maandag 17 augustus 2009

De laatste groetjes



Vierhonderd pagina's dik. De beste verhalen uit Bunker Hill sinds 1997 t/m 2008. Heerlijk! Sinds het donderdag bij mij in de bus lag, lees ik er steeds even in. Ik heb het zelfs helemaal mee naar m'n werkhol gesleept. Net heb ik bij Kevin Canty, John Fante en Thomas Verbogt gekeken, hoe die de ik-vorm gebruikten. De allerlaatste groetjes van het literaire tijdschrift Bunker Hill.
Groezelig Blauw van mij is erin opgenomen.

vrijdag 14 augustus 2009

Nog een schrijfopdracht

Een boek voor kinderen, zegt Jeetje. Titel: Trotti Potti. Het mag ook wel een andere titel zijn, als het maar een gek woord is.
Het moet spannend zijn. Maar niet tè spannend, zegt ze snel. Omdat ze weet dat mijn verhalen uit het hoofd soms zo uit de hand lopen dat het niet meer leuk is. Het opbouwen van spanning is voor mij geen probleem. Enigszins geruststellende eindes bedenken wel.
Waar het over moet gaan? vraag ik zakelijk.
Het moet gaan over een levend blaadje, dat doodgaat en dat dan wèl weer levend wordt, zegt Jeetje al net zo zakelijk.

Verleiding.

Er staat een container recht onder het raam van mijn werkkamer. Met een huis in kleine stukjes. Het moet onlangs ingestort zijn. Of gesloopt. Jongemannen met grote handschoenen, in groene overalls, met kortgeschoren kapsels en sigaretten in hun mondhoeken rijden kruiwagens af en aan. Met kapot huis. Recht achter het raam zit ik. Ik hoef mijzelf er maar doorheen te schuiven. Oogjes dicht. Mondje dicht. Daar lig ik. In het puin.

donderdag 13 augustus 2009

Oi oi

Vandaag komt Jeetje eindelijk thuis. Man haalt haar op op het treinstation in Nijmegen. Ik weet haast niet meer hoe ze eruit ziet. En haast niet meer hoe ze voelt. En haast niet meer hoe ze praat. Ik weet niet meer precies welke kleur haar haar heeft. En hoe lang haar benen zijn. Ze zullen wel langer zijn geworden. Ze zeggen dat ze nu een goede eter is.
Jeetje was een hele week uit logeren. Man en ik hebben de laatste vrije avond gevierd met een portje en een sigaret die absoluut niet smaakte. En net op de fiets zag ik iemand zo innig roken dat het water me in de mond liep, zo vies. En net op de fiets dacht ik aan een ernstig treinongeluk ter hoogte van Nijmegen. Waar twee treintoestellen tegen elkaar gebotst zijn en veel doden gevallen. En dat we dan eeuwig spijt zouden hebben dat ze niet gisteren teruggekomen was. Ook dacht ik: dat schrijf ik op m'n blog. Dan gebeurt het niet.

woensdag 12 augustus 2009

Voorkant


Je mag de voorkant van je boek niet laten zien voordat alles af is, heb ik altijd gedacht. Voordat je zeker weet dat het - naar tevredenheid - afkomt. Anders krijg je gezeik. Dat is het onheil over je afroepen. Het is niet helemaal af. Zeker weten doe ik nog niets. Maar de voorkant staat al een tijdje stilletjes op m'n website. Het boek staat ook al in de aanbiedingsfolder van de uitgeverij. Ik moet niet zeiken. Waarom zou ik een omslag dat er wel is, niet laten zien?
* De zeer goede lezer van dit weblog weet waar de titel oorspronkelijk vandaan komt.
* Het is wederom een schilderij van Paul Dikker.

dinsdag 11 augustus 2009

Nog een dagje

'Mis jij haar wel?' vroeg ik gisteravond aan man.
'Nog niet.'
'Het is soms alsof we nooit een Jeetje hebben gehad,' zei ik. 'Alsof we jaren zijn teruggeworpen in de tijd.'
'Zo snel gaat dat dus,' zei hij.
Met onze neuzen dichtgeknepen stonden we in de woonkamer. Waar alle meubelstukken van ons huis tijdelijk staan opgeslagen. En alle andere troep. Op de bank zonder stoffering liggen zolang dekens. Het blijft de vraag of we de gestoomde stof er ooit weer netjes omkrijgen. In de andere ruimtes - gang, keuken, kamer en suite (ex werkkamer) - zijn de vloeren geschilderd. Lichtgrijs. En rood. Keniarood. Voor het avontuur. We moeten elk avond uit eten vanwege de stank. En omdat we nergens bij kunnen. Jeetje is bij opa en oma en heeft nauwelijks tijd om aan de telefoon te komen en wij hebben nauwelijks tijd om haar te missen.
Dat zeiden we gisteravond tegen elkaar. En toen zuchtten we. Jeetje. Ons Jeetje.
'Ze zal nu wel aan het slapen zijn,' zei man.
'Allang,' zei ik.
We staarden elkaar aan. Allebei zagen we Jeetje liggen. In bed. Op haar rug. Met haar armen en benen wijd en haar mond een klein stukje open. Natte haren in haar nek. Van het zweten. Keniarode wangen.

maandag 10 augustus 2009

Conversatie

Zij en ik hebben op een terrasje afgesproken in de namiddag. We kijken uit op de Amstel en drinken een glas witte wijn.
'Nu is het het metéén heel gezellig,' zegt ze.
'Ja!'
'Vroeger had ik altijd het idee dat het een straf voor je was om af te spreken.'
'O, ja?'
'Het eerste half uur moest ik me echt ergens doorheen worstelen, wilde ik met je in gesprek komen. Ik had het daar ook wel eens met anderen over. Dan zei ik: het is bij haar gewoon vechten om contact te krijgen.'
'Dat wist ik niet hoor.'
'Ik had het gevoel dat ik je iets had aangedaan had, door alleen maar koffie met je te willen drinken.'
'Echt?
'Ja.'
'Ja, ik ben niet zo goed in smalltalk. Misschien is dat het?' zeg ik.
'Ik werd er in het begin zelf onzeker van. Je denkt in eerste instantie toch dat het aan jezelf ligt, dat jij zo stroef doet. Maar daarna wist ik wel: het is Elke. Dat horkerige.'
'Ik vind het altijd wel leuk iemand te zien.'
'Het is ook heel charmant. Weet je dat? Hoe jij doet.'
Ik lach horkerig.
'Ik heb er nu al spijt van,' zegt ze, 'dit had ik natuurlijk nóóit moeten zeggen.'