zaterdag 18 september 2010

Delicatessen

Ik nodig iedereen van harte uit om morgenmiddag naar Delicatessen te komen. Frank Keizer komt gedichten voorlezen en ik ga voordragen uit Lastmens. Verder is er live muziek, Graham Greene-daquiri's en wat al niet meer. Tussen 17.00 en 19.00 - en voor wie zin heeft nog gevolgd door een goedkoop bord eten. Verder helemaal gratis. Kom kijken, het wordt leuk!

vrijdag 17 september 2010

Beroemd

Bij de frites en de erwtjes komt deze keer God ter sprake.
'Sommige mensen denken dat Hij echt bestaat, maar ik denk dat het een verhaal is,' zeg ik. 'Een spannend verhaal dat wel.'
'Waarom denken ze dat God bestaat?' vraagt Jeetje. 'Het kan toch helemaal niet. Iemand die in de lucht woont?'
'Ze denken dat God de hele wereld heeft gemaakt. De bomen, de bloemen, de lucht. En ons erbij. '
Jeetje kijkt naar alles wat mogelijk geschapen zou zijn door God en concludeert: 'Dat kan echt niet.'
'Nee, precies. Ik vind het ook niet erg plausibel.'
'Dan zou hij wel héél beroemd moeten zijn,' zegt Jeetje.

donderdag 16 september 2010

Op een existentieel vlak

'Weet je waarom ik het meest jaloers ben op Deetje?' zegt Jeetje tijdens het avondeten.
'Nou?' Nu zullen we het krijgen. Ze is jaloers op Deetje omdat zij zo lekker op mijn schoot mag zitten en geknuffeld wordt, terwijl Jeetje wordt gesommeerd op haar stoel te blijven zitten totdat die drie lauwe bloemkoolroosjes he-le-maal op zijn. ('Wat gebeurt er als ik nu toch van tafel ga? Wat doe je dan?' vroeg ze. 'Dan mag je morgen na school met niemand spelen,' zei ik. 'Oei.' Ze ging rechtop zitten. 'En haal die handen onder je hoofd uit', zei ik, 'zo kun je niet eten.') Ik kan me op dit moment dus allerlei jaloerse gevoelens voorstellen. De kleine Deetje wordt niet gecorrigeerd, noch gesommeerd tot iets, zij wordt alleen maar aangemoedigd en gekust. Maar goed, de jaloezie van haar zuster blijkt zich af te spelen op een heel ander vlak.
'Zij leeft langer dan ik. Daar ben ik zó jaloers op,' zegt Jeetje.
'Hè?'
'Ik ga eerder dood dan Deetje. Dat vind ik gewoon niet leuk, dat ik eerder dood ga.'
'O, zoveel eerder ga jij ook weer niet dood hoor,' zeg ik. 'Echt niet.'
'Hoeveel eerder dan?'
'Ja, dat weet ik ook niet precies.'
'Ik ga toch eerder dood? Want ik ben veel ouder.'
'Eerst gaan wij nog dood hoor. Eerst papa, dan ik. Dan jij pas. En daarna... Eet gewoon die bloemkool op, jij!'

Nu heb ik de dood overzichtelijk proberen te maken door hem leeftijd gebonden te laten zijn. Maar echt geruststellend wordt ons gesprek daarmee niet. In tegendeel.

woensdag 15 september 2010

Je vraagt je af

Daar ga je met je hoofdpijn en je dichtgeklapte bakfiets over bruggen, langs woonwagenkampen, dwars door weilanden op weg naar het middelpunt van de stad. Of was het de aarde? Je hebt windkracht negen tegen en er hangt een zwarte wolkenbrei boven je kop. Het lekt al. Een kwestie van minuten of het barst los. Je vraagt je af of je wel goed bij je hoofd bent. Welke idioot stopt de kleine nou op een kinderdagverblijf dat een dik half uur fietsen verderop ligt? Terwijl je op je eiland omringd wordt door de kinderopvang. Dat is daar misschien wel de core business. In de helft van de gebouwen die er staat is een crèche gevestigd. Is het geen officiële dan wel een clandestiene. Het barst ervan. Je had je er alleen wat beter in moeten verdiepen. Je had er in moeten geloven. Nu word je nat en die wind holt je hoofd uit.
Dat heb je er dus voor over.

dinsdag 14 september 2010

We hebben geluk

Beneden is de man uit Brazilië aan het schoonmaken. Op een racefiets is hij naar ons gekomen. Oorspronkelijk komt hij uit een gezin van tien kinderen en tot zijn twintigste is hij nog analfabeet. Dan meldt hij zich aan voor de lagere school. Zodra hij kan lezen en schrijven, vertrekt hij in zijn eentje naar Nederland. Via via heeft hij gehoord dat het leven hier beter moet zijn. Eenmaal op Schiphol geland, is er geen enkel aanknopingspunt. Hij kan nu wel lezen, maar begrijpt niet wat er staat. Hij kent niemand. Hij weet niet waar hij naartoe moet. Dan is er nog de kou.
'Alsof je een blinde bent,' zegt hij, 'je kunt wel zien. Maar je loopt rond als een blinde.'
Nu, een paar jaar later, staat hij in mijn keuken en spreekt vloeiend Nederlands. Zijn mobiel gaat: mensen hebben hem nodig. Hij is heel goed in zijn vak dat zeker nooit zijn vak zou zijn geweest, als hij ergens anders was opgegroeid.
Hierboven zit ik achter mijn laptop en als ik uit mijn raam kijk, zie ik overal mensen achter laptopjes zitten. In hun doorzichtige, zelfontworpen huizen.

maandag 13 september 2010

Het weekend

1
Een kind is geen kind. Jeetje is uit logeren en aan alleen de baby heb je eigenlijk nauwelijks werk. Waar waren we vroeger dan zo druk mee? Toen Jeetje een baby was namelijk, waren we er in onze herinnering dag en nacht fulltime mee in de weer.

2
'Ik ga dan nog liever koken,' zei man.
'Jij gaat absoluut niet koken. Denk erom,' schreeuwde ik.
'Ik vind het niet erg om te koken.'
'Daar komt niets van in. Dan wordt de hele keuken vies. Krijgen we dat weer.'
Op het eiland waar we wonen is niets om af te halen. Je moet hier wel zelf je maaltijden bereiden. Maar als Jeetje niet thuis is, willen we niet koken. Het ergste aan kinderen hebben, is toch wel dat ze moeten eten. Elke avond. En rond dezelfde tijd.
Daar zouden ze eens onderzoek naar moeten doen.
Tenslotte heb ik ergens uit de binnenstad een Thaise maaltijd laten komen. Man zag het scootertje met zijn curry's al door de velden brommen. Langs het water. Over de witte hangbrug. Door wind en regen. Een zestienjarige courier die compleet verwaaid voor onze deur staat met een doorzichtig plastic tasje met koud voedsel.
Maar man besloot me te laten begaan.

3
In IKEA geweest voor opbergsystemen. Zo kom je er nooit, zo ben je er kind aan huis. Wel liepen we tegen de keer in. Om aan te geven dat we heel anders zijn. De baby die met haar rug tegen mijn borst in het zakje hing, keek haar ogen uit. Zoveel volk had ze nog nooit bij elkaar gezien. Het liefst had ze alles en iedereen even in haar mond gestoken.

4.
Verhuisdozen uitgepakt. Mijn zwarte laarsjes teruggevonden.
'Ik zou niet weten over welke laarsjes je het hebt,' zei man al maanden. 'Zwarte laarsjes. Je hebt zo veel zwarte laarsjes.'
'Ik heb niet veel zo veel zwarte laarsjes,' zei ik. 'Deze laarsjes had ik altijd aan. Weet je dat niet meer? Ik loop al twee jaar op deze zwarte laarsjes. Ik heb nooit andere schoenen aan. Omdat ik geen andere schoenen hèb.'
Man trekt een hoogst verbaasd gezicht.
'Het interesseert jou echt niet hoe ik er uit zie. Dat is nog het ergste.'

vrijdag 10 september 2010

Overtreffende trap

Mijn vader heeft last van zijn been.
Nu hij zoveel zit, komt hij toe aan het lezen van dikke boeken. Ook dunne boeken. Hij leest eigenlijk alle boeken die hij in handen krijgt. Hij ontpopt zich tot een ware boekenverslinder.
Ook telefoneren we meer. Ik was laatst de dekenkist wit aan het schilderen die hij jaren geleden gemaakt heeft, toen hij me opbelde om zomaar wat te kletsen. We kletsten wat. Over de baby. En over de boeken die hij nu weer uit heeft en waar ik nog aan moet beginnen. Van Nelleke Noordervliet, WF Hermans en Geert Mak.
'Ik heb je kist net geschilderd!' zei ik toen.
Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Ik weet dat er iets mis is met de telefoonverbinding van mijn ouders. De lijn valt regelmatig weg. Dan kan ik hen niet meer horen maar zij mij nog wel. Hun provider is slecht.
'Ben je er nog?' zei ik. 'Ben je weggevallen? Is het weer zover? Papa?'
'Nee,' hoorde ik toen zacht. 'Nee, nee.'
'O! Je bent er nog! Goed. Nou, ik heb je kist dus net wit geschilderd en...'
Weer viel het stil.
'Je kíst, weet je wel, die...' En toen begreep ik de stilte van mijn vader.
'Ik bedoel die dekenkist, hè?' zei ik. 'Die dékenkist! Wat dacht jij dan?'

Het gekke is dat ik het zelf niet eens bedacht had. Deze morbide gedachtengang waar ik best sterk in ben. Hij overtreft mij.