. Ik droeg een rood trainingsjasje. Om mijn snelheid te accentueren. En de lente ook. Het mistte nog wel. Maar de mist zou zo optrekken, wist ik. De zon zou doorbreken. Ik zou leven.
Lezen! Zo begint het.
Abonneren op:
Posts (Atom)