Ik ben nu al meer dan een half jaar vrijwel non-stop bezig met concrete zaken. Soms ben ik bang dat het nooit meer terugkomt. Dat ik me altijd op dit vlak zal blijven begeven. Hier, bovengronds. Waar het ook best goed toeven is. Al ontbreekt er iets.
Ik noem het 'kunst'. Maar het is niet (alleen) de aanblik van schilderijen of andere kunstwerken. Het is het ongrijpbare, het wonderlijke, het verbazingwekkende, het verrassende, het meeslepende, het wonderschone, het poëtische, de abstractie van het leven, dat wat erbovenuit stijgt, de muziek, vooruit: het onbenoembare.
Veel van deze dingen zijn ook te terug te vinden in de baby. Maar niet alles.
Wat raaskal ik? Het is natuurlijk gewoon het schrijven. De wereldschokkende dingen die een mens op zijn bureaustoel kan meemaken.
dinsdag 28 september 2010
maandag 27 september 2010
Zondag
In onze woonkeuken, of de ruimte die nog een woonkeuken moet worden, zaten mijn vader, moeder, man en een zwangere vriendin die ik al ken sinds de kleuterschool, rond een piepklein tafeltje. Jeetje en het buurmeisje zetten hun regenlaarsjes bij de deur en schoven toen ook aan. Deetje zat bij opa op schoot. Ze bleef zich maar voorover buigen met haar mollige handje (trillend van de spanning) uitgestoken om de appelpunten en de saucijzenbroodjes te pakken te krijgen. Haar mondje ging open en dicht, open en dicht. Ik schonk de kleuters een glaasje chocomelk in, waarna ze met oma gingen knutselen. Huizen bouwen van papier. Deetje kreeg tenslotte zo'n stuk papier te pakken en propte het in haar mond. Ze sneed daarbij haar zachte lipjes niet. Mijn vriendin merkte op dat ze zich niet kon voorstellen dat ze over een half jaar ook zo'n meisje op haar schoot zou hebben zitten. En toen kwam de zon ook nog door, in plaats van dat het ging regenen, zoals voorspeld was.
vrijdag 24 september 2010
Onderzoek
Twee uur fietsen op een dag om je baby onder te brengen, is niet erg economisch met tijd omspringen. Dus ik bekijk de crèche die drie minuten lopen verderop zit.
'Ons profiel is die van het onderzoekende kind,' zegt de manager.
'Mooi,' zeg ik. 'Ik ben helemaal voor het onderzoekende kind.'
'Ja, wij ook!'
'Dat treft.'
De manager die me rond gaat leiden, is een energieke knul. Een jaar of vijfentwintig, schat ik. Tien vrouwenportretten staren me aan vanaf het whiteboard op zijn kantoor. De tien vaste leidsters. Ik kijk naar de manager met zijn vlasbaard. Hij zou hun samenhang moeten bewaken? Onderlinge strubbelingetjes doorzien en oplossen? Met ze gaan praten als ze ergens mee zitten? 'Foei, Elke,' fluister ik. 'Dit is leeftijdsdiscriminatie. Wie weet waartoe deze jongen in staat is, met het managementonderricht nog fris in zijn geheugen.'
Als we door het gebouw lopen, praat de manager honderduit over hun beleid. Over vanalles. Het klinkt goed en het ziet er allemaal mooi uit. Grote lokalen. Een grote buitenspeelplaats. Een atelier om te knutselen. Tot ik, vanuit mijn ooghoek, de baby zie liggen.
'Wat is dat!' Ik onderbreek de manager.
'Een baby?'
'Maar waar ligt-ie in?'
'Een elektronische schommel, hoezo?' zegt de manager.
'Een elektronische schommel?'
'Ja?' De manager snapt er niets van.
We naderen het wanstaltige, plastic ding waar de baby in ligt. Met een lichtblauwe speen in zijn mond staart hij naar een automatisch draaiend, fluorescerend mobiel boven zijn hoofd. Terwijl het onderzoekende kind dus elektronisch heen en weer gewiegd word.
'Hij kan zo niet veel onderzoeken, hè?'
'Nee.' De manager lacht. 'Maar ze hoeven niet steeds te onderzoeken.'
'Is dit de enige elektronische schommel in het gebouw?'
'Op elke groep staat er eentje.'
'O.'
'Je baby hoeft er niet in, als je dat niet wil. Zulke dingen kun je met de leidster overleggen.'
'Nee, nee natuurlijk niet,' zeg ik.
De verdere rondleiding had ik eigenlijk niet hoeven hebben. Maar het was zo'n aardige jongen.
'Ons profiel is die van het onderzoekende kind,' zegt de manager.
'Mooi,' zeg ik. 'Ik ben helemaal voor het onderzoekende kind.'
'Ja, wij ook!'
'Dat treft.'
De manager die me rond gaat leiden, is een energieke knul. Een jaar of vijfentwintig, schat ik. Tien vrouwenportretten staren me aan vanaf het whiteboard op zijn kantoor. De tien vaste leidsters. Ik kijk naar de manager met zijn vlasbaard. Hij zou hun samenhang moeten bewaken? Onderlinge strubbelingetjes doorzien en oplossen? Met ze gaan praten als ze ergens mee zitten? 'Foei, Elke,' fluister ik. 'Dit is leeftijdsdiscriminatie. Wie weet waartoe deze jongen in staat is, met het managementonderricht nog fris in zijn geheugen.'
Als we door het gebouw lopen, praat de manager honderduit over hun beleid. Over vanalles. Het klinkt goed en het ziet er allemaal mooi uit. Grote lokalen. Een grote buitenspeelplaats. Een atelier om te knutselen. Tot ik, vanuit mijn ooghoek, de baby zie liggen.
'Wat is dat!' Ik onderbreek de manager.
'Een baby?'
'Maar waar ligt-ie in?'
'Een elektronische schommel, hoezo?' zegt de manager.
'Een elektronische schommel?'
'Ja?' De manager snapt er niets van.
We naderen het wanstaltige, plastic ding waar de baby in ligt. Met een lichtblauwe speen in zijn mond staart hij naar een automatisch draaiend, fluorescerend mobiel boven zijn hoofd. Terwijl het onderzoekende kind dus elektronisch heen en weer gewiegd word.
'Hij kan zo niet veel onderzoeken, hè?'
'Nee.' De manager lacht. 'Maar ze hoeven niet steeds te onderzoeken.'
'Is dit de enige elektronische schommel in het gebouw?'
'Op elke groep staat er eentje.'
'O.'
'Je baby hoeft er niet in, als je dat niet wil. Zulke dingen kun je met de leidster overleggen.'
'Nee, nee natuurlijk niet,' zeg ik.
De verdere rondleiding had ik eigenlijk niet hoeven hebben. Maar het was zo'n aardige jongen.
donderdag 23 september 2010
De docent
Ik heb net een stukje uit een verhaal voorgelezen.
'Is dit verplicht?' is de eerste reactie van een studente.
'Verplicht?'
'Ja?' zegt de studente.
'Nee,' zeg ik. 'Daarom las ik het niet voor. Maar hoezo?'
'Dus we hoeven het niet verplicht te lezen?'
'Hier is niets verplicht,' zeg ik.
Even later vraag ik me af of ik iets verkeerds gezegd heb. Zou je ze moeten verplichten?
Een docent is geen echt mens. Dat was ik vergeten. Nou ja, de docent is natuurlijk wel een echt mens, dat weet iedereen, maar de docent komt van elders. Het is een wezen waar je geen echt contact mee hoeft te maken. Je luistert ernaar. In het beste geval met interesse. Je komt en je gaat. Het is jouw tijd. Niet die van de docent. Tot gisteren heb ik ook nooit over de docent als mens gedacht. De docent die teveel menselijke trekjes vertoonde vond ik een beetje raar.
'Is dit verplicht?' is de eerste reactie van een studente.
'Verplicht?'
'Ja?' zegt de studente.
'Nee,' zeg ik. 'Daarom las ik het niet voor. Maar hoezo?'
'Dus we hoeven het niet verplicht te lezen?'
'Hier is niets verplicht,' zeg ik.
Even later vraag ik me af of ik iets verkeerds gezegd heb. Zou je ze moeten verplichten?
Een docent is geen echt mens. Dat was ik vergeten. Nou ja, de docent is natuurlijk wel een echt mens, dat weet iedereen, maar de docent komt van elders. Het is een wezen waar je geen echt contact mee hoeft te maken. Je luistert ernaar. In het beste geval met interesse. Je komt en je gaat. Het is jouw tijd. Niet die van de docent. Tot gisteren heb ik ook nooit over de docent als mens gedacht. De docent die teveel menselijke trekjes vertoonde vond ik een beetje raar.
woensdag 22 september 2010
ijsje
Op deze datum, heel wat jaren geleden al, werd ik gebeld en daarna ging ik meteen naar Agnès B. Ik kocht daar een blouse, een jasje en een pantalon. Geen zwart. Een bijzondere kleur rood en het geweldigste grijs. De prijs nog in guldens. Heel veel guldens. Meer dan ik er had. Maar dat kon me niets schelen. Het ging erom dat ik er goed opstond. Op de begrafenis.
Voor het eerst droeg ik mijn eigen tekst voor, die op het bidprentje afgedrukt was. Maar niet in de goede versie. Er stond 'appel' waar ik 'ijsje' neergezet had. Ik had de verandering goedgekeurd - wie maakt zich in tijden van overlijden nou druk om appel of ijsje? - maar nog steeds vind ik dat er ijsje had moeten staan. En ik herinner me dat er in de familie wat rumoer was over het ik-perspectief van het stukje. Terwijl ik daarmee iets algemeens bedoelde, niet alleen ik. Dat is goed gekomen.
Het voordragen in de kapel. Het was de eerste keer dat ik merkte dat het het beste is zelf je tekst te doen, in plaats van acteurs. Jij bent zelf toch degene die iets wil zeggen, niet die ander.
Van die dure blouse kreeg je zweetplekken onder je oksel, dus heb ik 'm nooit meer aangehad.
Voor het eerst droeg ik mijn eigen tekst voor, die op het bidprentje afgedrukt was. Maar niet in de goede versie. Er stond 'appel' waar ik 'ijsje' neergezet had. Ik had de verandering goedgekeurd - wie maakt zich in tijden van overlijden nou druk om appel of ijsje? - maar nog steeds vind ik dat er ijsje had moeten staan. En ik herinner me dat er in de familie wat rumoer was over het ik-perspectief van het stukje. Terwijl ik daarmee iets algemeens bedoelde, niet alleen ik. Dat is goed gekomen.
Het voordragen in de kapel. Het was de eerste keer dat ik merkte dat het het beste is zelf je tekst te doen, in plaats van acteurs. Jij bent zelf toch degene die iets wil zeggen, niet die ander.
Van die dure blouse kreeg je zweetplekken onder je oksel, dus heb ik 'm nooit meer aangehad.
dinsdag 21 september 2010
Gewoon vrij, zoals iedereen
'Tot aan welke leeftijd krijgen Nederlandse vrouwen kinderen?' vraagt de schoonmaker.
'Eh..'
'Welke leeftijd precies?'
'Ik denk zo rond de veertig.'
'Oké, veertig. Daarna niet meer?'
'Ligt eraan. Hoezo?'
'Nou, ik ga trouwen met een Nederlandse vrouw en...'
De schoonmaker is heel onrustig, zegt hij. Hij slaapt 's nachts niet goed. Hij is ten huwelijk gevraagd. Hij heeft 'ja' gezegd, want hij wil vrij zijn. Sindsdien denkt hij er steeds aan. Het is geen liefde. Wil hij het wel echt? Waarom vraagt ze het nu? Wat heeft het voor consequenties? Hij is halverwege de veertig maar zeker niet toe aan kinderen, omdat hij nog moet leren. 'Alles,' zegt hij. 'Ik moet alles nog leren. Van voren af aan. En dan kinderen, dat kan niet.'
Hij wil helemaal vrij zijn. Maar het liefst gewoon vrij, zoals iedereen hier.
'Snapt?' zegt hij.
Ik knik.
'Denk je dat het goed komt?' vraagt hij dan.
'Eh..'
'Welke leeftijd precies?'
'Ik denk zo rond de veertig.'
'Oké, veertig. Daarna niet meer?'
'Ligt eraan. Hoezo?'
'Nou, ik ga trouwen met een Nederlandse vrouw en...'
De schoonmaker is heel onrustig, zegt hij. Hij slaapt 's nachts niet goed. Hij is ten huwelijk gevraagd. Hij heeft 'ja' gezegd, want hij wil vrij zijn. Sindsdien denkt hij er steeds aan. Het is geen liefde. Wil hij het wel echt? Waarom vraagt ze het nu? Wat heeft het voor consequenties? Hij is halverwege de veertig maar zeker niet toe aan kinderen, omdat hij nog moet leren. 'Alles,' zegt hij. 'Ik moet alles nog leren. Van voren af aan. En dan kinderen, dat kan niet.'
Hij wil helemaal vrij zijn. Maar het liefst gewoon vrij, zoals iedereen hier.
'Snapt?' zegt hij.
Ik knik.
'Denk je dat het goed komt?' vraagt hij dan.
maandag 20 september 2010
Atmosfeer
'Ik zou hier net zo goed een naargeestige plek van kunnen maken,' zei ik terwijl ik de ruimte rondkeek. 'Dat maakt niet uit.'
De interviewster had gevraagd of ik speciaal troosteloze plekken opzocht om er over te kunnen schrijven.
Dit was geen troosteloze plek, integendeel. Maar wel een onbestemde. Een wonderlijke. Toen ik hier binnenkwam, was het alsof ik een andere eeuw instapte. Een andere wereld dan waar ik vandaan kwam, in elk geval. Geen wereld van zondagse poepluiers, uitgelaten kinderen, dorst, honger, ravage en vermoeide ouders, maar eentje van kunst, jaren '20 kamermuziek, Hemingway cocktails, muzikale intermezzo's van een man met gitaar, en gedichten naar aanleiding van het gedachtegoed van Theodor Adorno.
Er was ook nog een interactief gedeelte aan het einde van de middag: gedichten maken door in tijdschriften woorden weg te strepen. We streepten, terwijl buiten de donkerte in begon te vallen. Alsof ik met een heel stel vrienden in een huiskamer in tijdschriften aan het krassen was, en ons leven ervan af hing.
Maar vlak voor het echt donker werd, sprong ik toch op de fiets.
Toen ik voor ons huis stond, hoorde ik het gehuil van de baby al.
.
De interviewster had gevraagd of ik speciaal troosteloze plekken opzocht om er over te kunnen schrijven.
Dit was geen troosteloze plek, integendeel. Maar wel een onbestemde. Een wonderlijke. Toen ik hier binnenkwam, was het alsof ik een andere eeuw instapte. Een andere wereld dan waar ik vandaan kwam, in elk geval. Geen wereld van zondagse poepluiers, uitgelaten kinderen, dorst, honger, ravage en vermoeide ouders, maar eentje van kunst, jaren '20 kamermuziek, Hemingway cocktails, muzikale intermezzo's van een man met gitaar, en gedichten naar aanleiding van het gedachtegoed van Theodor Adorno.
Er was ook nog een interactief gedeelte aan het einde van de middag: gedichten maken door in tijdschriften woorden weg te strepen. We streepten, terwijl buiten de donkerte in begon te vallen. Alsof ik met een heel stel vrienden in een huiskamer in tijdschriften aan het krassen was, en ons leven ervan af hing.
Maar vlak voor het echt donker werd, sprong ik toch op de fiets.
Toen ik voor ons huis stond, hoorde ik het gehuil van de baby al.
.
Abonneren op:
Posts (Atom)