donderdag 10 september 2009

Op zoek naar een buik

'Voordat ik in jouw buik zat, was ik in de lucht.' Jeetje maakt een wijds armgebaar. 'Ik was overal.'
'O?'
'Ja, en toen viel ik in jouw buik.'
'Aha.'
'Misschien zit er nòg wel een kindje in de lucht,' zegt ze. 'Een broertje of zusje voor mij. En die komt dan in jouw buik terecht.'
'Of in die van papa.'
'Nee, papa's buik zit dicht. Die van jou is open.'
Ik staar naar de ochtendlucht. Overwegend grijs en bewolkt. Een eenzaam zwart vogeltje vliegt voorbij. Op zoek naar een buik die openligt.

woensdag 9 september 2009

Liefdesverklaring in de vroege ochtend

'Mama, ik vind je zo lief dat mijn stem oneindig in de bergen klinkt. En daarachter ligt de zee.
Ik vind je zóó lief tot aan het einde van de wereld en weer terug.'

Jeetje doet pogingen het onzegbare te benoemen. Het dichten zit in de mens.

dinsdag 8 september 2009

De eerste ouderavond

Klokslag zeven uur ben ik er. Ik had geen minuut later moeten zijn. Achter mij doet de juf de deur dicht. We zitten in de kring in Jeetjes klaslokaal, grote lijven op kleine stoeltjes dicht tegen elkaar aan, en we kijken naar de juf. Na een namenrondje, legt ze uit wat groep 1 en 2 zoals doet op een dag.
'Wij spélen niet, wij wèrken,' zegt de juf. 'Als ik een rood autootje op mijn tafel heb staan mag je mij niet storen. En als er een groen autootje staat, mag je mij wel iets vragen. Ik kan dat rode autootje natuurlijk niet de hele dag laten staan.'
De juf lacht. De ouders zwijgen.
Tijdens haar verhaal gaat de deur nog een paar keer open. Ouders glippen naar binnen. Met rode hoofden. Of er misschien nog een plaatsje voor hen is in de kring? Ze moeten eerst hun naam zeggen en kunnen dan in alle stilte een stoeltje kiezen.
'Te laat komen, werkt gewoon heel erg storend,' zegt de juf.
'Zijn er ook kinderen die niet geschikt zijn voor het montessorionderwijs?' vraagt een moeder.
'Ik denk alleen dat sommige óúders er niet geschikt voor zijn,' zegt de juf.
Het wordt doodstil in de kring.

maandag 7 september 2009

Dat is waar ook!

Vandaag zal ik te weten komen wie ik ben. En dat maakt me nerveus. Naar deze informatie ben ik al zo lang op zoek. Nu zal helderziende Joost het me gewoon recht in mijn gezicht vertellen. En dat zal ik dan zijn.
Wie weet wat voor duister gedrocht hij in mij zal herkennen.

Zodra ik uit de bus stap, betrekt de lucht, begint het te hozen en raak ik de weg kwijt. Een kwartier te laat sta ik, druipend, voor de deur van helderziende Joost en bedenk dat het universum natuurlijk had willen voorkomen dat ik mijn ware zelf leerde kennen. Nog voor ik me om kan draaien, zwaait de deur open.
Ik herken die mensen meestal aan hun ogen. Ik ben eigenlijk bang voor die ogen. In een menigte pik ik ze er zo uit. De helderzienden. Of de waanzinnigen. Meestal ontwijk ik ze. Maar op de een of andere manier trek ik ze ook altijd aan.

Het zou leuk zijn als hij mij een uitnodiging stuurde dacht ik nadat ik de stukjes gelezen had van de schrijvers die bij Joost hun energie hadden laten lezen. Het zou een geweldig excuus zijn om een helderziende te bezoeken. Uit mezelf zou ik zoiets nooit doen. Ik ben een nuchter mens. Maar in functie mag alles. Onder het mom van het schrijverschap, ben je vrij. En wat wil een schrijver liever dan ‘gelezen’ worden?
Een paar dagen later al kreeg ik een mail van Joost. Hij had het gevoel dat hij mij eens wou lezen. De horror.

Maar nadat ik de uitnodiging enthousiast beantwoord had, bleef het stil. Een paar weken later stuurde ik nog eens een voorzichtig berichtje. Weer niets.
Hij moest spijt hebben. Hij had natuurlijk doorgekregen dat ik binnenkort doodging. Zo’n man las niet alleen de woorden, maar vooral de ongeschreven, begeleidende boodschap. En hij had echt geen zin om mij het slechte nieuws te moeten vertellen. Ik betaalde hem er tenslotte niet voor en dat stukje zou ik niet eens meer kunnen schrijven.
Na de zomer, ik was nog onder de levenden, las ik het stukje van Willemijn Dicke en besloot ik hem nogmaals te schrijven.

In de deuropening staat helderziende Joost. Hij is opvallend slank en lang en heeft inderdaad van die ogen. Ze springen uit zijn gezicht omdat hij zijn haar gemillimeterd heeft. Achter hem aan loop ik naar binnen.
Occulte samenzweringen, praten met geesten en een vreemd glimlachende helderziende met ogen die licht geven en dwars door je heen kijken. Hoe je dan sidderend op je stoel zit. Hoe geheimen bovenkomen. Of hoe je een parallelle wereld in verdwijnt en daar dan haast niet meer uitkomt. Daar dacht ik aan.

Maar dat valt tegen. Het heeft iets gewoons. Iets natuurlijks. Misschien is het zelfs logisch wat hij doet. Al weet ik niet precies wat hij doet. Hij volgt wel een systeem. Aan de hand van een roos begint hij me te ontleden.
Ik voel me er zelfs vrij snel op mijn gemak. En dat in een klein, wit kamertje, met een vreemde jongeman recht tegenover me. Op nog geen meter afstand. Hij op sokken. Ik op sportschoenen. Hij met z’n ogen de meeste tijd dicht. Ik met m’n ogen open.
Ik zie het al eerder beschreven playmobilpoppetje fier rechtop tussen de stenen staan. Ik ruik de wierook waar ik bij collega’s over gelezen heb. Er brandt een kaarsje. Hij vraagt me inderdaad een paar keer mijn naam hardop te zeggen. En dan lacht hij met gesloten ogen en zegt: ‘Hallo.’ Hij legt uit wie ik ben. En ligt vaak in een deuk van het lachen om wie er daar voor zijn geestesoog verschijnt. Die ik dus ben.

Wie ik ben, valt me niet tegen. Ik ben in wezen veel leuker dan ik gedacht had. En als je het zo bekijkt, heb ik het best goed voor elkaar allemaal. Hoe meer hij vertelt over wie hij voor zich heeft zitten, hoe meer diegene in mij weer tot leven komt. Een veel levenslustiger, vrijer en speelser type dan ik was in de bus hiernaartoe. Dat is waar ook, denk ik regelmatig. Zo ben ik! Dat is waar ook! Hoe kon ik dat vergeten zijn? Waar was ik dan gebleven?
Ik snap alleen niet waarom er vaak van die naargeestige teksten uit mij komen. Dat is niks voor mij.

vrijdag 4 september 2009

Levenslust

1
Waar je in de provincie een vrijstaand huis met zeven kamers, zwembad, sauna, 3 hectare grond voor koopt, bezichtigden wij vanochtend onze nieuwe grootstedelijke bouwval. Die nooit de onze zal worden. Omdat we 'm alleen in onbewoonbare staat kunnen kopen.

2
Daarna reisde ik af naar de helderziende in Utrecht.
Ik bleek een heel vrolijk en levenslustig persoon te zijn. Dat heb ik vaker gehoord van mensen. Maar nu dacht ik; verrek!
Vol levensvreugde kwam ik daar dan ook van terug. (waarover later meer in een fatsoenlijk verslag)

3
'Ik wil een echt fototoestel en een pistool,' zei Jeetje (4) toen ik thuiskwam.
'Een pistool? Wat ga je daarmee doen?'
'Om de juf dood te schieten.'
'Tut, tut, tut.'
'En daarna jou en papa.'

donderdag 3 september 2009

Trend

1. Op verschillende blogs lees ik plotseling ontboezemingen over ziektes. En wat dat betekent voor de blogger in kwestie. Ik zie het als een trend. Dus hier gaan we.

2. Sinds mijn veertiende heb ik epilepsie en slik ik medicijnen. De dosis werd bij elk bezoek aan de neuroloog een beetje groter. Totdat ik de grootste dosis slikte en elke impuls die ik had, onderdrukt werd.
Neurologen kunnen nu eenmaal niet veel. Alleen maar meer medicatie voorschrijven. Ik verkeerde op zeer gespannen voet met het neurologen-soort.

3. Op mijn zeventiende heb ik twee weken in het ziekenhuis gelegen, ter observatie. Ik lag op een zaal met bejaarden die beroertes hadden gehad. Als ik 's nachts het toilet bezocht, duwden de oudjes op het belletje om de verpleging te melden dat ik weg was. Zij waren de enigen die mij observeerden.
Ik weet ook nog dat ik niet naar links mocht kijken omdat ik dan steeds inzage had in de oude vagina van mijn verwarde buurvrouw. Haar bed stond haaks op het mijne.

4. Op mijn negentiende dook ik het alternatieve circuit in en stopte ik abrupt met de medicijnen omdat de touch for health mevrouw aan mijn pols had gevoeld dat ik geen epilepsie had. Ik slikte bachbloesem remedies en droeg een blauwe steen op mijn rug, die ik bij volle maan in het maanlicht moest leggen. Om op te laden. Die steen heeft niet zo lang aan mijn bh bandje gehangen.

5 Op mijn twintigste verdronk ik, na een nachtelijke treinreis van Milaan naar huis, bijna in bad. Als ik niet gered was. Op mijn tweeëntigste viel ik met mijn gezicht in het kokend water. De rest van de aanvallen waren minder spectaculair. Ik kreeg ze gewoon in of rondom mijn bed. Soms iedere maand, soms bleven ze maandenlang weg.

6. Er gingen tijden voorbij waarin ik weleens een neuroloog raadpleegde, die me medicijnen voorschreef, die ik dan niet nam. Ook fietste ik eens wekenlang naar een homeopaat in Diemen die vroeger psychiater was geweest. Ik stopte met de bezoekjes toen hij me begon te vertellen over het uitverkoren Joodse volk. En over hoe vrouwen seks beleven.

7. Inmiddels neem ik alweer vijf jaar medicijnen. Ik wissel nog weleens van soort. Ik neem standaard de helft van wat voorgeschreven is. En het werkt goed. De relatie met mijn neuroloog is nihil. Ze switchen ook zo vaak van job. Ik heb steeds een andere. Dus dat went niet. In de boeken sta ik als lastige cliënt. Dat wordt steeds opnieuw doorgegeven.
Al doe ik nog zo vriendelijk, wat eenmaal in dat dossier staat, gaat nooit meer weg.

8 Toch bezoek ik ook tegenwoordig een Tjechische ayurvedische arts, die tevens neuroloog is, en die met Indiase kruiden de boel in het hoofd wellicht kan reguleren.

9 Ik dacht dat het niets voor mij betekende. Dat het, buiten dat het onhandig is, verder geen enkele invloed had op mij.

woensdag 2 september 2009

Lees!


Met bijdragen van Remco Campert, P.F. Thomése, Elke Geurts en Jay McInerney. Verder een voorpublicatie uit de zojuist verschenen verhalenbundel van Maartje Wortel, Dit is jouw huis, een interview met Robert Vuijsje en bijdragen over het nieuwe project van Conny Janssen Danst en het dichtwerk van Bart Chabot.