maandag 11 mei 2009

Brad Pitt

Man is zojuist - na vijf nachten - verhuisd naar een tweepersoonskamer waar hij de volgende elf nachten door zal brengen.
'Het is net Brad Pitt!' mompelt de oude, scheefgebekte vrouw als ze hem naar binnen ziet schuifelen. Met z'n zakjes aan zijn stang. Brad Pitt piept. Dit betekent dat Brad Pitt een nieuw zakje moet. Zijn kamergenote hangt in haar stoel, houdt een vergrootglas voor haar rechte oog, en tracht de Spits te ontcijferen. Ze heeft ook een kindertekening op haar prikbord hangen. Ochot, het is een oma.
Ik hang Jeetjes tekeningen op het prikbord van Brad Pitt. Zo kunnen ze naar elkaars tekeningen kijken.

Het zakje van Brad Pitt wordt verwisseld door die rooie verpleegster die mij een paar dagen geleden nog weg wilde hebben. Ik kijk haar strak aan. Maar ze zegt niets. Ze doet niets verkeerd. Ik kan geen ruzie met haar krijgen.
Brad Pitt blijkt haar te hebben geïnformeerd over mijn komst buiten het bezoekuur. En hij kan zulke dingen. Er gaat een deëscalerende werking van hem uit. Zelfs nu.

Ik wil deze hele afdeling opblazen. Ik kan geen half dood mens meer zien.

We wachten al de hele ochtend op de neuroloog die ons zal vertellen wat de prognose voor mijn Brad Pitt is. Hoe lang het vermoedelijk zal gaan duren. Wat er nog met hem gaat gebeuren? Hoe het komt dat hij door deze zeldzame aandoening getroffen is? De neuroloog komt natuurlijk niet. Die lul zit vast ergens te roken. Of met collega's te ouwehoeren.

Nu zit Brad Pitt daar alleen te wachten. Samen met die oma.

vrijdag 8 mei 2009

Het beestje

De bacterie staat op kweek.
'We moeten wachten tot er een beestje uit is gegroeid,' zegt de neurologe. 'Om te kijken wat voor beestje het precies is.'
'Het beestje,' zeg ik.
'Ja, het beestje,' zegt zij.

Een bleke, roodharige verpleegkundige komt binnen, met een mollige side-kick. De rooie begint me weg te sturen. Omdat ik er buiten het bezoekuur ben. Tieners nog. In opleiding vast. Wat denkt ze wel. Het is mijn echtgenoot. Godver, de godver.
'Dan kan iedereen wel gaan doen, mevrouw.' Ze volgt het verpleegsters-protocol. 'Anders zou het een chaos worden.'
'Ik ben zijn echtgenote!'
'Niet iedereen kan hier zomaar in en uit lopen, af en aan, komen en gaan,' brabbelt ze door.
'Zoveel zijn het er niet,' zeg ik. 'De mensen hebben doorgaans maar 1 echtgenoot.' De side-kick glimlacht om mijn schrandere opmerking. De rooie niet.
'Het kan gewoon niet,' zegt ze, 'als anderen het zien.'
'Hij zit in isolatie! Wie ziet me hier?'
Het meisje weet niet goed wat ze moet zeggen. Het arme kind kan er ook niets aan doen dat man hier ligt. De trut.

'U mag vanavond van deze kamer af. Dan gaat u naar een zaaltje. Dat is ook veel gezelliger,' zegt ze zogenaamd opgewekt tegen man. 'Het kan uw genezing bespoedigen.'
'Nou, la-me maar hier hoor,' zegt man. 'Ik ben niet zo'n sociaal dier. La-maar zitten.'
'Eh..,' zegt ze. 'Maar u ligt nu op een afdeling voor mensen die doodziek zijn.'
'Doodziek?' zegt hij.
'Doodziek?' zeg ik.
De rooie doos knikt volgens het verpleegsters-protocol. De neurologe glimlacht.
'Doodziek?' zegt hij.
'Als hij hier weg moet, betekent het dus dat hij niet meer doodziek is, in elk geval,' zeg ik.
De rooie knikt. De neurologe glimlacht.

donderdag 7 mei 2009

Hoe krijgen we de boel weer ooit bij elkaar?

Ik zou er vast mooie stukjes over hebben kunnen schrijven. Ons nachtelijke ziekenhuisbezoek. De wereld van de vermoeide nachtverpleegsters en met spoed opgeroepen neurologen en radiologen. Met hun luide stemmen en de jassen nog aan.
Maar ik wil nu niet. Want het is geen fictie.

Ik dwaalde om drie uur vanmorgen door een uitgestorven labyrint van ziekenhuisgangen. Een spookachtig, half verlicht, gebied. En geen levend wezen te bekennen. Deuren die zich openden en ook weer vanzelf achter mij sloten. Alles rook naar bederf.
Ik zocht de weg terug naar de spoedeisende hulp, waar ze voor mij alleen een taxi zouden gaan bellen.

De ene donderdag ben je met je gezin op vakantie in Portugal en de donderdag erna zijn we allemaal ergens anders. Jeetje is 150 km van mij vandaan. Opgehaald door opa en oma. En man ligt, vast aan slangen en zakjes, in zijn geïsoleerde kamertje in het OLVG. Met een hersenvliesontsteking. En ik hier, thuis.
Wat zou ik er meer over willen zeggen?

woensdag 6 mei 2009

Onrust in huis

Man ligt in bed met de Mexicaanse griep. Dat dènk ik dan meteen. Mijn zieke geest. Het is niets voor man om zo ziek te zijn.

Jeetje heeft last van wisselende stemmingen. Ze gilt hoog, huilt onbedaarlijk of lacht zich ziek om haar eigen poepgrapjes.
Want we komen elke dag nader tot het einde van de crèche-periode.

'Als ik vier ben, kan ik bij de kraan,' zegt Jeetje. 'Als ik vier ben, mag ik lang opblijven. Als ik vier ben, kan ik zonder zijwieltjes fietsen. Als ik vier ben, knoei ik niet meer met eten. Als ik vier ben, kan ik al schrijven. Maar ik ben drie, hè? Ik ben nog drie.'
'Ja, nu nog wel. Maar niet zo lang meer.'
'IK BEN NOG DRIE.'
'Ja, jij bent drie.'

Ik heb intussen de eerste mogelijke covers van mijn nieuwe boek gezien, dat nog lang niet af is. En in januari pas zal verschijnen.
Ik heb zin om te schrijven. Op een stil plekje.

dinsdag 5 mei 2009

Ik run ons hele huishouden.

Het zit zo. Man heeft oorontsteking. En hij ligt nu nog maar anderhalve dag plat of ik heb al drie brandblaren en Jeetje is definitief in de poep en plas grapjasfase beland. Voortdurend wordt hier gegrold over drollen eten, poep happen en het laten van dikke vette scheten. Er wordt over de grond gerold. Jeetje ligt slap van het lachen. Man staart levenloos voor zich uit. Onderwijl verbrand ik steeds mijn hand.

maandag 4 mei 2009

De harde cijfers

Op de ochtend van de vierde mei maakte Elke Geurts het besluit zich op te winden over de matige verkoopcijfers van haar eerste boek. Van tevoren had ze niet gedacht dat het haar iets zou kunnen schelen. De harde cijfers. Maar dat kon het wel. Er was een zekere strijdlust in haar opgekomen.
Want waar ging het haar nu eigenlijk om? Gelezen worden, natuurlijk.
Geld was in deze tijd ook niet geheel onbelangrijk.

Belangrijker was de vraag: Wat kon ze er nu nog aan doen om de verkoop te bevorderen?
Juist, een nieuw goed boek schrijven. Dat zeker. Daar was ze mee bezig. Maar wat had het eigenlijk voor zin als het bereik klein was? Ze schrok niet van deze gedachte. Het kwam wel vaker bij haar op. Bij alles wat ze deed. Ze voelde de noodzaak te schrijven. Dus dat was 'zin' genoeg.

Had ze sowieso wel genoeg gedaan aan de verkoop?
Ze las regelmatig voor op podia, maar had het publiek daarbij niet altijd gewezen op de mogelijkheid om het boek te kopen. Ze ging ervan uit dat ze daar zelf op zouden komen. Ze wilde zich niet opdringen. Terwijl ze dat natuurlijk best wilde, anders had ze geen boek geschreven. Een schrijver dringt zich per definitie op. Eén keer was haar redacteur meegegaan toen ze voordroeg. Hij had wel een stapeltje boeken bij zich, en verkocht ze allemaal. Maar hij kon toch niet voortdurend aan haar zijde staan?

Ervaren mensen hadden haar al verteld: 'Tja, als je goeie recensies hebt, zegt dat niks over de verkoop. Het is helemaal niet gek dat het dan juist slecht verkoopt. En als je slecht besproken wordt, kan het verkeren dat het een bestseller wordt. Niemand leest recensies.'
En natuurlijk was er het eeuwige argument van 'de verhalenbundel' die nooit goed zou verkopen.

Op de ochtend van de vierde mei vroeg ze zich af of ze niet liever een slecht besproken boek had geschreven, dat dan wel door de hele wereld gekocht en gelezen werd. En cadeau gedaan.
Waarschijnlijk had ze geen keuze. Ze ging maar snel aan het werk.

zaterdag 2 mei 2009

Schrijven is inkijk


AARZELT NIET!
TREEDT BINNEN
VINDT:de Vrije Man van mijn hand
en andere interessante verhalen en gedichten.