De wandeling naar de nieuwe werkkamer vind ik tot nu toe - het is dag twee - het leukst. Na het ontbijt stap ik het huis uit met mijn laptop op mijn rug. In de zon wandel ik en kijk rond alsof ik toerist ben in eigen stad. Ik ga zo ook gekleed. Onderweg zie ik taferelen die ik vroeger nooit zag voordat ik aan het werk toog. Ik doe mijn best de taferelen goed in me op te nemen. De oude vrouw die met een lieve lach de duiven voert. Gisteren was er een bejaarde meneer bij dat bankje de duiven aan het voeren. Als je een bepaalde leeftijd bereikt hebt, neem je genoegen met aandacht van de duiven.
Zo ben ik waarschijnlijk het ene fascinerende tafereel na het andere gepasseerd. Maar ineens was ik er.
Ineens zat ik binnen. Met enkel mijn aantekenschriftjes en een document om op te starten. Geen wasje om om nog even snel doen.
dinsdag 4 augustus 2009
maandag 3 augustus 2009
Als het doodstil is
Elke ochtend vond Jeetje op de vloer van de pipowagen wel een dode vlieg.
'Hoe kan dat nou toch?' zei Jeetje, 'waarom is deze vlieg dood? Was hij oud? Was hij ziek? ' Ze pakte het beestje voorzichtig op en legde hem in het kommetje van haar hand.
'Ik wil dat de vlieg weer leeft.'
'Dat kan niet meer, lieverd.'
'Maar ik wil dat de vlieg lééft!' En daar vloeiden de tranen.
Op de achtergrond de schaduw van haar vader - groot en donker - met een vuurrood vliegenmeppertje in zijn hand. Hij was ontzettend op vliegen gespitst deze vakantie. Alsof hij op deze manier de piep, die hij nog steeds in zijn oor heeft, te pakken hoopte te krijgen.
'Heeft hij nog oorsuizingen?' vroeg de bovenbuurvrouw, die al jaren aan tinnitus lijdt, direct bij thuiskomst.
'Het piept nog,' zei ik, 'maar het gaat al wel beter.'
'Ik kom nauwelijks nog het huis uit,' vertrouwde ze mij toe. 'Ik heb het aan twee oren.'
'Straks heeft iederéén hier in huis een piep in zijn oor,' lachte ik. En meende in de verte al een hoog piepen te horen. Als je je inspant, hoor je een onmenselijk hoge toon namelijk. Op een andere frequentie. Als het doodstil is, komt-ie dichterbij. Tot-ie op een dag in je oor zal zitten. Moet je je eens voorstellen.
'Hoe kan dat nou toch?' zei Jeetje, 'waarom is deze vlieg dood? Was hij oud? Was hij ziek? ' Ze pakte het beestje voorzichtig op en legde hem in het kommetje van haar hand.
'Ik wil dat de vlieg weer leeft.'
'Dat kan niet meer, lieverd.'
'Maar ik wil dat de vlieg lééft!' En daar vloeiden de tranen.
Op de achtergrond de schaduw van haar vader - groot en donker - met een vuurrood vliegenmeppertje in zijn hand. Hij was ontzettend op vliegen gespitst deze vakantie. Alsof hij op deze manier de piep, die hij nog steeds in zijn oor heeft, te pakken hoopte te krijgen.
'Heeft hij nog oorsuizingen?' vroeg de bovenbuurvrouw, die al jaren aan tinnitus lijdt, direct bij thuiskomst.
'Het piept nog,' zei ik, 'maar het gaat al wel beter.'
'Ik kom nauwelijks nog het huis uit,' vertrouwde ze mij toe. 'Ik heb het aan twee oren.'
'Straks heeft iederéén hier in huis een piep in zijn oor,' lachte ik. En meende in de verte al een hoog piepen te horen. Als je je inspant, hoor je een onmenselijk hoge toon namelijk. Op een andere frequentie. Als het doodstil is, komt-ie dichterbij. Tot-ie op een dag in je oor zal zitten. Moet je je eens voorstellen.
zaterdag 1 augustus 2009
Terug
Vanuit de hangmat voor onze gehuurde pipowagen zag ik avond aan avond in de verte een zwart paard haar rondes draven. Met een dame op haar rug. Soms galoppeerden ze. De zon kleurde alles oranjerood. Op een zeker moment moet ik, liggend, lezend in de boeken van Alice Munro, gedacht hebben: dat ga ik ook doen. Dat moment herinner ik me niet.
Ik herinner me dat ik, een paar dagen voor we gingen, plotseling tegen de campingbaas zei: 'Misschien wil ik nog wel eens een keer een paardrijles bij je nemen. Maar je zit zeker allang vol. Ik heb het ook nog nooit gedaan en...'
Tien minuten later zat ik bovenop Alexandra.
Ik herinner me vooral het beeld. Ik zag mijzelf op dat grote, zwarte paard. Galopperend door die bak. Soepel meebewegend. In de avondzon. Het stof stoof op. Hoe Alexandra en ik één werden.
'Mama is een cowboy,' zei Jeetje.
Maar na drie lessen was van die eenwording nog steeds geen sprake. Het was vooral een zaak van balanceren bovenop die paardenrug. Een zaak van ademhalen. Blijven zitten. We draafden niet. We galoppeerden niet. Ik kon op Alexandra komen. Na de derde les kwam ik best makkelijk weer van Alexandra af. Goed, we hebben samen nog zes stappen gedraafd. Door dikke modder. Zij soppend, ik gillend.
'Het gaat om de weg, niet om het doel,' zei de campingbaas, 'je zou het elke dag moeten doen. Het is oefenen, oefenen. Oefenen.'
Ik boog mijn hoofd. Ik wist het ook wel. Terwijl ik naar de pipowagen terugliep, dacht ik aan de verhalen van Alice Munro en aan die van mij.
'Je hebt het heel goed gedaan voor de eerste keer op een paard,' riep de campingbaas me nog na. 'Weet je dat wel?'
Ik herinner me dat ik, een paar dagen voor we gingen, plotseling tegen de campingbaas zei: 'Misschien wil ik nog wel eens een keer een paardrijles bij je nemen. Maar je zit zeker allang vol. Ik heb het ook nog nooit gedaan en...'
Tien minuten later zat ik bovenop Alexandra.
Ik herinner me vooral het beeld. Ik zag mijzelf op dat grote, zwarte paard. Galopperend door die bak. Soepel meebewegend. In de avondzon. Het stof stoof op. Hoe Alexandra en ik één werden.
'Mama is een cowboy,' zei Jeetje.
Maar na drie lessen was van die eenwording nog steeds geen sprake. Het was vooral een zaak van balanceren bovenop die paardenrug. Een zaak van ademhalen. Blijven zitten. We draafden niet. We galoppeerden niet. Ik kon op Alexandra komen. Na de derde les kwam ik best makkelijk weer van Alexandra af. Goed, we hebben samen nog zes stappen gedraafd. Door dikke modder. Zij soppend, ik gillend.
'Het gaat om de weg, niet om het doel,' zei de campingbaas, 'je zou het elke dag moeten doen. Het is oefenen, oefenen. Oefenen.'
Ik boog mijn hoofd. Ik wist het ook wel. Terwijl ik naar de pipowagen terugliep, dacht ik aan de verhalen van Alice Munro en aan die van mij.
'Je hebt het heel goed gedaan voor de eerste keer op een paard,' riep de campingbaas me nog na. 'Weet je dat wel?'
donderdag 23 juli 2009
Tussentijd
Vanaf een heel klein apparaatje een heel klein blogje. In de minuten voordat de gezamelijke dag echt aanbreekt. Jeetje zit in haar eigen hoekje te spelen. Man is ergens buiten. Ik zit voorovergebogen aan het tafeltje. Als ik opkijk, staren de twee ezels naar me. Ze houden me in het vizier. Ze weten het. Het zijn de minuten voor het balken. Die tijd is heel belangrijk. 'Papa is naar de auto,' zegt Jeetje nu, 'hij is spullen aan het pakken. En dan gaan we met de auto eerst naar het meertje dan naar de supermarkt en dan naar de rommelmarkt, denk ik!' Ze voegt hieraan toe: 'en ik ben klaar met spelen.'
woensdag 8 juli 2009
Weg
Tot en met 1 augustus ben ik weg. Misschien plaats ik nog wel af en toe een berichtje. Maar daar is geen peil op te trekken. De spullen liggen overal uitgestald. Ik herinner me alleen maar vakanties waarin ik op de avond voor vertrek als een dolle begon te pakken. Terwijl ik altijd de intentie heb er op tijd aan te beginnen. Gisteravond kon het grote pakken ook niet beginnen, toen moest ik de MJ herdenkingsdienst zien. Hoe langer ik ernaar keek, hoe meer mens hij werd. Die echt niet ineens uit zijn kist op zou springen.
Hoe saai. Een mens.
Hoe saai. Spullen bij elkaar zoeken.
Hoe saai. Een mens.
Hoe saai. Spullen bij elkaar zoeken.
dinsdag 7 juli 2009
Het gesprek
Jeetje en man liggen in de hangmat. Ze kletsen wat over de dag en over het schoolsysteem in Nederland. Man legt uit dat het met de lagere school - onderbouw, middenbouw, bovenbouw - nog niet gedaan is. Het is een lang gesprek. Jeetje luistert aandachtig naar zijn uiteenzetting. Man is tevreden over zijn uitleg. Ze schommelen samen.
'Eerst heb je dus de lagere school, dan de middelbare school en daarna ga je ook nog naar een hógere school.' Hij vat het nog eens kort en bondig samen.
'Ja,' zegt Jeetje. 'En op de hogere school heb je zeker heel mooi uitzicht.'
'Eerst heb je dus de lagere school, dan de middelbare school en daarna ga je ook nog naar een hógere school.' Hij vat het nog eens kort en bondig samen.
'Ja,' zegt Jeetje. 'En op de hogere school heb je zeker heel mooi uitzicht.'
zondag 5 juli 2009
Er is niets veranderd
Nog nooit zoveel tijd op het trottoir doorgebracht als de laatste weken. Door de week zitten we er tussen vier en zes. En op zaterdag zowat de hele dag. Tussen de boodschappen door. Op de stoep gebeurt het. De kinderen spelen er. Er wordt gefietst, gestept, geskelterd en gekrijt. Er wordt verstoppertje gespeeld. Er zitten zwarte randjes onder hun nagels van het verboden gegraaf in het gemeenteplantsoentje.
Elke avond is iedereen even plakkerig en roetig van het stoephangen.
De buurmannen en vrouwen kletsen met elkaar. Of we lezen ons krantje, we maken er de post open, iemand neemt een glaasje rosé mee. Als er een auto aankomt, schreeuwen we als viswijven. We draaien tegen de zon in maar de kinderen spelen overal. Van 0 tot 12. Als je onze straat inkomt, ziet het er uit als een kinderspeelplaats. Mensen uit belendende buurten stallen hier hun afgedankte driewielers.
'Mijn vriendinnen zeggen dat de straat zo achteruit gegaan is,' zegt mijn 80-jarige bovenbuurvrouw. 'Ik vind het niet erg hoor. Ik hou wel van kinderstemmen. Maar vroeger was het hier allemaal keurig. Dit was een hele nette straat.'
In het boek Amsterdam, stad van mijn leven van Eddy Posthuma de Boer zie ik foto's van Amsterdam 1955. Precies dezelfde taferelen: De huizen waren klein, de armoede was groot. Buren zaten samen op de stoep en kinderen speelden op straat: hutten bouwen, touwtje springen, hinkelen en karren maken.
Elke avond is iedereen even plakkerig en roetig van het stoephangen.
De buurmannen en vrouwen kletsen met elkaar. Of we lezen ons krantje, we maken er de post open, iemand neemt een glaasje rosé mee. Als er een auto aankomt, schreeuwen we als viswijven. We draaien tegen de zon in maar de kinderen spelen overal. Van 0 tot 12. Als je onze straat inkomt, ziet het er uit als een kinderspeelplaats. Mensen uit belendende buurten stallen hier hun afgedankte driewielers.
'Mijn vriendinnen zeggen dat de straat zo achteruit gegaan is,' zegt mijn 80-jarige bovenbuurvrouw. 'Ik vind het niet erg hoor. Ik hou wel van kinderstemmen. Maar vroeger was het hier allemaal keurig. Dit was een hele nette straat.'
In het boek Amsterdam, stad van mijn leven van Eddy Posthuma de Boer zie ik foto's van Amsterdam 1955. Precies dezelfde taferelen: De huizen waren klein, de armoede was groot. Buren zaten samen op de stoep en kinderen speelden op straat: hutten bouwen, touwtje springen, hinkelen en karren maken.
Abonneren op:
Posts (Atom)