Met Jeetje (5) voer ik van die wereldse gesprekken...
'Wat is een Indiaan precies.?'
'Een mens natuurlijk.'
'Waarom noemen ze dat dan niet gewoon een mens?'
'Een Indiaan noemen ze óók mens, maar...'
'Is een Indiaan gevaarlijk?'
'Nee, want...'
'Waar komen Indianen vandaan? En leven ze nog?'
...terwijl ik met Deetje (3,5 maand) samen voor de spiegel sta.
Deetje vergaapt zich. Elke keer als ze het kleine meisje ontdekt, lacht ze verheugd. Het meisje in de spiegel lacht al even verheugd terug. Deetje schatert. Het meisje schatert ook. Deetje strekt haar armpjes om het meisje te pakken te krijgen. Ze buigt zich naar voren totdat ze met haar neus tegen de koude spiegel aankomt. Haar eigen, grote ogen kijken terug.
dinsdag 31 augustus 2010
maandag 30 augustus 2010
Dit is allemaal lucht.
'Vroeger dachten de mensen dat ze van de wereld af konden vallen, hè? Omdat ze dachten dat-ie plat was.' Zo begint Jeetje (5) haar maandagochtend.
'Helemaal correct!'
'Maar als de aarde rond is, waarom vallen we er dàn eigenlijk niet af?' Jeetje houdt een cirkel van karton omhoog en trippelt met haar vingers over de rand.
'Omdat we een soort magneetjes zijn.'
'Dat snap ik dus niet.'
'De aarde is magnetisch. We worden er altijd weer naartoe getrokken. We zitten vast.'
Jeetje begint op en neer te springen op de grond. 'Ik zit niet vast hoor,' roept ze. 'Kijk maar, ik zit niet vast.'
'Jawel,' zeg ik, 'je wordt iedere keer toch weer naar beneden getrokken? Alleen een raket kan van de aarde losraken.'
'En een vliegtuig ook,' zegt Jeetje.
'Een vliegtuig komt niet echt van de aarde los. Vogels ook niet. Ze kunnen wel hoog in de lucht vliegen, maar ze komen niet in de ruimte terecht.'
'Wat is de ruimte?'
'Tja.' Ik wapper mijn armen door de lucht. 'De ruimte is oneindig groot. Daar zweven allemaal planeten. Wij zweven in de ruimte.'
Jeetje kijkt mij aan.
'De aarde is een planeet in de ruimte,' zeg ik. 'En daar zijn er miljoenen van. We kennen ze niet eens allemaal.'
'O, dat weet ik allang. De zon en de maan dat zijn ook planeten. Dat zijn vuurballen,' zegt Jeetje.
'We weten niet of er ergens anders ook een soort van aarde is, waar misschien mensen wonen zoals wij. Daar willen we wel graag achterkomen. Daarom maken we raketten en die schieten we de ruimte in om uit te vinden of er nog leven is.'
'Maar waarom kan een raket dan wel vliegen en wij zelf niet?'
'Eh..Een raket heeft een hele grote motor en die kan recht omhoog vliegen. Mensen kunnen alleen maar in een raket als ze heel veel lucht meenemen. Ze kunnen nooit uit de raket.'
'Mogen ze ook niet héél even met hun hoofd uit het raampje. Om te kijken.'
'Nee, nee. Er zitten helemaal geen raampjes die open kunnen in een raket. Mensen hebben zuurstof nodig. Lucht.'
'Maar wat ìs lucht nou eigenlijk?' vraagt Jeetje dan.
Ik wapper mijn armen nog maar eens in het rond. 'Dit is allemaal lucht.'
'Er zit allemaal lucht tussen ons.'
'Ja.'
Jeetje probeert eerst met haar handen de lucht te voelen die tussen ons zit. Dan zet ze haar lichaam in. Tot ze haar neus tegen mijn neus duwt.
'Ik merk niks van de lucht,' zegt ze tenslotte.
'Helemaal correct!'
'Maar als de aarde rond is, waarom vallen we er dàn eigenlijk niet af?' Jeetje houdt een cirkel van karton omhoog en trippelt met haar vingers over de rand.
'Omdat we een soort magneetjes zijn.'
'Dat snap ik dus niet.'
'De aarde is magnetisch. We worden er altijd weer naartoe getrokken. We zitten vast.'
Jeetje begint op en neer te springen op de grond. 'Ik zit niet vast hoor,' roept ze. 'Kijk maar, ik zit niet vast.'
'Jawel,' zeg ik, 'je wordt iedere keer toch weer naar beneden getrokken? Alleen een raket kan van de aarde losraken.'
'En een vliegtuig ook,' zegt Jeetje.
'Een vliegtuig komt niet echt van de aarde los. Vogels ook niet. Ze kunnen wel hoog in de lucht vliegen, maar ze komen niet in de ruimte terecht.'
'Wat is de ruimte?'
'Tja.' Ik wapper mijn armen door de lucht. 'De ruimte is oneindig groot. Daar zweven allemaal planeten. Wij zweven in de ruimte.'
Jeetje kijkt mij aan.
'De aarde is een planeet in de ruimte,' zeg ik. 'En daar zijn er miljoenen van. We kennen ze niet eens allemaal.'
'O, dat weet ik allang. De zon en de maan dat zijn ook planeten. Dat zijn vuurballen,' zegt Jeetje.
'We weten niet of er ergens anders ook een soort van aarde is, waar misschien mensen wonen zoals wij. Daar willen we wel graag achterkomen. Daarom maken we raketten en die schieten we de ruimte in om uit te vinden of er nog leven is.'
'Maar waarom kan een raket dan wel vliegen en wij zelf niet?'
'Eh..Een raket heeft een hele grote motor en die kan recht omhoog vliegen. Mensen kunnen alleen maar in een raket als ze heel veel lucht meenemen. Ze kunnen nooit uit de raket.'
'Mogen ze ook niet héél even met hun hoofd uit het raampje. Om te kijken.'
'Nee, nee. Er zitten helemaal geen raampjes die open kunnen in een raket. Mensen hebben zuurstof nodig. Lucht.'
'Maar wat ìs lucht nou eigenlijk?' vraagt Jeetje dan.
Ik wapper mijn armen nog maar eens in het rond. 'Dit is allemaal lucht.'
'Er zit allemaal lucht tussen ons.'
'Ja.'
Jeetje probeert eerst met haar handen de lucht te voelen die tussen ons zit. Dan zet ze haar lichaam in. Tot ze haar neus tegen mijn neus duwt.
'Ik merk niks van de lucht,' zegt ze tenslotte.
vrijdag 27 augustus 2010
Ik, klassenouder.
'Ben jij de moeder van Jeetje?' Als ik de klas uit wil lopen, trekt de meester mij aan mijn regenjas.
Ik knik.
'Wil jij klassenouder worden?'
'Klassenouder?'
'Dingen organiseren voor de ouders en zo.'
'Oh, eh organiseren is toevallig niet mijn sterke kant.'
'Samen met de moeder van Eetje. Dat maakt het minder zwaar.'
'Is het zo'n zware taak dan?'
'Nou ja, als je het deelt wordt het altijd lichter natuurlijk.' De meester lacht.
'Ik ben liever luizenmoeder,' mompel ik. 'Dat is overzichtelijker.'
'Ik hoor het vanmiddag wel,' zegt de meester. 'Bedankt!'
En hij sluit de deur van de klas. Na twee mislukte pogingen het immense schoolgebouw uit te komen, loop ik de derde keer goed.
Ik knik.
'Wil jij klassenouder worden?'
'Klassenouder?'
'Dingen organiseren voor de ouders en zo.'
'Oh, eh organiseren is toevallig niet mijn sterke kant.'
'Samen met de moeder van Eetje. Dat maakt het minder zwaar.'
'Is het zo'n zware taak dan?'
'Nou ja, als je het deelt wordt het altijd lichter natuurlijk.' De meester lacht.
'Ik ben liever luizenmoeder,' mompel ik. 'Dat is overzichtelijker.'
'Ik hoor het vanmiddag wel,' zegt de meester. 'Bedankt!'
En hij sluit de deur van de klas. Na twee mislukte pogingen het immense schoolgebouw uit te komen, loop ik de derde keer goed.
donderdag 26 augustus 2010
Ruimte
Op het schoolplein stond hij. Met zijn armen over elkaar. Benen licht gespreid. Als een pilaar in de wind. Ik herkende de vader nog van de wal. Een hippe kunstenaar. We brachten onze kinderen ooit naar dezelfde crèche. Toen spraken we elkaar nooit. Nu waadde ik door de andere ouders, op hem af.
'Jullie ook hier?'
'Al anderhalf jaar.'
'En?'
'Je moet er een jaar voor uittrekken. Dan slijt het. Wees maar gerust, het slijt.'
'Wat slijt?'
'Na een jaar ben je er aan gewend dat je hier woont.'
'Nog elf maanden.'
'Er zitten zeker voordelen aan,' zei hij traag.
'De ruimte,' reciteerde ik. Het woord 'ruimte' was een mantra geworden. Het galmde door de straten. Het weerklonk in alle huizen. Iedereen was hier komen wonen vanwege de ruimte en nergens anders om.
'Als de kinderen maar gelukkig zijn, dat is voor mij het allerbelangrijkste,' zei de vader.
'Natuurlijk,' zei ik. 'Natuurlijk, natuurlijk. Absoluut.'
Elke dag kreeg ik een paar keer bezoek van hem.In het begin deed ik de voordeur nog gewoon open als de bel ging. Stond daar een jongetje met halflang bruin haar. Hij haalde zijn speen uit zijn mond en keek omhoog. Naar mij. Ik keek omlaag. Naar hem. Hij droeg een donkerrood luierpakje.
'Ik dorst,' zei hij, 'jij drinken voor mij?'
Of hij lispelde: 'Ik verstoppen. Jij zoeken.' Hij stapte al naar binnen. Ik gaf hem een glaasje water. Daarna verstopte hij zich. Tegenwoordig liet ik hem net zolang op zijn verstopplek zitten tot hij begon te roepen. 'Hier zit ik. Hier zit ik.'
Of ik deed niet open. Het zou wel weer zo'n peuter zijn. Ik zie ze hier overal; aanbellende peuters. De bellen zitten niet voor niets op een halve meter hoogte.
De vader en ik stonden nog een tijdje zwijgend naast elkaar, tot de schooldeuren opengingen en het plein vol met kinderen stroomde. Even later de straten. En de huizen.
'Jullie ook hier?'
'Al anderhalf jaar.'
'En?'
'Je moet er een jaar voor uittrekken. Dan slijt het. Wees maar gerust, het slijt.'
'Wat slijt?'
'Na een jaar ben je er aan gewend dat je hier woont.'
'Nog elf maanden.'
'Er zitten zeker voordelen aan,' zei hij traag.
'De ruimte,' reciteerde ik. Het woord 'ruimte' was een mantra geworden. Het galmde door de straten. Het weerklonk in alle huizen. Iedereen was hier komen wonen vanwege de ruimte en nergens anders om.
'Als de kinderen maar gelukkig zijn, dat is voor mij het allerbelangrijkste,' zei de vader.
'Natuurlijk,' zei ik. 'Natuurlijk, natuurlijk. Absoluut.'
Elke dag kreeg ik een paar keer bezoek van hem.In het begin deed ik de voordeur nog gewoon open als de bel ging. Stond daar een jongetje met halflang bruin haar. Hij haalde zijn speen uit zijn mond en keek omhoog. Naar mij. Ik keek omlaag. Naar hem. Hij droeg een donkerrood luierpakje.
'Ik dorst,' zei hij, 'jij drinken voor mij?'
Of hij lispelde: 'Ik verstoppen. Jij zoeken.' Hij stapte al naar binnen. Ik gaf hem een glaasje water. Daarna verstopte hij zich. Tegenwoordig liet ik hem net zolang op zijn verstopplek zitten tot hij begon te roepen. 'Hier zit ik. Hier zit ik.'
Of ik deed niet open. Het zou wel weer zo'n peuter zijn. Ik zie ze hier overal; aanbellende peuters. De bellen zitten niet voor niets op een halve meter hoogte.
De vader en ik stonden nog een tijdje zwijgend naast elkaar, tot de schooldeuren opengingen en het plein vol met kinderen stroomde. Even later de straten. En de huizen.
woensdag 25 augustus 2010
Woorden als houvast
Wij wonen op een eiland, dus het waait hier veel. Bijna altijd. Maar gisteren bevond ik mij - als enige bovenop de Nescio brug - in een vliegende storm. Met mijn moderne, groene wandelwagentje. Modern = lichtgewicht. Ik keek omlaag. Nog één zo'n verraderlijke vlaag en mijn wagentje zou opstijgen. Ik zag mijzelf er achteraan duiken. Hoe ik in het donkergrijze water met witte schuimkoppen zwom, zoekend naar mijn baby. Terwijl de stem van mijn vader in mijn oren echoode: 'Hebben ze jou dat reddingsdiploma zomaar gegeven? Is dat dan ook alweer niets waard?'
Vanaf het eiland volgden de bewoners ons met hun verrekijkers. Een stipje op een grote witte hangbrug. Alleen nieuwelingen begingen zo'n fout. De wal was nog ver weg.
Mijn handen omklemden het stuur. De vingers van de baby hielden het groene dekje stevig vast. Alsof ze het voorvoelen. Mijn voeten zette ik dwars op het asfalt. Ik kneep mijn ogen dicht, deed een betonblok na en herinnerde mij de woorden van mijn Ayurvedische arts: ' Als het waait, moet jij binnenblijven. Storm is funest voor jou. Dan waaiert jouw geest uit. Dan loop jij het gevaar uit elkaar te vallen.'
Aan die woorden had ik nu ook al niets.
Vanaf het eiland volgden de bewoners ons met hun verrekijkers. Een stipje op een grote witte hangbrug. Alleen nieuwelingen begingen zo'n fout. De wal was nog ver weg.
Mijn handen omklemden het stuur. De vingers van de baby hielden het groene dekje stevig vast. Alsof ze het voorvoelen. Mijn voeten zette ik dwars op het asfalt. Ik kneep mijn ogen dicht, deed een betonblok na en herinnerde mij de woorden van mijn Ayurvedische arts: ' Als het waait, moet jij binnenblijven. Storm is funest voor jou. Dan waaiert jouw geest uit. Dan loop jij het gevaar uit elkaar te vallen.'
Aan die woorden had ik nu ook al niets.
dinsdag 24 augustus 2010
Te moeilijk onderwerp.
'Anne Frank zag die boom altijd uit haar raam. Die boom is vandaag dus omgewaaid.'
'Maar wie was Anne Frank dan?' vraagt Jeetje
'Een Joods meisje dat daar ondergedoken zat met haar ouders. Toen het oorlog was. Ze hield een dagboek bij en schreef over de boom.'
'Wat is een dagboek?'
'Daarin kun je elke dag schrijven hoe je je voelt. En wat je allemaal gedaan en gezien hebt. Anne Frank had niet zoveel gezien omdat ze vier jaar lang niet naar buiten mocht. Dus schreef ze veel over die boom.'
'Waarom was ze dan gedoken?'
'Onder-gedoken.'
'Wat is ondergedoken?'
'Verstopt. Met haar hele familie. Niemand mocht hen zien.'
'Waarom niet?'
'Omdat ze Joods waren. In die tijd pakten ze alle Joden op en die werden ..eh..gevangen genomen. Daarom probeerden ze zich te verstoppen.'
'Wat zijn Joden?'
'Dat zijn gewoon mensen. Er bestaan verschillende soorten mensen. Rassen noem je dat. Er zijn Afrikaanse mensen, Chinese mensen en ook Joden.'
'Maar waarom werden ze dan gevangen genomen?'
'Er was een meneer - een dictator - die hield niet van Joden en hij besloot ze allemaal op te laten pakken. Hij wilde ze dood maken. Die meneer woonde in Duitsland en was helemaal gek.'
'Maar hoe maakte hij ze dood? Gaf hij ze geen eten?'
Ook kreeg ik tijdens dit gesprek nog de vraag: 'Waarom is de familie Frank dan verraden?'Niet nadat ik de vraag: 'Wat is verraad?' had moeten beantwoorden.
Ik zag Jeetjes ogen steeds groter worden. Na een plaatje van de omgevallen boom, wilde ze per se een foto van de meneer zien. Zo bekeek ik afbeeldingen van Adolf Hitler met mijn vijfjarige dochtertje. Mij naarstig afvragend hoe - en wanneer - ik het beste een bruggetje kon maken naar een ander onderwerp.
'Maar wie was Anne Frank dan?' vraagt Jeetje
'Een Joods meisje dat daar ondergedoken zat met haar ouders. Toen het oorlog was. Ze hield een dagboek bij en schreef over de boom.'
'Wat is een dagboek?'
'Daarin kun je elke dag schrijven hoe je je voelt. En wat je allemaal gedaan en gezien hebt. Anne Frank had niet zoveel gezien omdat ze vier jaar lang niet naar buiten mocht. Dus schreef ze veel over die boom.'
'Waarom was ze dan gedoken?'
'Onder-gedoken.'
'Wat is ondergedoken?'
'Verstopt. Met haar hele familie. Niemand mocht hen zien.'
'Waarom niet?'
'Omdat ze Joods waren. In die tijd pakten ze alle Joden op en die werden ..eh..gevangen genomen. Daarom probeerden ze zich te verstoppen.'
'Wat zijn Joden?'
'Dat zijn gewoon mensen. Er bestaan verschillende soorten mensen. Rassen noem je dat. Er zijn Afrikaanse mensen, Chinese mensen en ook Joden.'
'Maar waarom werden ze dan gevangen genomen?'
'Er was een meneer - een dictator - die hield niet van Joden en hij besloot ze allemaal op te laten pakken. Hij wilde ze dood maken. Die meneer woonde in Duitsland en was helemaal gek.'
'Maar hoe maakte hij ze dood? Gaf hij ze geen eten?'
Ook kreeg ik tijdens dit gesprek nog de vraag: 'Waarom is de familie Frank dan verraden?'Niet nadat ik de vraag: 'Wat is verraad?' had moeten beantwoorden.
Ik zag Jeetjes ogen steeds groter worden. Na een plaatje van de omgevallen boom, wilde ze per se een foto van de meneer zien. Zo bekeek ik afbeeldingen van Adolf Hitler met mijn vijfjarige dochtertje. Mij naarstig afvragend hoe - en wanneer - ik het beste een bruggetje kon maken naar een ander onderwerp.
maandag 23 augustus 2010
Zin!!
Ik heb - na maanden - eindelijk weer zin! Lust! Het jeukt! Of nou ja: er is weer wat ruimte voor. Dat voel ik. In mijn hoofd. In mijn lijf.
Feitelijk begon het afgelopen zaterdag. Met het lezen van het artikel van Arnon Grunberg in NRC. Over zijn moeder die in het ziekenhuis is beland. Hoe hij alles wat er gebeurt in zijn leven gebruikt. Schaamteloos gebruikt. Dat is heerlijk. Dat is vrijheid. En hij doet het met schwung. Daarna las ik de nieuwe verhalenbundel van Remco Campert. Om vijf uur in de middag.
Het ziet er zo licht uit. Zo simpel. De woorden sprankelen. De personages die nooit tot hun kern komen maar daar eeuwig omheen cirkelen.
Ik ben me aan het verheugen op het nieuwe boek van Esther Gerritsen. Superduif. Dat komt begin september uit, maar ik zal het eerder in handen hebben. Misschien wel vandaag. Als het een keertje ophoudt met regenen. 'Bonnie weet al op jonge leeftijd dat ze voorbestemd is om uit te stijgen boven de middelmaat. Op haar elfde springt ze over een tuinhekje, en een aantal seconden blijft ze zweven. Niet veel later ziet ze hoe haar lichaam transformeert tot een gigantische, oerlelijke duif.'
Ik wil weten hoe dat verder gaat. Hoe ze dat oplost of beter gezegd inlost. Ik las een voorpublicatie. Het lezen van haar boeken inspireert. Omdat het plezier er van af spat. Zoals bij Grunberg, zoals bij Campert.
Verder kijk ik uit naar de eerste roman van Sanneke van Hassel. Nest die deze week gepresenteerd wordt. Haar precieze taalgebruik. De minitueuze beschrijvingen van concrete zaken. Er zal nooit met woorden geknoeid worden. Daar heb ik behoefte aan. Hier een voorproefje. Ik wil heel graag lezen hoe zij na twee verhalenbundels een roman in elkaar gezet heeft.
Twee weken geleden wilde ik beginnen aan Eline Vere van Couperus. Maar daar was het toen nog te vroeg voor. Ik viel bij de beschrijving van het tableaux vivant al op de bank in slaap.
'Hoofdpijn', mompelde ik. 'Ik heb hoofdpijn.'
Feitelijk begon het afgelopen zaterdag. Met het lezen van het artikel van Arnon Grunberg in NRC. Over zijn moeder die in het ziekenhuis is beland. Hoe hij alles wat er gebeurt in zijn leven gebruikt. Schaamteloos gebruikt. Dat is heerlijk. Dat is vrijheid. En hij doet het met schwung. Daarna las ik de nieuwe verhalenbundel van Remco Campert. Om vijf uur in de middag.
Het ziet er zo licht uit. Zo simpel. De woorden sprankelen. De personages die nooit tot hun kern komen maar daar eeuwig omheen cirkelen.
Ik ben me aan het verheugen op het nieuwe boek van Esther Gerritsen. Superduif. Dat komt begin september uit, maar ik zal het eerder in handen hebben. Misschien wel vandaag. Als het een keertje ophoudt met regenen. 'Bonnie weet al op jonge leeftijd dat ze voorbestemd is om uit te stijgen boven de middelmaat. Op haar elfde springt ze over een tuinhekje, en een aantal seconden blijft ze zweven. Niet veel later ziet ze hoe haar lichaam transformeert tot een gigantische, oerlelijke duif.'
Ik wil weten hoe dat verder gaat. Hoe ze dat oplost of beter gezegd inlost. Ik las een voorpublicatie. Het lezen van haar boeken inspireert. Omdat het plezier er van af spat. Zoals bij Grunberg, zoals bij Campert.
Verder kijk ik uit naar de eerste roman van Sanneke van Hassel. Nest die deze week gepresenteerd wordt. Haar precieze taalgebruik. De minitueuze beschrijvingen van concrete zaken. Er zal nooit met woorden geknoeid worden. Daar heb ik behoefte aan. Hier een voorproefje. Ik wil heel graag lezen hoe zij na twee verhalenbundels een roman in elkaar gezet heeft.
Twee weken geleden wilde ik beginnen aan Eline Vere van Couperus. Maar daar was het toen nog te vroeg voor. Ik viel bij de beschrijving van het tableaux vivant al op de bank in slaap.
'Hoofdpijn', mompelde ik. 'Ik heb hoofdpijn.'
Abonneren op:
Posts (Atom)