zondag 9 augustus 2009

GEVANGEN

Ik typ, tik, tik en typ en als ik opkijk is het al 15.00 u. Ik ben de tijd vergeten, lunch overgeslagen, intussen volkomen oververhit geraakt tussen de oude boeken. Dus ik moet er even uit. Het schijnt hier prachtig te zijn, de omgeving van mijn nieuwe werkkamer, het moet hier ontzettend bruisen, leuke winkeltjes en interessante mensen.
Tot nu toe heb ik alleen nog een man te paard voorbij mijn raam zien lopen. Een zwerver. Of een oude rocker. Hij zat bovenop een knol met oogkleppen. Ze kwamen de straat inrijden en even later kwamen ze de straat, vreemd genoeg, nog eens inrijden.
Als ik de deur wil openen, gaat dat niet. Ik vergis me vast, het is de onwennigheid, en pak mijn sleutel erbij. Maar wat ik ook doe, ik kan er met geen mogelijkheid uit. Iemand buiten heeft de deur op slot gedraaid.
Ik begin het zweet van mijn voorhoofd te wissen, staar een tijd uit het raam en luister of ik misschien paardenhoefjes hoor. Is er opzet in het spel? Ik begin met mijn voet tegen de deur stampen. Die blijft op slot. Niemand hoort me, niemand ziet me. Het is stil in het Quartier Latin van Amsterdam. Akelig stil. En het ruikt muf. Heel erg muf.

Lees hier het verhaal van mijn verlosser.

vrijdag 7 augustus 2009

Hulp

Op oma's verjaardag vertelde mijn tante over de zieke jongen en dat ze vorige week voor hem op bedevaart waren geweest. Ik had nooit bij hem in de klas gezeten maar wel bij zijn neef. Volgende week zou hij gescand worden in het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis. Vorige week waren ze met vijfendertig dorpelingen - jong en oud - naar een paar dorpen verderop vertrokken. Daar hadden ze, bij de kapel, de hele rozenkrans gebeden. Hardop. Met z'n allen tegelijk. Voor een goede uitslag.
'We hebben vijfenveertig Weesgegroetjes gebeden. Een paar Onzevaders en nog een paar spreuken gezegd,' zei mijn tante. 'Ik heb meegeteld.'
Ik zie ze allemaal staan met een rozenkrans in hun handen. Rondom het kleine kappelletje met het Mariabeeld erin dat in de berm staat. Ik stel ze me voor in de bloedhitte. Of in de stromende regen.
Maar allemaal gestaag door biddend. Kraal voor kraal voor kraal voor kraal voor kraal.

woensdag 5 augustus 2009

Over school

'Moet ik vandaag naar school?' vraagt Jeetje alweer.
'Nee joh, pas over twee weekjes.'
'Ik wil ook niet meer naar school.'
'Dat weet ik.'
'Ik ga niet meer naar school.'
'Zal ik de juffrouw dan opbellen dat je niet meer komt.'
'Doe maar.'
Ik lach.
'Nu meteen,' dringt Jeetje aan. 'Je moet nu meteen bellen, mama.'
'Maar Jeetje,' begin ik, 'dan gaan alle andere kinderen naar school. En wij zijn aan het werk. Wat moet jij dan?'
'O, ik ga wel naar de crèche.'
'Daar ben je echt te groot voor.'
'Op school moet je werkjes doen. Ik wil niet stééds dezelfde werkjes doen.' (Jeetje heeft al precies 1 maand op school doorgebracht)
'En er staat een geweldige klimboom op school!' roep ik uit.
Jeetje knikt.
'Er is ook een gymnastiekzaal met een leuke gymleraar, toch?'
Jeetje knikt weer. 'Maar hij zegt óók altijd wat we gaan doen en dan wil ik net iets heel anders gaan doen,' zegt ze.
'Tja, eh.'
'Ja,' zegt Jeetje. 'Ga je nu bellen?'

dinsdag 4 augustus 2009

De weg ernaartoe

De wandeling naar de nieuwe werkkamer vind ik tot nu toe - het is dag twee - het leukst. Na het ontbijt stap ik het huis uit met mijn laptop op mijn rug. In de zon wandel ik en kijk rond alsof ik toerist ben in eigen stad. Ik ga zo ook gekleed. Onderweg zie ik taferelen die ik vroeger nooit zag voordat ik aan het werk toog. Ik doe mijn best de taferelen goed in me op te nemen. De oude vrouw die met een lieve lach de duiven voert. Gisteren was er een bejaarde meneer bij dat bankje de duiven aan het voeren. Als je een bepaalde leeftijd bereikt hebt, neem je genoegen met aandacht van de duiven.
Zo ben ik waarschijnlijk het ene fascinerende tafereel na het andere gepasseerd. Maar ineens was ik er.
Ineens zat ik binnen. Met enkel mijn aantekenschriftjes en een document om op te starten. Geen wasje om om nog even snel doen.

maandag 3 augustus 2009

Als het doodstil is

Elke ochtend vond Jeetje op de vloer van de pipowagen wel een dode vlieg.
'Hoe kan dat nou toch?' zei Jeetje, 'waarom is deze vlieg dood? Was hij oud? Was hij ziek? ' Ze pakte het beestje voorzichtig op en legde hem in het kommetje van haar hand.
'Ik wil dat de vlieg weer leeft.'
'Dat kan niet meer, lieverd.'
'Maar ik wil dat de vlieg lééft!' En daar vloeiden de tranen.
Op de achtergrond de schaduw van haar vader - groot en donker - met een vuurrood vliegenmeppertje in zijn hand. Hij was ontzettend op vliegen gespitst deze vakantie. Alsof hij op deze manier de piep, die hij nog steeds in zijn oor heeft, te pakken hoopte te krijgen.

'Heeft hij nog oorsuizingen?' vroeg de bovenbuurvrouw, die al jaren aan tinnitus lijdt, direct bij thuiskomst.
'Het piept nog,' zei ik, 'maar het gaat al wel beter.'
'Ik kom nauwelijks nog het huis uit,' vertrouwde ze mij toe. 'Ik heb het aan twee oren.'
'Straks heeft iederéén hier in huis een piep in zijn oor,' lachte ik. En meende in de verte al een hoog piepen te horen. Als je je inspant, hoor je een onmenselijk hoge toon namelijk. Op een andere frequentie. Als het doodstil is, komt-ie dichterbij. Tot-ie op een dag in je oor zal zitten. Moet je je eens voorstellen.

zaterdag 1 augustus 2009

Terug

Vanuit de hangmat voor onze gehuurde pipowagen zag ik avond aan avond in de verte een zwart paard haar rondes draven. Met een dame op haar rug. Soms galoppeerden ze. De zon kleurde alles oranjerood. Op een zeker moment moet ik, liggend, lezend in de boeken van Alice Munro, gedacht hebben: dat ga ik ook doen. Dat moment herinner ik me niet.
Ik herinner me dat ik, een paar dagen voor we gingen, plotseling tegen de campingbaas zei: 'Misschien wil ik nog wel eens een keer een paardrijles bij je nemen. Maar je zit zeker allang vol. Ik heb het ook nog nooit gedaan en...'
Tien minuten later zat ik bovenop Alexandra.

Ik herinner me vooral het beeld. Ik zag mijzelf op dat grote, zwarte paard. Galopperend door die bak. Soepel meebewegend. In de avondzon. Het stof stoof op. Hoe Alexandra en ik één werden.
'Mama is een cowboy,' zei Jeetje.
Maar na drie lessen was van die eenwording nog steeds geen sprake. Het was vooral een zaak van balanceren bovenop die paardenrug. Een zaak van ademhalen. Blijven zitten. We draafden niet. We galoppeerden niet. Ik kon op Alexandra komen. Na de derde les kwam ik best makkelijk weer van Alexandra af. Goed, we hebben samen nog zes stappen gedraafd. Door dikke modder. Zij soppend, ik gillend.
'Het gaat om de weg, niet om het doel,' zei de campingbaas, 'je zou het elke dag moeten doen. Het is oefenen, oefenen. Oefenen.'
Ik boog mijn hoofd. Ik wist het ook wel. Terwijl ik naar de pipowagen terugliep, dacht ik aan de verhalen van Alice Munro en aan die van mij.
'Je hebt het heel goed gedaan voor de eerste keer op een paard,' riep de campingbaas me nog na. 'Weet je dat wel?'

donderdag 23 juli 2009

Tussentijd

Vanaf een heel klein apparaatje een heel klein blogje. In de minuten voordat de gezamelijke dag echt aanbreekt. Jeetje zit in haar eigen hoekje te spelen. Man is ergens buiten. Ik zit voorovergebogen aan het tafeltje. Als ik opkijk, staren de twee ezels naar me. Ze houden me in het vizier. Ze weten het. Het zijn de minuten voor het balken. Die tijd is heel belangrijk. 'Papa is naar de auto,' zegt Jeetje nu, 'hij is spullen aan het pakken. En dan gaan we met de auto eerst naar het meertje dan naar de supermarkt en dan naar de rommelmarkt, denk ik!' Ze voegt hieraan toe: 'en ik ben klaar met spelen.'