donderdag 4 november 2010

Eer?

Jeetje zit in bad en vraagt om iets te drinken. Zo gaat dat al de hele tijd met van alles. Zij vraagt, ik breng.
'Straks als je uit bad bent.'
'Nee, nu.'
'Hè Jeetje, ik lijk je bediende wel!' zeg ik als ik haar het bekertje water overhandig.
'Maar jij bent veel sneller dan een bediende,' zegt ze en drinkt haar bekertje leeg. Ik zet het netjes terug.

Leuk weekendje?

Voor wie dit weekend, een weekendje Antwerpen gaat doen, is er het festival de Nachten. Met optredens van allerlei leuke schrijvers en bands en op zaterdag kun je ook naar mij komen luisteren. Ik zal iets nieuws voorlezen en iets ouds.

woensdag 3 november 2010

De cultuurfilosoof

Ik veerde op uit mijn lethargische houding toen de cultuurfilosoof in het televisieprogramma aanschoof. Hij had een boekje over de eeuwige terugkeer van het fascisme geschreven.
Voor de filosoof op het scherm verscheen, wist ik niet goed wat ik met het halve uur dat mij die avond nog restte, aan zou vangen. Man telefoneerde met zijn zus, en ik had de tv aangezet.
'Wilders is een fascist,' zei de filosoof. Hij was daar om in debat te gaan met een historicus die dat pertinent onwaar vond. Terwijl er op tv gesproken werd over het hedendaags fascisme, was Man elders in de kamer aan het debatteren over de voors en tegens van het hebben van dochters. Ik zette de televisie harder. Steeds harder. Ineens mocht ik geen woord missen van wat hier gezegd werd. Man hing op.
'Kom eens, kom eens,' zei ik.
'Die vent spreekt me niet aan,' zei Man.
'Maar je weet niet waar hij het over heeft.'
'Moet dat?'
'Volgens mij heeft hij gelijk! Echt. Al kan ik het niet precies onderbouwen.'
'Onderbuikgevoelens,' zei Man. 'Daar moet je nooit naar luisteren.'
Toen begon het volgende item en gingen we slapen.

dinsdag 2 november 2010

Pilletjes

'Ik wil niet groot worden.' Het begint Jeetjes mantra te worden. 'Ik wil niet groot worden, want dan moet je kinderen krijgen.'
'Hou nou toch eens op over dat kinderen moeten krijgen, liefje. Je moet niks.'
'Ik wil niet groot worden.'
'Maar je wordt groot.'
'Ik wil geen kinderen.'
'Maak je niet druk. Er zijn pilletjes tegen kinderen.'
'O, ja?' Jeetje springt van haar stoel. 'Die wil ik! Die wil ik! Die wil ik nu!'
'Dat zullen we t.z.t. wel bespreken,' zeg ik. 'Het is nu absoluut niet aan de orde. Je bent vijf.'
'Is dat hetzelfde als pilletjes tegen wormpjes?'
'Zoiets.'
'Ik vind het wel zielig voor jou als ik geen kinderen krijg.'
'Waarom?'
'Dan word jij geen oma.'
'Geeft niks, schat. Geeft niks. Ga spelen!'

maandag 1 november 2010

De dood van de beroemde schrijver

'Ik vind het erg,' zegt Jeetje.
'Wat?'
'Dat die beroemde schrijver dood is.'
'Hij was al wel heel oud, hoor.'
'Was het echt de beroemdste schrijver van héél IJburg?'

vrijdag 29 oktober 2010

De kat in de gordijnen

Het was de avond van Gerbrand Bakker en er werden allemaal mooie dingen over hem en zijn werk gezegd. Maar ik bleek naast Dolf Verroen te zitten. De kinderboekenschrijver. Van 'De kat in de gordijnen.'
Een van de eerste boeken die ik zelf las, en ik weet ook nog dat mijn moeder de verhaaltjes aan mij voorlas. Over de vader die uit zijn werk kwam en in zijn broek gepoept had. En over een heel woedend meisje. Het trof mij diep.
'Dolf Verroen, dat is een goede schrijver,' hoor ik mijn moeder nog zeggen. 'Daar mag je wel een boek van.'
Nou, daar zat ik dus naast, gisteravond.
'En wie ben jij?' vroeg Dolf Verroen.
'Elke,' zei ik. Volgens mij hebben we handen geschud. Daarna keek ik voor me.
Er werden odes gebracht aan Gerbrand Bakker. Maar ik bestudeerde de opvallende ring van Dolf Verroen. De stof van zijn zwarte pantalon. Zijn bril. Ik zag mezelf als kind in mijn slaapkamer vol schrootjes en hoe ik 'De kat in de gordijnen' spelde. Kinderboekenschrijvers waren mijn helden. Ze kwamen van een andere planeet dan de mijne en ik was allang blij dat ik hun signalen mocht opvangen. Nooit had ik toen kunnen denken, dat ik daar ooit - in het echt - naast zou zitten.

In mijn hoofd repeteerde ik wat ik tegen Dolf Verroen zou zeggen. En toen de avond voorbij was, ben ik snel opgestaan en weggelopen.
Terwijl ik best veel schrijvers in het echt zie, zou je zeggen. Maar die doen me niks.

donderdag 28 oktober 2010

Wat zeg je dan?

'Je moet voortaan ècht een hand geven, hè?' zeg ik tegen Jeetje. 'Je bent vijf. Dat kan zo niet langer.'
'Ja,ja,' zegt Jeetje.
'Als er iemand op bezoek is, geef je een hand, je kijkt iemand aan en zegt 'hallo'. Kom op zeg.'
'Waarom moet je iemand ook aankijken?' vraagt Jeetje.
'Dat is beleefd.'
'Waarom?'
'Dat is aardig. Vriendelijk. Daarmee zeg je feitelijk: hier ben ik en ik zie jou.'

Ikzelf ben geen enthousiast handenschudder. Ik moet dan al mijn zeilen bijzetten. Het is een klein krachttoer. Dat zie je aan mij. Zeker het scherpe oog van Jeetje ontgaat weinig. Als het maar even mogelijk is, doe ik het niet. Ga ik zogenaamd druk in de weer met andere dingen en sla zo het verwelkomen over.
Zo gaat het ook als we bij een feestje aankomen. Half in de deuropening steek ik m'n hand op, - alsof ik van de politie ben en een stopsein maak - zeg 'Hallo' en verdwijn zo snel mogelijk in een gesprek met één persoon. En bij het afscheid? Jeetje en ik, we verdwijnen gewoon. We bedanken niets en niemand.
Maar dat moet Jeetje intussen wel een keer gaan doen. Ze is al vijf.