woensdag 20 oktober 2010

Verkoudheden

Ik ben met Deetje bij de dokter. Haar verkoudheid duurt nu al anderhalve week en wordt erger.
Ik weet hoe dat gaat met verkoudheden.
Jeetje was op die leeftijd ook eens verkouden. Nog altijd zie ik de grote brancard door de gangen van het ziekenhuis vliegen. Gedragen door twee ambulancemedewerkers in fluorescerende pakken. Met in het midden onze maxi-cosie erop. Iedereen in het ziekenhuis bleef stilstaan. Om te kijken naar ons. De ouders die er achteraan holden. Sommigen knikten ons toe. Anderen begonnen te fluisteren.
Ik weet hoe dat gaat met verkoudheden. Man was een jaar geleden ook eens verkouden en had een beetje oorpijn.
Nog altijd hoor ik de dokter van de avonddienst:
'Nee, je gaat niet eerst naar huis om spullen te pakken. Jullie gaan meteen.'
'Maar thuis, ons dochtertje...'
'Dat doet er nu niet toe. Ik heb de taxi al gebeld. '
'Taxi?'
'Die gaat sneller dan een ziekenauto.'
'O, zo.'

Vandaar dat ik weet hoe dat gaat met verkoudheden.

dinsdag 19 oktober 2010

Wetten van drama

Ik bedenk een lesje over 'de wetten van drama' voor mijn studenten, terwijl beneden een verwarde man mijn woonkamer stofzuigt. En elk moment naar boven kan rennen, met een broodmes, mijn kamer binnen kan stormen.
Net nu man en baby even uit wandelen zijn, natuurlijk.

Hij gedroeg zich normaal vanmorgen. Welke gek gedraagt zich van de een op de andere week volkomen normaal?

Ik probeer mij nog wat te concentreren op mijn werk, voor ik zo dadelijk gewurgd ben met de stofzuigerslang.

maandag 18 oktober 2010

Geen flauw benul

Ik kan me bijvoorbeeld met de beste wil van de wereld niet meer herinneren wat ik dit weekend gedaan heb. Het is alsof het nooit weekend is geweest. Alsof er geen verleden is. Ik zit in een aanhoudend nu. Dat moet heel mooi zijn, dat weet ik. Veel mensen streven ernaar met allerlei yoga- en ademhalingsoefeningen. Maar ik ben hier noodgedwongen. Ik ben in het hier en nu omdat iets anders niet beklijft.
Mijn aflatende geheugen baart me regelmatig zorgen. In de loop der jaren ben ik een meester geworden in het verdoezelen ervan. Gelijk de dementerenden. Mensen die mij langer kennen, weten het. Ze weten dat ik niet meer weet wat er toen en toen gebeurde. Alsof ik er niet bij was. En dat al mijn hele leven.
Gelukkig schrijf ik. Dat is de enige manier waarop er weleens iets naar boven wil komen, dat allang vergeten was.
Dit stukje heb ik vast al eens geschreven. Maar nooit precies op deze manier.
Soms ben ik bang dat ik later echt dement word. Dat beklemt me.

vrijdag 15 oktober 2010

Mijn walrusje

Ik deed de plastic sloffen om mijn schoenen en daar gingen we, Deetje en ik. We kwamen voor de eerste kennismaking. We paradeerden de ruimte binnen. Iedereen zou meteen zien met wat voor een leuk, bijzonder meisje ik hier aankwam. Een aanwinst voor de crèche. Zo jong nog en dan al zo wijs.
Ik legde Deetje bij de andere baby's op de mat. Terwijl ik met de leidster het intakegesprek voerde, bekeek ik de scharrelende zuigelingen. Deetje lag er als een walrus tussen. Plat op haar buik. Armen en benen wijd. Ze verroerde zich niet. Na een tijdje richtte ze alleen haar hoofd een heel klein stukje op. Alsof het topzwaar was. Ze staarde mij aan met licht waterige oogjes. Als je haar niet kende, zou je denken dat ze gewoon zo'n onscherpe blik had. Nog niet echt kijkend, niet in staat tot contact maken. Een paar andere baby's begonnen op hun buik door de ruimte te schuiven.
'Zij zijn allemaal wat ouder,' zei de leidster. 'Deetje ligt nog echt stil, hè?'
Nou, nee hoor, wilde ik zeggen. Ze rolde zich met anderhalve maand al om en met drie maanden maakte ze haar eerste kruipbewegingen. Maar ik mocht vooral niet overkomen als een streberige moeder, dus zweeg ik en keek naar mijn walrusje op het kleed dat nu heel ongericht naar een speelgoedje aan het slaan was.

donderdag 14 oktober 2010

Zelfbeeld

'Schud nu eens met je haar, en dan kijk je meteen serieus de lens in...'
Ik sta tegen de witte muur, doe mijn hoofd naar beneden en schud wild met mijn haar.
'Alsof je gestoord bent,' zegt de fotograaf.
'Wàt zeg je?'
'Kijk alsof je gestoord bent.'
'O, eh, ja, ja.'
'Alsof je gestoord wòrdt, bedoel ik.'
Telkens opnieuw begin ik met het losschudden van mijn haar, steeds weer probeer ik verstoord op te kijken. Maar hoe kijkt een mens als zij 'verstoord opkijkt.' Met een grote frons in haar wenkbrauwen en haar lippen fijngeknepen, natuurlijk.
De fotograaf zegt: 'Nu zeg ik een tijdje niks. Nu kijk ik naar je. En jij kijkt alleen maar in de lens.'
'Is goed.'
Zo sta ik daar in dat grote, zwarte ding te kijken, die draaikolk. In de lege zolderkamer. Met mijn mond half open. Mijn rug tegen de muur. Mijn schouders opgetrokken. Totdat de ene helft van mij in het wit van de muur is verdwenen, en mijn andere helft opgaat in het episch centrum. Het zwarte gat.
Klik.

woensdag 13 oktober 2010

Ik begin

Deze week had ik vooral vandaag. De dag waarop ik weer zou gaan beginnen. En dan bedoel ik echt beginnen. Niet alleen denken over hoe ik zal beginnen en waarover ik zal beginnen. En al helemaal niet schrijven over beginnen. Maar het daadwerkelijk doen.
Dat heb ik tot nu toe helaas niet gedaan. Althans: niet zoals ik zou willen beginnen. Ik heb mijn les voorbereid voor vanavond. Ik heb fragmentjes gelezen in Visser van Rob van Essen, De Weg van Cormac MCCarthy, De diefstal van mijn jeugd van Natascha Kampusch, Afkomst van Rashid Novaire. Goede namen gezocht in 'De mooiste voornamen uit de hele wereld.' Geen naam gevonden. In mijn les zal ik het - net als de vorige keer - gaan hebben over tijd, plaats, handeling, spanningsopbouw. Dus schreef ik zojuist in mijn zwarte begin-schrift: tijd? plaats? handeling? Spanningsopbouw? Maar zo werkt het toch niet helemaal. Het beginnen.

dinsdag 12 oktober 2010

Fictie of non-fictie, dat is de vraag

De schoonmaker is er niet. De schoonmaker komt de volgende week weer. Als man ook thuis is.
Ik heb zoveel reacties op mijn stukje van vorige week dinsdag gekregen, dat ik het niet kan maken ten opzichte van mezelf en mijn trouwe lezers. Maar lag het aan de schoonmaker zelf of komt het eerder door wat ik van hem maakte? Ik weet het niet meer zeker.
Was het echt zo erg?

De telefoontjes die ik de afgelopen week kreeg, de mails die ik ontving en ook de mensen die ik tegenkwam, vonden van wel. Ze begonnen er meteen over. 'Hoe zit dat nou met die schoonmaker?'
'Zo iemand heeft die fantasieën niet voor niets.'
'Je weet toch wel wat je doet?'
'Ik maak me zorgen.'
Ook man werd herhaaldelijk gewaarschuwd. 'Laat vrouw en baby niet alleen achter hoor. Niet doen!'

Ik weet het niet. Lag het aan de manier waarop ik de dialoog beschreef? Is de aard van dat stukje niet meer debet aan de zorgen van de lezer, dan de ware aard van de schoonmaker? Als ik het toen niet meteen hier opgeschreven had, was ik het nu wel weer vergeten.
Dan was hij gewoon gekomen. Dan was er- waarschijnlijk - niets aan de hand geweest.
Heel zeker weten, doe ik dit niet. Dat is het punt.
Of schrijf ik dit ook alleen maar op om het spannend te houden?