donderdag 2 september 2010

Combineren

'Bloemkool, friet en vis, is een goeie combinatie,' zegt Jeetje.
'Dat jij het woord combinatie gebruikt,' zegt man.
'Ja. Combinatie,' zegt Jeetje. 'Maar wat is een combinatie eigenlijk precies?'
'Dat zijn verschillende dingen bij elkaar,' zeg ik.
'Verschillende dingen bij elkaar,' zegt Jeetje. Ze bestudeert haar arm. 'Een arm, een hand en vingers? Is dat een combinatie?'
'Nou, nee, niet precies.'
'Maar wat is het dan wèl?'

Vandaag heeft Esther het in haar column in de VPRO gids over de eerste stijve lul die ze ooit in het echt zag. Ik kan me mijn eerste lul totaal niet herinneren. Ik heb er geen op mijn netvlies staan. Wel moest ik meteen denken aan de groeiende pink. Hoe ik een hele tijd in de veronderstelling was dat mijn hand - ergens diep onder de deken - losjes tegen een pink aan lag. Totdat ik het leven in de pink op begon te merken. Het was in het begin nog heel summier, maar het was onmiskenbaar leven. Mijn hand lag onder de deken, controleren kon ik de pink niet. Mijn hoofd stak een heel stuk boven de deken uit, en staarde naar de wekker op het nachtkastje. Terwijl ik zag hoe de tijd verstreek, kwam mijn hand vanzelf steeds verder en verder in de verdrukking. Dit kon nooit een pink zijn. Ik weet nog dat ik overeind schoot, en uitriep dat ik de trein moest halen. Dat ik zonder op of om te kijken, zijn kamer uit stormde. Dat ik zijn moeder in de keuken passeerde. En dat ik de volgende dag door de jongen met de pink gedumpt werd. Met de mededeling dat hij er nog niet aan toe was zich te binden.

Deze twee stukjes: het is geen combinatie.

woensdag 1 september 2010

Hoe moet dat nou?

Ik kan beter een jaar huismoeder worden, wil mijn hart niet nog een keer gebroken worden. Hoe belangrijk is het schrijven van een boek? Het is voor niemand van enige importantie, behalve voor mijzelf.

Of man wordt huisvader, inderdaad. Dat zou man ook kunnen doen. En misschien zou hij het best willen doen. Daaraan ligt het niet. De meeste mythes aangaande het schrijverschap zijn in de loop der tijd toch wel ontmanteld, behalve die van het geld. Maar dat is geen mythe. Alleen de prijswinnaars onder ons hebben het.

Het ging over mijn gebroken hart. Was ik alweer afgedwaald naar geld. We luisterden vanmorgen aan het ontbijt toevallig naar een lied over iemand met een gebroken hart - gezongen door Nathalie Merchant - en ik hoor mijzelf nog uitvoerig aan Jeetje vertellen wat het betekent om een gebroken hart te hebben. Dit terwijl mijn hart, telkens als ik naar Deetje keek, bezig was met breken.
Vandaag zou ze voor het eerst gaan wennen op het kinderdagverblijf.

Deetje is ook al vier maanden oud. Ze zijn daar aardig en lief. En ze zullen haar voeden.
Maar Deetje achterlaten, gaat tegen alles in.
Ik ga weer aan het werk. Ik ga weer schrijven. Ik ga lesgeven. Ik heb een intakegesprek bij de sportschool. Het leven zal weer beginnen. (Alsof ik niet juist aan het leven was!) Ik moet Deetje een beetje loslaten. Dat wil ik niet. Maar ook wil ik mijn dagtaak niet tot het moederen alleen beperken. Ik word er gelukkig van hierboven in mijn eentje te zitten, dingen te verwoorden. En mijn hart breekt als ik eraan denk om van Deetje vandaan te fietsen.
Nooit wil ik van Deetje vandaan fietsen. Zoals ik eigenlijk ook nooit van Jeetje vandaan gefietst had willen zijn. Maar toch ben.

dinsdag 31 augustus 2010

Ontdekkingen

Met Jeetje (5) voer ik van die wereldse gesprekken...
'Wat is een Indiaan precies.?'
'Een mens natuurlijk.'
'Waarom noemen ze dat dan niet gewoon een mens?'
'Een Indiaan noemen ze óók mens, maar...'
'Is een Indiaan gevaarlijk?'
'Nee, want...'
'Waar komen Indianen vandaan? En leven ze nog?'

...terwijl ik met Deetje (3,5 maand) samen voor de spiegel sta.
Deetje vergaapt zich. Elke keer als ze het kleine meisje ontdekt, lacht ze verheugd. Het meisje in de spiegel lacht al even verheugd terug. Deetje schatert. Het meisje schatert ook. Deetje strekt haar armpjes om het meisje te pakken te krijgen. Ze buigt zich naar voren totdat ze met haar neus tegen de koude spiegel aankomt. Haar eigen, grote ogen kijken terug.

maandag 30 augustus 2010

Dit is allemaal lucht.

'Vroeger dachten de mensen dat ze van de wereld af konden vallen, hè? Omdat ze dachten dat-ie plat was.' Zo begint Jeetje (5) haar maandagochtend.
'Helemaal correct!'
'Maar als de aarde rond is, waarom vallen we er dàn eigenlijk niet af?' Jeetje houdt een cirkel van karton omhoog en trippelt met haar vingers over de rand.
'Omdat we een soort magneetjes zijn.'
'Dat snap ik dus niet.'
'De aarde is magnetisch. We worden er altijd weer naartoe getrokken. We zitten vast.'
Jeetje begint op en neer te springen op de grond. 'Ik zit niet vast hoor,' roept ze. 'Kijk maar, ik zit niet vast.'
'Jawel,' zeg ik, 'je wordt iedere keer toch weer naar beneden getrokken? Alleen een raket kan van de aarde losraken.'
'En een vliegtuig ook,' zegt Jeetje.
'Een vliegtuig komt niet echt van de aarde los. Vogels ook niet. Ze kunnen wel hoog in de lucht vliegen, maar ze komen niet in de ruimte terecht.'
'Wat is de ruimte?'
'Tja.' Ik wapper mijn armen door de lucht. 'De ruimte is oneindig groot. Daar zweven allemaal planeten. Wij zweven in de ruimte.'
Jeetje kijkt mij aan.
'De aarde is een planeet in de ruimte,' zeg ik. 'En daar zijn er miljoenen van. We kennen ze niet eens allemaal.'
'O, dat weet ik allang. De zon en de maan dat zijn ook planeten. Dat zijn vuurballen,' zegt Jeetje.
'We weten niet of er ergens anders ook een soort van aarde is, waar misschien mensen wonen zoals wij. Daar willen we wel graag achterkomen. Daarom maken we raketten en die schieten we de ruimte in om uit te vinden of er nog leven is.'
'Maar waarom kan een raket dan wel vliegen en wij zelf niet?'
'Eh..Een raket heeft een hele grote motor en die kan recht omhoog vliegen. Mensen kunnen alleen maar in een raket als ze heel veel lucht meenemen. Ze kunnen nooit uit de raket.'
'Mogen ze ook niet héél even met hun hoofd uit het raampje. Om te kijken.'
'Nee, nee. Er zitten helemaal geen raampjes die open kunnen in een raket. Mensen hebben zuurstof nodig. Lucht.'
'Maar wat ìs lucht nou eigenlijk?' vraagt Jeetje dan.
Ik wapper mijn armen nog maar eens in het rond. 'Dit is allemaal lucht.'
'Er zit allemaal lucht tussen ons.'
'Ja.'
Jeetje probeert eerst met haar handen de lucht te voelen die tussen ons zit. Dan zet ze haar lichaam in. Tot ze haar neus tegen mijn neus duwt.
'Ik merk niks van de lucht,' zegt ze tenslotte.

vrijdag 27 augustus 2010

Ik, klassenouder.

'Ben jij de moeder van Jeetje?' Als ik de klas uit wil lopen, trekt de meester mij aan mijn regenjas.
Ik knik.
'Wil jij klassenouder worden?'
'Klassenouder?'
'Dingen organiseren voor de ouders en zo.'
'Oh, eh organiseren is toevallig niet mijn sterke kant.'
'Samen met de moeder van Eetje. Dat maakt het minder zwaar.'
'Is het zo'n zware taak dan?'
'Nou ja, als je het deelt wordt het altijd lichter natuurlijk.' De meester lacht.
'Ik ben liever luizenmoeder,' mompel ik. 'Dat is overzichtelijker.'
'Ik hoor het vanmiddag wel,' zegt de meester. 'Bedankt!'
En hij sluit de deur van de klas. Na twee mislukte pogingen het immense schoolgebouw uit te komen, loop ik de derde keer goed.

donderdag 26 augustus 2010

Ruimte

Op het schoolplein stond hij. Met zijn armen over elkaar. Benen licht gespreid. Als een pilaar in de wind. Ik herkende de vader nog van de wal. Een hippe kunstenaar. We brachten onze kinderen ooit naar dezelfde crèche. Toen spraken we elkaar nooit. Nu waadde ik door de andere ouders, op hem af.
'Jullie ook hier?'
'Al anderhalf jaar.'
'En?'
'Je moet er een jaar voor uittrekken. Dan slijt het. Wees maar gerust, het slijt.'
'Wat slijt?'
'Na een jaar ben je er aan gewend dat je hier woont.'
'Nog elf maanden.'
'Er zitten zeker voordelen aan,' zei hij traag.
'De ruimte,' reciteerde ik. Het woord 'ruimte' was een mantra geworden. Het galmde door de straten. Het weerklonk in alle huizen. Iedereen was hier komen wonen vanwege de ruimte en nergens anders om.
'Als de kinderen maar gelukkig zijn, dat is voor mij het allerbelangrijkste,' zei de vader.
'Natuurlijk,' zei ik. 'Natuurlijk, natuurlijk. Absoluut.'

Elke dag kreeg ik een paar keer bezoek van hem.In het begin deed ik de voordeur nog gewoon open als de bel ging. Stond daar een jongetje met halflang bruin haar. Hij haalde zijn speen uit zijn mond en keek omhoog. Naar mij. Ik keek omlaag. Naar hem. Hij droeg een donkerrood luierpakje.
'Ik dorst,' zei hij, 'jij drinken voor mij?'
Of hij lispelde: 'Ik verstoppen. Jij zoeken.' Hij stapte al naar binnen. Ik gaf hem een glaasje water. Daarna verstopte hij zich. Tegenwoordig liet ik hem net zolang op zijn verstopplek zitten tot hij begon te roepen. 'Hier zit ik. Hier zit ik.'
Of ik deed niet open. Het zou wel weer zo'n peuter zijn. Ik zie ze hier overal; aanbellende peuters. De bellen zitten niet voor niets op een halve meter hoogte.

De vader en ik stonden nog een tijdje zwijgend naast elkaar, tot de schooldeuren opengingen en het plein vol met kinderen stroomde. Even later de straten. En de huizen.

woensdag 25 augustus 2010

Woorden als houvast

Wij wonen op een eiland, dus het waait hier veel. Bijna altijd. Maar gisteren bevond ik mij - als enige bovenop de Nescio brug - in een vliegende storm. Met mijn moderne, groene wandelwagentje. Modern = lichtgewicht. Ik keek omlaag. Nog één zo'n verraderlijke vlaag en mijn wagentje zou opstijgen. Ik zag mijzelf er achteraan duiken. Hoe ik in het donkergrijze water met witte schuimkoppen zwom, zoekend naar mijn baby. Terwijl de stem van mijn vader in mijn oren echoode: 'Hebben ze jou dat reddingsdiploma zomaar gegeven? Is dat dan ook alweer niets waard?'
Vanaf het eiland volgden de bewoners ons met hun verrekijkers. Een stipje op een grote witte hangbrug. Alleen nieuwelingen begingen zo'n fout. De wal was nog ver weg.
Mijn handen omklemden het stuur. De vingers van de baby hielden het groene dekje stevig vast. Alsof ze het voorvoelen. Mijn voeten zette ik dwars op het asfalt. Ik kneep mijn ogen dicht, deed een betonblok na en herinnerde mij de woorden van mijn Ayurvedische arts: ' Als het waait, moet jij binnenblijven. Storm is funest voor jou. Dan waaiert jouw geest uit. Dan loop jij het gevaar uit elkaar te vallen.'
Aan die woorden had ik nu ook al niets.