Het kost minstens een jaar om je op een nieuwe werkplek thuis te voelen, twitterde iemand. Dat was vorige maand. Ik zat een dag fris in de boekopslag. Ik ben een flexibel type. Bij mij zou het geen jaar duren. En je hoefde je ook niet thuis te voelen. Maar op je werk.
De volgende dag had ik het mij al eigen gemaakt. Het bureau dat niet van mij was. In een van de laatjes had ik Het boek der rusteloosheid gelegd. Thuis ligt het altijd in mijn buurt, al kijk ik er weken niet in. Ik had mijn scherm ernaartoe gebracht, legde m'n laptop erop en ging aan de slag.
Er zijn schrijvers die hun computertjes openklappen in café's en al espresso's bestellend hun woorden tikken. Zo flexibel ben ik dan weer niet. Want waar blijven al die papieren die om je heen moeten liggen? En de boeken? Waar moet je kijken als er mensen voorbij lopen? Mijn concentratielijn is flinterdun.
'Die kamer heeft nog niet echt een bestemming, hè?' zei iemand bij de aanblik van mijn oude kamer. Met de nieuwe keniarode vloer. Op de plaats van mijn bureau staat een luie stoel. Er is, sinds die daar is neergezet, nog nooit echt op die stoel gezeten. Mijn bureau dient nu als (iets te hoge) tafel in de huiskamer.
'Mijn speelgoed ligt in mama's kamer,' zei Jeetje.
'Dat is mama's kamer niet meer.'
'Mijn potloden liggen op mama's tafel.'
'Dat is mama's tafel niet, Jeetje. Dat is de tafel van ons allemaal. Mama heeft geen eigen plekje meer. Mama is ontheemd. Mama is versnipperd. Mama is...'
'Wat is versnipperd?'
dinsdag 18 augustus 2009
maandag 17 augustus 2009
De laatste groetjes

Vierhonderd pagina's dik. De beste verhalen uit Bunker Hill sinds 1997 t/m 2008. Heerlijk! Sinds het donderdag bij mij in de bus lag, lees ik er steeds even in. Ik heb het zelfs helemaal mee naar m'n werkhol gesleept. Net heb ik bij Kevin Canty, John Fante en Thomas Verbogt gekeken, hoe die de ik-vorm gebruikten. De allerlaatste groetjes van het literaire tijdschrift Bunker Hill.
Groezelig Blauw van mij is erin opgenomen.
vrijdag 14 augustus 2009
Nog een schrijfopdracht
Een boek voor kinderen, zegt Jeetje. Titel: Trotti Potti. Het mag ook wel een andere titel zijn, als het maar een gek woord is.
Het moet spannend zijn. Maar niet tè spannend, zegt ze snel. Omdat ze weet dat mijn verhalen uit het hoofd soms zo uit de hand lopen dat het niet meer leuk is. Het opbouwen van spanning is voor mij geen probleem. Enigszins geruststellende eindes bedenken wel.
Waar het over moet gaan? vraag ik zakelijk.
Het moet gaan over een levend blaadje, dat doodgaat en dat dan wèl weer levend wordt, zegt Jeetje al net zo zakelijk.
Het moet spannend zijn. Maar niet tè spannend, zegt ze snel. Omdat ze weet dat mijn verhalen uit het hoofd soms zo uit de hand lopen dat het niet meer leuk is. Het opbouwen van spanning is voor mij geen probleem. Enigszins geruststellende eindes bedenken wel.
Waar het over moet gaan? vraag ik zakelijk.
Het moet gaan over een levend blaadje, dat doodgaat en dat dan wèl weer levend wordt, zegt Jeetje al net zo zakelijk.
Verleiding.
Er staat een container recht onder het raam van mijn werkkamer. Met een huis in kleine stukjes. Het moet onlangs ingestort zijn. Of gesloopt. Jongemannen met grote handschoenen, in groene overalls, met kortgeschoren kapsels en sigaretten in hun mondhoeken rijden kruiwagens af en aan. Met kapot huis. Recht achter het raam zit ik. Ik hoef mijzelf er maar doorheen te schuiven. Oogjes dicht. Mondje dicht. Daar lig ik. In het puin.
donderdag 13 augustus 2009
Oi oi
Vandaag komt Jeetje eindelijk thuis. Man haalt haar op op het treinstation in Nijmegen. Ik weet haast niet meer hoe ze eruit ziet. En haast niet meer hoe ze voelt. En haast niet meer hoe ze praat. Ik weet niet meer precies welke kleur haar haar heeft. En hoe lang haar benen zijn. Ze zullen wel langer zijn geworden. Ze zeggen dat ze nu een goede eter is.
Jeetje was een hele week uit logeren. Man en ik hebben de laatste vrije avond gevierd met een portje en een sigaret die absoluut niet smaakte. En net op de fiets zag ik iemand zo innig roken dat het water me in de mond liep, zo vies. En net op de fiets dacht ik aan een ernstig treinongeluk ter hoogte van Nijmegen. Waar twee treintoestellen tegen elkaar gebotst zijn en veel doden gevallen. En dat we dan eeuwig spijt zouden hebben dat ze niet gisteren teruggekomen was. Ook dacht ik: dat schrijf ik op m'n blog. Dan gebeurt het niet.
Jeetje was een hele week uit logeren. Man en ik hebben de laatste vrije avond gevierd met een portje en een sigaret die absoluut niet smaakte. En net op de fiets zag ik iemand zo innig roken dat het water me in de mond liep, zo vies. En net op de fiets dacht ik aan een ernstig treinongeluk ter hoogte van Nijmegen. Waar twee treintoestellen tegen elkaar gebotst zijn en veel doden gevallen. En dat we dan eeuwig spijt zouden hebben dat ze niet gisteren teruggekomen was. Ook dacht ik: dat schrijf ik op m'n blog. Dan gebeurt het niet.
woensdag 12 augustus 2009
Voorkant

Je mag de voorkant van je boek niet laten zien voordat alles af is, heb ik altijd gedacht. Voordat je zeker weet dat het - naar tevredenheid - afkomt. Anders krijg je gezeik. Dat is het onheil over je afroepen. Het is niet helemaal af. Zeker weten doe ik nog niets. Maar de voorkant staat al een tijdje stilletjes op m'n website. Het boek staat ook al in de aanbiedingsfolder van de uitgeverij. Ik moet niet zeiken. Waarom zou ik een omslag dat er wel is, niet laten zien?
* De zeer goede lezer van dit weblog weet waar de titel oorspronkelijk vandaan komt.
* Het is wederom een schilderij van Paul Dikker.
dinsdag 11 augustus 2009
Nog een dagje
'Mis jij haar wel?' vroeg ik gisteravond aan man.
'Nog niet.'
'Het is soms alsof we nooit een Jeetje hebben gehad,' zei ik. 'Alsof we jaren zijn teruggeworpen in de tijd.'
'Zo snel gaat dat dus,' zei hij.
Met onze neuzen dichtgeknepen stonden we in de woonkamer. Waar alle meubelstukken van ons huis tijdelijk staan opgeslagen. En alle andere troep. Op de bank zonder stoffering liggen zolang dekens. Het blijft de vraag of we de gestoomde stof er ooit weer netjes omkrijgen. In de andere ruimtes - gang, keuken, kamer en suite (ex werkkamer) - zijn de vloeren geschilderd. Lichtgrijs. En rood. Keniarood. Voor het avontuur. We moeten elk avond uit eten vanwege de stank. En omdat we nergens bij kunnen. Jeetje is bij opa en oma en heeft nauwelijks tijd om aan de telefoon te komen en wij hebben nauwelijks tijd om haar te missen.
Dat zeiden we gisteravond tegen elkaar. En toen zuchtten we. Jeetje. Ons Jeetje.
'Ze zal nu wel aan het slapen zijn,' zei man.
'Allang,' zei ik.
We staarden elkaar aan. Allebei zagen we Jeetje liggen. In bed. Op haar rug. Met haar armen en benen wijd en haar mond een klein stukje open. Natte haren in haar nek. Van het zweten. Keniarode wangen.
'Nog niet.'
'Het is soms alsof we nooit een Jeetje hebben gehad,' zei ik. 'Alsof we jaren zijn teruggeworpen in de tijd.'
'Zo snel gaat dat dus,' zei hij.
Met onze neuzen dichtgeknepen stonden we in de woonkamer. Waar alle meubelstukken van ons huis tijdelijk staan opgeslagen. En alle andere troep. Op de bank zonder stoffering liggen zolang dekens. Het blijft de vraag of we de gestoomde stof er ooit weer netjes omkrijgen. In de andere ruimtes - gang, keuken, kamer en suite (ex werkkamer) - zijn de vloeren geschilderd. Lichtgrijs. En rood. Keniarood. Voor het avontuur. We moeten elk avond uit eten vanwege de stank. En omdat we nergens bij kunnen. Jeetje is bij opa en oma en heeft nauwelijks tijd om aan de telefoon te komen en wij hebben nauwelijks tijd om haar te missen.
Dat zeiden we gisteravond tegen elkaar. En toen zuchtten we. Jeetje. Ons Jeetje.
'Ze zal nu wel aan het slapen zijn,' zei man.
'Allang,' zei ik.
We staarden elkaar aan. Allebei zagen we Jeetje liggen. In bed. Op haar rug. Met haar armen en benen wijd en haar mond een klein stukje open. Natte haren in haar nek. Van het zweten. Keniarode wangen.
Abonneren op:
Posts (Atom)