maandag 7 juni 2010

Zaterdagidylle

Er staat een zwembad op het trottoir en een caravan op de parkeerplek waarin al uren gespeeld wordt. Kleuters en peuters sjouwen emmers water af en aan om de bus van de buurman met sponsjes te wassen. Volwassenen hangen tegen het fietsenrek, zitten op een stoeltje, of op de smalle grasstrook naast het rozenperkje - net niet in de goot. Het krioelt van de kindjes in zwembroekjes die naar alle grote mensen even goed luisteren, of even goed niet luisteren. Iemand smeert Jeetje in met zonnebrand. Deetje ligt te slapen in de kinderwagen. Er worden perenijsjes verdeeld, een schaal met boterhammen gaat rond en als ik chips gehaald heb, eten de kinderen chips van het dienblad. In een kringetje met hun blote voeten op de stoeprand.
Op de straat staan oranje pionnen. Om het verkeer te waarschuwen.
'Het maakt kinderen niet uit waar ze spelen,' zegt een voorbijganger. 'Of het nou een grote tuin is of zo tussen de geparkeerde auto's. Dit is waar het om gaat.'
Wij knikken.
En als we zo rondkijken, wijst niets erop dat we hier over een maand weg zijn. En wij hier voortaan niet meer aan deel zullen nemen. Zo'n toevallig ontstane zaterdagidylle.

vrijdag 4 juni 2010

Schaduwmensen

De voordeurbel gaat.
'We doen niet open, Jeetje,' fluister ik.
Ik weet wel wie het zijn. Het is vrijdagmiddag na school- en werktijd, de kinderen spelen buiten met skateboards en emmers water. Hun ouders zitten op het trottoir met bellen wijn en Franse kaasjes. Wij zijn binnen.
De bel gaat weer. Jeetje staat op een stoel voor het aanrecht en houdt haar hoofd onder de kraan. Voor ze van de stoel kan springen, heb ik haar al tegengehouden.
'Maar ik wil ook spelen,' zegt ze.
'Dat kan nu niet,' fluister ik. 'Dat begrijp je toch wel.'
'Waarom niet?'
'Ik ben met je bezig.'
'Mag het daarna?'
'Misschien kan het straks,' fluister ik. 'Straks '
Met een dikke laag crèmespoeling plamuur ik Jeetjes hoofd. Zwijgend begin ik te kammen met een klein kammetje. Van links naar rechts. Van onderen naar boven. Bij de slapen. Het achterhoofd. En dan weer van voren af aan. Vanaf de zonnige zijde van de straat klinken vrolijke kinderstemmen, het gerinkel van de glazen, het kraken van zakken chips. Gelach.
'Is het nu klaar?' zegt Jeetje na een hele tijd.
'Nee, de speciale spoeling moet nog,' fluister ik. 'Jij blijft binnen.'
Als ik daarmee klaar ben, pak ik mijn portemonnee, mijn fietssleutel en haast me het huis uit. Op weg naar de apotheek voor nog meer van dat stinkspul. Zodra ik de voordeur achter me dichttrek, kijkt een muur van buren me aan. Hun gezichten schitteren in het zonlicht. Ik sta alleen aan de schaduwkant van de straat.
'Hohoi!' roep ik naar de overkant en krab achter mijn oor.
'Is Jeetje niet thuis?' roept een moeder. Volgens mij is die al behoorlijk tipsy.
'Jawel, hoezo?'
'Mijn dochtertje wil met haar spelen.'
'O.'
'Ik had al een paar keer aangebeld. Heb je dat niet gehoord?'
'Nee.'
'Komt ze naar buiten?'
'Ze kan nu helaas niet,' zeg ik.
'Wat zeg je?'
'Ze is bezig.'
'Mijn dochtertje wil met haar spelen.'
'Ze zit toevallig net in bad,' roep ik. 'In bad!'
'NU?'
'Vindt ze fijn. Na schooltijd. Lekker ontspannen.'
Ze houden allemaal op met drinken. De kinderen spelen niet meer. Een gezamenlijke buurmuur staart me aan.
'Ze komt straks misschien nog wel,' mompel ik en pak mijn fiets vast.
'Hoi! Ik heb luizen!' Jeetje is bij mij komen staan. In een jurkje. Met haar natte haar. Breed lachend rent ze de weg over. Luid scanderend: 'ik heb luizen, ik heb luizen!'

donderdag 3 juni 2010

Vluchtige boekenbranche

Het boek is in alle serieuze kranten en tijdschriften gerecenseerd en vrijwel overal is het uitstekend bevonden. Tot zover: missie geslaagd. Ik krijg mails van lezers die het mooi vonden en sommigen moesten huilen bij het laatste verhaal. Nu is mensen laten huilen wel altijd een wens van mij geweest. Dus: ik blij. Maar nu: drie maanden nadat het uitkwam, is het boek opgelost in de boekenmassa. Het ligt niet meer prominent in de schappen. Het is van de tafels verdwenen. De voorraad raakt op en wordt waarschijnlijk niet meer bijgevuld. De laatste exemplaren staan nog dapper bij de 'g'. Zo gaat dat met boeken.
Ze zijn een kwartaal houdbaar. Het boek heeft twee keer zoveel aandacht gehad als mijn debuut, dat al veel aandacht kreeg van de pers. En ikzelf heb ook twee keer zoveel aandacht gehad, waar er bij mijn debuut nul aandacht was voor mijn persoon. Deze keer zijn er foto's gemaakt, een paar interviews weggegeven, ik zat met mijn dikke kop in een tv programma. Maar ik twijfel eraan of de verkoop ook verdubbeld is. En dat is echt niet veel gevraagd: verdubbeling. Zelfs als het vijf keer zo veel is, is het nauwelijks rendabel. Het argument: 'het is een verhalenbundel.' En: 'het moet zichzelf verkopen.'
Ik weet dat de marktwaarde van mijn laatste boek groter is. Het is toegankelijker. Directer. Er is meer publiek voor. En dan heb ik het nog over een bescheiden publiek. Maar als niemand weet dat het boek bestaat, bereik je zelfs dat niet.
Dus wat mij (iedere schrijver) te doen staat: bestseller schrijven. Alleen dan is er geen ontkomen aan.

dinsdag 1 juni 2010

Dank je wel

Jeetje heeft moeite met 'dank je wel' zeggen als ze een cadeautje krijgt of als iemand haar een gunst verleent waarvoor een dankbetuiging niet meer dan normaal is. Ook krijgt ze 'sorry' haast niet uit haar strot. Een onverstaanbaar gefluister is het hoogst haalbare.
'Het geef helemaal niets,' zeg ik haar, 'het is ook lastig om iets goed te ontvangen. Ik heb het ook moeten leren. Zélfs ik vind het nog steeds niet makkelijk om 'dank je wel' te zeggen.' (Om over 'sorry' nog maar te zwijgen. Gelukkig hebben we het daar niet over.)
'Nee!' zegt Jeetje. 'Jij begint altijd heel raar te lachen als iemand jou iets geeft.'
En Jeetje (net 5) doet mij na. Ze giechelt mijn lachje - 'hi,hi,hi' - met haar hand half voor haar mond. Een ongemakkelijke grijns. Met opgetrokken schouders. Heen en weer schietende ogen.
Hierna doet ze haar armen over elkaar en kijkt mij aan.

maandag 31 mei 2010

HP de Tijd recensie

Ja, en er stond een fijne recensie in de HP de Tijd. Die van twee weken geleden inmiddels al.
Dubbelklik op de afbeelding.

'Van alle treurige familieverhalen die er op de wereld zijn, is dit waarschijnlijk het treurigste...'

De ene of de andere

'Ik ga buiten spelen!' zegt ze. De voordeur slaat dicht. Jeetje had buurtkinderen op de stoep gezien en was niet meer te houden.
Kom terug, wil ik roepen, Jeetje kom terug! Ik zit binnen met de baby op mijn arm. Die al naar me aan het lachen is. Haar ogen worden halve maantjes van de pret.
Voor de komst van Deetje zat ik altijd op het bankje voor het huis als Jeetje buiten was. Nu speelt ze al voor de zoveelste keer in de straat zonder ouderlijk toezicht. Ja, ik kijk af en toe door het raam of ze wel uitkijkt bij het oversteken.
Vanachter het raam, met de lieve, lachende baby op mijn arm, zal ik ook precies kunnen zien hoe Jeetje geschept wordt. Door die idioot die zo hard door onze straat scheurt. En er komen steeds meer idioten. Hebben we een piepkleine dochter erbij, zul je net zien dat die grote wegvalt.

En als Jeetje weer heelhuids binnen is, we samen boterhammen eten, en het heel stil blijft in mijn voormalige schrijfkamer, vrees ik voor het leven van mijn hele kleintje.
Jeetje vertelt mij verhalen, terwijl ik door de muur heen voel hoe Deetje aan het wegzakken is in een diepe, steeds diepere, slaap. Tot ze de ijskoude ondergrens nadert. Deetje! wil ik roepen. Deetje blijf hier!

Zo ontglippen mij mijn kinderen. Terwijl ik oplet. Ongelukken zitten in kleine hoekjes. Er zijn ook verdacht veel schrijvers met dode kinderen.

zondag 30 mei 2010

Zo moeder, zo dochter.

Het laatste stoplicht voor ik thuiskom van mijn eerste twee-en-een-half uur alleen in de Hema en aanverwante winkels in de Pijp. Op de scooter voor me zit een vrouw wier lichaam overhelt als overvolle voor-achter-zadel-en zijtassen. Ze heeft een klein geblondeerd staartje, waardoor haar hoofd nog boller lijkt dan het is. Haar gezicht is rood. Ze draagt een te krappe leren jas met gouden details en een zwarte driekwart legging. Haar plastic slippers snijden in het vlees van haar voeten. Tussen haar lippen zit een sigaret. Ze blaast de rook naar achteren. In het gezicht van haar evenbeeld. Een kleine, exacte kopie van een jaar of tien. Ze drukt haar rode wangen tegen haar moeders rug. In haar hand een puntzak brownies. Dromerig staart ze naar opzij terwijl haar kaken kauwen. Tevreden. Zoals Deetje tevreden is, als tegen mij aan ligt te drinken.
Het licht springt op groen. De scooter trekt nauwelijks op. De banden zijn slap. Bijna lek.