dinsdag 25 mei 2010

Over slapen

Het slaapt niet lekker met zo'n piepkleintje in een mandje naast je. Ze huilt niet, maar hikt, piept en kreunt de nacht door. Ze heeft een luidruchtig verteringsproces. Het gaat nog niet vanzelf. Het moet een afgrijselijk werk zijn voor zo'n lijfje. En als het geluid dan plotseling ophoudt, schiet ik rechtovereind en staar naar het lakentje waar ze onder ligt. Of er nog wel beweging in zit.
Tegen die tijd dat het zover is, - dat ze dus in een diepe, stille slaap weggezakt is - zal ze zeker binnen drie kwartier weer wakker worden met een vreselijke honger. Ik voel dat net iets eerder dan zij. We lopen nog synchroon, Deetje en ik. Nee, ik ben haar steeds een stapje voor. Ik weet dat ze over drie kwartier wakker gaat worden en in drie kwartier krijg ik niet genoeg slaap. Dus ik wacht die drie kwartieren in het donker. Ik wacht. De wereld slaapt. En als ik tegen de ochtend eindelijk in slaap dreig te vallen, hoor ik iets in het aangrenzende kamertje. De vijfjarige ontwaakt.
Even later kruipt Jeetje bij mij in bed en weerklinken de eerste smak-geluiden uit het rieten mandje.
'De kleine wijzer staat bij de zeven en de grote wijzer staat bij de twaalf,' zegt Jeetje.
'Je bent precies op tijd,' zeg ik.

maandag 24 mei 2010

De verlossing deel 3

'Voor het acht uur journaal, is het kind er', had ik gezegd en ik wist dat het zo zou gaan. Ik heb deadlines nodig.
De bevalkamer bleek dezelfde kamer als waar Jeetje geboren is. Ze hadden alleen de douche vernieuwd. Maar deze keer zou ik niet gaan douchen. Ik wilde het niet comfortabel maken. Want echt comfortabel zou het nooit worden. Gezellig al helemaal niet. Hoe gezelliger je het maakt, hoe langer het duurt. Ik wilde alleen maar pijn, veel pijn. Meer pijn. Er stond vanaf de ochtend van de vijfde mei maar een ding op het programma; kind eruit. Vandaag. Niet zeuren.
Een warme douche leidt af. Zoals ook het je ergeren aan co-assistenten, verloskundigen of wat voor mensen er dan ook de kamer in en uit lopen, niets dan het lekken van energie is. Dus ergerde ik me niet. Ook niet aan de mevrouw die de oergeluiden voor ging doen, die ik volgens haar zou moeten maken. Ik luisterde naar haar. Ik knikte. Ik kende mezelf haast niet terug met die concentratie. En vooral de verschrikkelijke vastberadenheid die in mij gevaren was. Grenzend aan waanzin.

Ik dacht: deze houding zou ik in het dagelijkse leven meer moeten hebben. Daar heb je wat aan. Daarna dacht ik: niet denken. Ook dat is verspilling van waar het werkelijk om draait. Ik keek op de klok. Ik ging door.

zondag 23 mei 2010

Oren

We liggen in bed. Er heerst volledige harmonie. We zijn omringd door onze slapende kinderen. Jeetje slaapt in de kamer en suite. En in het mandje naast mij ligt Deetje. We bespreken haar prachtige oortjes nog eens.
'Het zijn van die typische Murakami-oren,' zeg ik. 'Waar Murakami altijd over schrijft.'
'Ja,' zegt man. 'Ze zijn bijzonder. Ze hebben een complexe structuur. Anders dan doorsnee oren.'
'En die losse lelletjes dan,' zeg ik.
Man blijft me maar liefdevol aankijken. Ik kijk minstens zo lief terug.
'Jij hebt anders ook nog hele mooie oren,' zegt man. 'Je oren zijn niets dikker geworden. Je oren zijn gebleven zoals ze waren.' Hij krijgt tranen in zijn ogen. Van mijn oren. Die hij nog herkent van vroeger.

vrijdag 21 mei 2010

De verlossing deel 2

Er stonden drie mannen om mij heen in het CTG kamertje. Man, een blonde gynaecoloog van mijn leeftijd, hij leek op Wouter Bos, en een gynaecoloog in opleiding die als twee druppels water op de jonge Reinout Oerlemans leek. Meteen situeerde ik hem in een kroeg met een biertje in zijn hand en zijn vrindjes om zich heen.
'Doe uw broek maar uit,' zei Wouter glimlachend. 'En leg uw benen maar in de beugels.'
'Kan het licht wat minder fel?' vroeg ik. 'Het is de eerste keer in dit hele proces dat ik mijn broek uitdoe.'
De mannen knikten. Reinout dempte het tl-licht. Wouter deed zijn plastic handschoenen aan. Ik ontdeed mij van mijn onderkleding, spreidde mijn benen en legde ze in de beugels. Ik bleef de mannen om de beurt in de ogen kijken. Alledrie keken ze neutraal terug. Geen zweem van kroegpraat.
'Ik ga u toucheren,' zei Wouter en hij bewoog zijn gehandschoende vingers. 'Voelen of er al opening is.'
'Toucheert u maar,' zei ik.
'Schrikt u niet als het nog potdicht zit.'
'Ik heb die pijn niet voor jan lul gehad,' zei ik.
Wouter lachte en richtte zijn blik omlaag. Hij begon zijn werkterrein te ontginnen. Reinout keek af en toe netjes weg en af en toe gluurde hij mee. Man hield de boel in de gaten.
Toen Wouter na een tijdje opkeek, zei hij: 'Ik heb het hoofdje al gevoeld!'

Bij mijn vertrek naar de echte verloskamer, zei Wouter: 'Ik hoop dat u uw humor blijft behouden. Dat is heel belangrijk.'

donderdag 20 mei 2010

De verlossing deel 1

Op vijf mei waren we rond drie uur 's middags in het academisch medisch centrum. Omdat de zwaartekracht alleen maar bevorderlijk werkt, was ik naar de verlosafdeling komen lopen. In plaats van gerold te worden. Het ging moeizaam. Maar hoe moeizamer hoe beter. Ik wist dat het er in deze zaak om ging zoveel mogelijk pijn te hebben. En dat die pijn alleen maar erger moest worden. Totdat je dacht dat je stierf.

De mevrouw achter de balie verloskunde keek me aan, gaapte en mompelde tegen haar collega: 'Mevrouw Geurts is er al.'
Haar collega kwam uit haar glazen hokje gesloft en begeleidde me naar een kamertje. Ze wees naar het CTG apparaat.
'Ga maar liggen.' Ze zuchtte.
'Ik hoef niet aan zo'n ding,' zei ik. 'Ik kom om verlost te worden. Nu!'
'U besluit naar het ziekenhuis te komen.' Ze had een ernstig spraakgebrek.
'Niet voor niks,' zei ik.
'Hier leggen wij u eerst aan het CTG. Protocol.' Haar voortanden kwamen tot over haar onderlip. Grote, waterige ogen keken me aan vanachter brillenglazen. Mijlenver verwijderd van elke realiteit. Misschien had het AMC dit werk uitbesteed aan de minder begaafden. In het kader van bezuinigingen.
'Het kan uren duren voor er een gynaecoloog komt.' Ze articuleerde alsof ik hier de zwakzinnige was.
'Uren?' zei ik.
'Het is héél druk op de afdeling. Je zult moeten wachten.'
'Dan is het kind er al.'
Ze zweeg en koppelde me vast aan het apparaat. Ik kromp ineen toen ik ging liggen.
'U heeft al af en toe een harde buik?' vroeg ze.
Ik sloot mijn ogen om deze vrouw niet te hoeven zien. Ik sloot mijn ogen om haar te beschermen tegen mij. Ik had de ader in haar nek zien kloppen. Ik wilde hem doorbijten.

woensdag 19 mei 2010

Nuttig

'Je hebt op een gegeven moment niks meer te vertellen, hè,' zegt een overbuurvrouw (eind veertig). 'Als je een baby hebt, wordt je wereld zo klein.'
'Ik vind het ook best fijn dat ik even niks hoef.'
'Je kàn ook niks,' zegt de overbuurvrouw fijntjes. 'Je bent aan huis gekluisterd.'
'Ik zit veel op de bank. Met een boek erbij. Een drinkende baby op een kussen tegen me aan. En dan ben ik toch heel nuttig bezig,' zeg ik.
'O, jij wil wel nuttig bezig zijn?'
'Ik voel me nuttig ja.'
'Je maakt niets mee.'
'Ik heb toevallig net bedacht dat ik dat eens heel precies onder woorden zou gaan brengen,' zeg ik. 'Wat ik deze dagen meemaak. Op de vierkante centimeter.'
'Ja, voor jou is een uitje naar een supermarkt al een héél event.'
Ik lach.
De overbuurvrouw kijkt me aan met samengeknepen oogjes en rood geverfde lippen. Hooggehakt. Glimmend paarse lakjas. Wat wil ze van mij? Het is exact twee weken na de komst van Deetje. Me dunkt. Of er niet heel wat gebeurt.
'Ik had er zelf ook nog wel eentje bij willen hebben,' zegt ze zacht.

dinsdag 18 mei 2010

Tussen de molligen

Bij toeval zag ik dat er op recensieweb een bespreking van Lastmens stond. Een recensie uit een andere wereld dan die waar ik momenteel in verkeer. Een bericht uit een parallel universum. Hoewel het nu eventjes lijkt of alles weer normaal is. Man en Deetje brengen Jeetje naar school. Ik ben alleen thuis en zet mijn computer aan. Zoals vroeger. Maar deze dag zal hooguit een kwartier duren.

Ik was ook alleen in de Albert Heijn. Voor het eerst in negen maanden. Totaal op mezelf. Er liepen een paar pas bevallen moeders. Hun kinderwagens stonden overal in de weg. Hun baby's maakten smakgeluidjes. De moeders hielden zich in en doorkruisten de zaak doelgericht. Met snelle pas. Ik had er niets mee te maken.
Ook spotte ik een paar zwangeren. Met hun buik trots naar voren gestoken, liepen zij onafhankelijk van elkaar dezelfde waggelmars. En toen ik hen passeerde met een mand vol zware spullen, wierp geen van hen mij een blik van verstandhouding toe.
Ik was alleen. Een doodgewoon persoon. Een beetje mollig misschien. Maar hierin was ik geen uitzondering. Daar stond ik. In de lange rij voor de kassa, tussen de andere molligen.