'Hoezo alles uittrekken?'
'Alles,' zei ze.
'Ook mijn onderbroek?'
'Alles.'
'Alles?'
'Ik ga je eerst helemaal masseren.'
'Ik hou daar niet van.'
'Ik moet je lichaam eerst in-oliën,' zei ze. 'Niet echt masseren.'
Als Jeetje iets niet wil, gebruik ik ook altijd een ander woord voor hetgeen ze niet wil. Om het lichter te doen klinken.
'Ik behandel je genitaliën niet,' zei ze.
'Haha,' zei ik. Het klonk alsof je ook je genitaliën kon laten behandelen hier.
'Ik hou de handdoek er altijd voor,' zei ze, 'je zult nooit helemaal naakt voor me liggen.'
'Mmm,' zei ik.
'De Shirodhara behandeling is voor je hoofd,' zei ze.
'Precies, daarom, ik dacht.'
Ik was ineens weer een jaar of twaalf. Onze hond had me per ongeluk gebeten en ik moest een prik. 'Zo! Doe nu je onderbroek maar omlaag,' zei de huisarts. Ik weigerde. In alle toonaarden. Iedereen vond het te flauw voor woorden. Maar die onderbroek ging niet omlaag. Ik koos uiteindelijk voor de pijnlijkere variant in de bovenarm. Liever pijn lijden dan mijn broek laten zakken. Nu zat ik in het kamertje van een Ayurvedische kruidenvrouw. Het stond er vol met potten olie en kruiden. Er klonk een rustig muziekje. De muren waren groen, het plafond blauw. Een streep zonlicht scheen op de behandeltafel. De olie was al bijna warm. En ik wist dat ik geen twaalf meer was.
woensdag 20 mei 2009
dinsdag 19 mei 2009
Waarom?
Ik zat in een bomvolle metro. Ik zag daarachter een vrouw zitten die misschien een man was, maar die bij nadere inspectie toch een vrouw bleek. We zaten elkaar een beetje aan te kijken door de scheidingswand van mat plastic. Met twee handen hield ze haar handtas voor zich op haar schoot. Het waren vooral haar lippen die opvielen. Ze waren pikzwart omrand. Als die van een clown die ze vergat in te kleuren. We bleven elkaar maar aankijken terwijl we onder de grond door raasden en een groep jongeren baldadig begon te worden. Ik weet niet waarom.
maandag 18 mei 2009
Jee
Jeetje had nog een weekje respijt gekregen, maar ik nam tussen de middag vast een voorproefje in haar brave new world.
Haar klas. De tafeltjes in groepjes bij elkaar. Vierentwintig kinderen aten er een boterhammetje. Of knabbelden van een komkommertje. In het midden zat een forse dame met een hoofddoek.
'Hee, waar is Jee?' vroeg een meisje dat in onze straat woont.
'Eh, Jee? Jeetje komt volgende week,' zei ik.
Ik knielde neer bij het tafeltje waaraan ze zat te eten. Samen met een klasgenootje.
'Is dat de overblijfmoeder?' vroeg ik voorzichtig.
Ze begonnen te gillen van het lachen. 'Overblijfmoeder ! Dat is de overblijf.'
'O, ja. Is dat dus de overblijf?'
'Ja,' zeiden ze. 'De mevrouw met dat doekje om het hoofd.'
'O, oké. Hoeveel boterhammen hebben jullie bij je?'
Ze hadden er elk twee bij zich in een trommeltje. En ze hadden er iets hartigs op omdat dat van hun moeder moest. De ene had pittige kaas en de ander had pindakaas. Ze gingen morgen op schoolreisje, naar sprookjesland. En dat leek hun leuk. Ze aten en babbelden. Ik zag het lege tafeltje naast hen waar volgende week Jeetje aan zou schuiven. Jee. Met haar nieuwe glimmende tasje. Met een appeltje erin, en een beker sap, voor het eerste pauze kwartiertje.
En een broodtrommeltje voor tussen de middag. Met twee hartig belegde boterhammetjes. En een worteltje. Ik zuchtte. Om Jee.
Haar klas. De tafeltjes in groepjes bij elkaar. Vierentwintig kinderen aten er een boterhammetje. Of knabbelden van een komkommertje. In het midden zat een forse dame met een hoofddoek.
'Hee, waar is Jee?' vroeg een meisje dat in onze straat woont.
'Eh, Jee? Jeetje komt volgende week,' zei ik.
Ik knielde neer bij het tafeltje waaraan ze zat te eten. Samen met een klasgenootje.
'Is dat de overblijfmoeder?' vroeg ik voorzichtig.
Ze begonnen te gillen van het lachen. 'Overblijfmoeder ! Dat is de overblijf.'
'O, ja. Is dat dus de overblijf?'
'Ja,' zeiden ze. 'De mevrouw met dat doekje om het hoofd.'
'O, oké. Hoeveel boterhammen hebben jullie bij je?'
Ze hadden er elk twee bij zich in een trommeltje. En ze hadden er iets hartigs op omdat dat van hun moeder moest. De ene had pittige kaas en de ander had pindakaas. Ze gingen morgen op schoolreisje, naar sprookjesland. En dat leek hun leuk. Ze aten en babbelden. Ik zag het lege tafeltje naast hen waar volgende week Jeetje aan zou schuiven. Jee. Met haar nieuwe glimmende tasje. Met een appeltje erin, en een beker sap, voor het eerste pauze kwartiertje.
En een broodtrommeltje voor tussen de middag. Met twee hartig belegde boterhammetjes. En een worteltje. Ik zuchtte. Om Jee.
zondag 17 mei 2009
Er arriveerde een taxi
En toen arriveerde er een zwarte taxi in mijn straat. Gisteravond laat. De lucht had niet donkerder kunnen zijn.
Vanuit het raam, van boven, zag ik man uitstappen. Met een tasje in zijn hand. Hij droeg een joggingbroek en sportschoenen. Ik zag een lachje op zijn gezicht.
Even later stapte hij mijn huis binnen. Hij ging op mijn zwarte stoel zitten en keek mijn kamer rond. Ik zat op de bank naar hem te kijken. Hij zag er van de zijkant nog precies hetzelfde uit. Ik durfde hem niet aan te raken. We praatten wat.
'Waar is de oplader van het fototoestel?' vroeg ik.
Hij stond op en liep naar de kast waar, inderdaad, de opladers lagen. Ik schonk thee in.
We dronken yogi thee en keken naar de diashow van Jeetjes vierde verjaardag. Man met infuus en een jarig Jeetje op schoot.
Nu zat er op die plek een grote witte pleister. Verder waren zijn armen nog precies hetzelfde.
'Lust je een glaasje wijn?' vroeg ik tenslotte.
'Mag ik dat wel?'
'Dat weet ik niet.'
We waagden het erop. Man kwam naast mij op de bank zitten. We dronken een glaasje wijn. We proostten. Op hem. Op het leven. Op ons. In ons huis, in onze straat.
Het ging goed.
Vanuit het raam, van boven, zag ik man uitstappen. Met een tasje in zijn hand. Hij droeg een joggingbroek en sportschoenen. Ik zag een lachje op zijn gezicht.
Even later stapte hij mijn huis binnen. Hij ging op mijn zwarte stoel zitten en keek mijn kamer rond. Ik zat op de bank naar hem te kijken. Hij zag er van de zijkant nog precies hetzelfde uit. Ik durfde hem niet aan te raken. We praatten wat.
'Waar is de oplader van het fototoestel?' vroeg ik.
Hij stond op en liep naar de kast waar, inderdaad, de opladers lagen. Ik schonk thee in.
We dronken yogi thee en keken naar de diashow van Jeetjes vierde verjaardag. Man met infuus en een jarig Jeetje op schoot.
Nu zat er op die plek een grote witte pleister. Verder waren zijn armen nog precies hetzelfde.
'Lust je een glaasje wijn?' vroeg ik tenslotte.
'Mag ik dat wel?'
'Dat weet ik niet.'
We waagden het erop. Man kwam naast mij op de bank zitten. We dronken een glaasje wijn. We proostten. Op hem. Op het leven. Op ons. In ons huis, in onze straat.
Het ging goed.
zaterdag 16 mei 2009
Bijna thuis...
Voor het eerst in pakweg zesduizend jaar zit ik achter de computer en meteen krijg ik een sms. De tijd drupt weg, lees ik. Kus: man.
Hij heeft zijn laatste infuus vervroegd gekregen en daarna zal hij de taxi naar huis nemen. Geen seconde langer blijft hij daar.
Moeder is naar haar huis vertrokken. En ik heb Jeetje net precies in bed gelegd. Jeetje is gisteren vier jaar geworden en dat werd een groot feest. Vandaag wisten we de sporen en troffen we voorbereidingen voor de plotselinge terugkeer van man. Een compleet bacterievrij huis.
De tijd loopt. De afwas staat er nog. De kranten liggen klaar. Jeetje roept met het zoveelste smoesje.
Hij heeft zijn laatste infuus vervroegd gekregen en daarna zal hij de taxi naar huis nemen. Geen seconde langer blijft hij daar.
Moeder is naar haar huis vertrokken. En ik heb Jeetje net precies in bed gelegd. Jeetje is gisteren vier jaar geworden en dat werd een groot feest. Vandaag wisten we de sporen en troffen we voorbereidingen voor de plotselinge terugkeer van man. Een compleet bacterievrij huis.
De tijd loopt. De afwas staat er nog. De kranten liggen klaar. Jeetje roept met het zoveelste smoesje.
woensdag 13 mei 2009
Over etherische aanwezigheden en geniepige beestjes
'De dood is niet groot,' zegt man als we teruglopen naar zijn kamer, 'de dood is piepklein en woont in je.'
We hebben net het verlossende - het gaat voorspoedig- gesprek gehad met de neurologe. In een apart kamertje. Over man en zijn beestje. De neurologe was jong. Ze had grote, uitpuilende ogen en staarde recht door ons heen terwijl ze haar verhaal hield. Over het beestje dat wij allemaal met ons meedragen en dat wacht op het geschikte moment om toe te slaan. Het beestje dat in het hoofd van man geslopen was, en als we er een uur later bij waren geweest, had hij het niet overleefd.
'Heeft-ie ook pootjes?' Man onderbrak het relaas van de neurologe.
'Wat zegt u?' Haar wangen kleurden rood. 'Póótjes?'
'Ja?'
'Nou, nee. Hij glijdt..Eh?'
'Op zijn buikje?' informeerde man. 'Of hoe?'
Ze negeerde zijn vraag en ging door met haar verhaal. Er was geen contact met de specialiste te krijgen. Ik had voortdurend de neiging te zwaaien en 'hoehoe' te roepen. Maar ik heb wel meer neigingen.
'En? Wat vond je van deze neurologe?' zeg ik op als we weer op zijn kamer zitten.
'Ze is er niet geweest,' zegt man. 'Het was een etherische aanwezigheid.'
'Een etherische aanwezigheid?'
'Ja, en dat maakt haar niet sterk,' zegt hij, 'daardoor heeft ze totaal geen autoriteit. En geen overwicht. Ze keek me niet aan. Ze heeft haar naam niet eens genoemd.'
'Misschien moet je haar dat zeggen.' (Man zit in 'de communicatie sector')
'Het was ook geen ruimte om mensen in te ontvangen,' zegt man, 'er lagen overal bloedspatten op de grond.'
We hebben net het verlossende - het gaat voorspoedig- gesprek gehad met de neurologe. In een apart kamertje. Over man en zijn beestje. De neurologe was jong. Ze had grote, uitpuilende ogen en staarde recht door ons heen terwijl ze haar verhaal hield. Over het beestje dat wij allemaal met ons meedragen en dat wacht op het geschikte moment om toe te slaan. Het beestje dat in het hoofd van man geslopen was, en als we er een uur later bij waren geweest, had hij het niet overleefd.
'Heeft-ie ook pootjes?' Man onderbrak het relaas van de neurologe.
'Wat zegt u?' Haar wangen kleurden rood. 'Póótjes?'
'Ja?'
'Nou, nee. Hij glijdt..Eh?'
'Op zijn buikje?' informeerde man. 'Of hoe?'
Ze negeerde zijn vraag en ging door met haar verhaal. Er was geen contact met de specialiste te krijgen. Ik had voortdurend de neiging te zwaaien en 'hoehoe' te roepen. Maar ik heb wel meer neigingen.
'En? Wat vond je van deze neurologe?' zeg ik op als we weer op zijn kamer zitten.
'Ze is er niet geweest,' zegt man. 'Het was een etherische aanwezigheid.'
'Een etherische aanwezigheid?'
'Ja, en dat maakt haar niet sterk,' zegt hij, 'daardoor heeft ze totaal geen autoriteit. En geen overwicht. Ze keek me niet aan. Ze heeft haar naam niet eens genoemd.'
'Misschien moet je haar dat zeggen.' (Man zit in 'de communicatie sector')
'Het was ook geen ruimte om mensen in te ontvangen,' zegt man, 'er lagen overal bloedspatten op de grond.'
dinsdag 12 mei 2009
Langeafstandsbril
Ik heb m'n lange afstandsbril opgezet, inmiddels. Man resideert nog bijna twee weken in het ziekenhuis. Die rooie verpleegster is eigenlijk best lief. Zijn nieuwe kamergenote is een beschaafde, Duitse oma. Het raam in zijn nieuwe kamer kan open. 'Ik hoor buiten de trams weer rinkelen!' zegt man.
De blik door de lange afstandsbril is overzichtelijker. Redelijker. Geduldiger. Praktischer vooral. Ik ben van de planning. Wat moet ik meenemen naar het ziekenhuis? Wat moet er mee terug? Wie wil er, wanneer en hoe laat, bij man langskomen? Hoe ga ik voor Jeetje een zo rustig mogelijk thuis creëren? En voor man een zo gelukkig mogelijk ziekenhuisverblijf?
Jeetjes verjaardag zal toch goed worden gevierd. Gisteren doorkruiste ik de stad, op de fiets, met enorme stelten. Waar ik links en rechts per ongeluk iemand mee tegen de vlakte had kunnen slaan. Maar dat deed ik natuurlijk niet.
Jeetje wil het niet over papa hebben. Maar in het holst van de nacht komt ze bij me liggen. Met een bende knuffels. Opgekruld. Ze huilt.
'Morgen na de crèche gaan we papa een kus geven,' zeg ik tenslotte. 'En dan krijg je een lollie op de fiets. En daarna gaan we thuis spinazie eten. En papa eet misschien ook wel spinazie in het ziekenhuis.' Ze wordt stil en even later breng ik haar terug naar haar eigen bed.
Daar liggen we nou, alledrie in dezelfde stad, maar zo ver van elkaar af.
De blik door de lange afstandsbril is overzichtelijker. Redelijker. Geduldiger. Praktischer vooral. Ik ben van de planning. Wat moet ik meenemen naar het ziekenhuis? Wat moet er mee terug? Wie wil er, wanneer en hoe laat, bij man langskomen? Hoe ga ik voor Jeetje een zo rustig mogelijk thuis creëren? En voor man een zo gelukkig mogelijk ziekenhuisverblijf?
Jeetjes verjaardag zal toch goed worden gevierd. Gisteren doorkruiste ik de stad, op de fiets, met enorme stelten. Waar ik links en rechts per ongeluk iemand mee tegen de vlakte had kunnen slaan. Maar dat deed ik natuurlijk niet.
Jeetje wil het niet over papa hebben. Maar in het holst van de nacht komt ze bij me liggen. Met een bende knuffels. Opgekruld. Ze huilt.
'Morgen na de crèche gaan we papa een kus geven,' zeg ik tenslotte. 'En dan krijg je een lollie op de fiets. En daarna gaan we thuis spinazie eten. En papa eet misschien ook wel spinazie in het ziekenhuis.' Ze wordt stil en even later breng ik haar terug naar haar eigen bed.
Daar liggen we nou, alledrie in dezelfde stad, maar zo ver van elkaar af.
Abonneren op:
Posts (Atom)