donderdag 3 februari 2011

Veilig

Na anderhalf biologisch wijntje kon ik de fietsbrug niet meer vinden. Dus doorkruiste ik tegen middernacht de Indische buurt en het kwam mij allemaal niet meer bekend voor. Niets kwam mij nog bekend voor. Ik schreef - al fietsend - een WhatsApje naar Man met kkomdraan erop. En ik kreeg een fotootje terug van Man in flanellen pyjama in bed. Het tekstballonnetje zei: Ik wacht op je.
Nu alleen die brug terug nog.

woensdag 2 februari 2011

Zaken van neurologische aard

'Ik had een oma die alles vergat,' zeg ik tijdens de woensdagmiddaglunch.
'Alles?' zegt Jeetje.
'Ze kon zich, toen ze heel oud was, niet precies herinneren hoeveel kinderen ze had.'
'Dat is lastig zeg.'
'Ja, maar dat was ze dus ook vergeten.'
'Wat?'
'Dat ze niet meer wist hoeveel kinderen ze had.'
'Het was niet lastig?'
'Nee,' zeg ik. 'Als je een heel, heel slecht geheugen hebt, vergeet je dat ook.'
'Een geheugen?' zegt Jeetje.
'Met het geheugen onthouden we dingen.'
'Is dat Engels voor hersenen?'
'Het geheugen zit ergens in de hersenen.'
Jeetje voelt aan haar hoofd.
'En dat je pijn voelt, zit óók al in hersenen,' zegt ze.
'Ja,' zeg ik. 'Hoe weet jij dat nou?'
'Heb ik op televisie gezien vanmorgen op school,' zegt Jeetje. 'Als je een wondje krijgt, gaat er een knopje aan en dat gaat naar je hersenen. En dan vertellen die jou dat je pijn hebt.'
'O, zo,' zeg ik. 'Maar goed ook dat de hersenen dat doen.'
'Het is fijner als je geen pijn hebt.'
'Ik heb eens iemand op televisie gezien die nooit pijn had. Die had per ongeluk zijn eigen lip opgegeten. Want hij voelde niet dat hij er op beet.'
'Maar dat kon hij toch in de spiegel zien?'
'Toen was het al te laat.'
'Gelukkig heb ik vaak pijn,' zegt Jeetje.
'Ja.'
We eten onze boterham verder op en we zijn blij met onze particuliere pijnpuntjes. En dat alles zo z'n nut heeft.
Na een tijdje zegt Jeetje: 'Maar kan ik dat ook nog krijgen?'
'Wat?'
'Dat ik ineens geen pijn meer voel.' Ze bijt zachtjes in haar lip.
Even later bespreken we de moeilijkheid van het hebben van nep-lippen, ten opzichte van het hebben van nep-tanden. Tot we concluderen dat we ze beter niet kunnen nemen.
'Dan eet je die plastic lippen per ongeluk ook nog op,' zegt Jeetje.

dinsdag 1 februari 2011

De nachtmerrie van de moeder

In het klaslokaal.
'Hee, je bent weer terug,' zeg ik tegen het meisje, 'wat leuk!'
'Even maar,' zegt de moeder.
'Hoe gaat het?' Ik wijs naar haar buik.
'Vandaag uitgerekend.'
'O, nou, dan móét het binnen twee weken komen.'
'Ik hoop vandaag,' zegt ze. 'Volgende week begint haar bestraling en chemo.'
'Ja, ja,' zeg ik.
'Maar ik voel niks,' zegt de moeder.
'Weet je al wat het wordt?'
'Ook een meisje.'
'O, leuk!'
De moeder kijkt naar haar oudste meisje dat aan het tafeltje zit. Naast Jeetje.
'Het mag niet terugkomen,' zegt ze, 'dan is het voorbij. Over.'
Jeetje en het meisje kijken tegelijk op.
'Maar nu is het weg,' zeg ik.
'Als we niets doen, komt het honderd procent zeker terug,' zegt de moeder.
Ik glimlach naar de meisjes.
'Ze weet niet wat haar te wachten staat.'
'Maar goed,' zeg ik.
'Haar armen en benen kunnen er tijdelijk verlamd van raken.'
'Ze zal straks ook wel eens een keer een kind willen zien,' zeg ik. 'Niet steeds al die volwassenen om zich heen die zo serieus kijken.'
De moeder knikt.
'Dan moet je het maar aangeven,' zeg ik.
De moeder knikt weer. Haar vollemaansgezicht glimt. Haar ogen zijn er bijna in verdwenen. Ze kan eigenlijk alleen nog maar aangeven dat deze nachtmerrie moet stoppen. Nu. Vandaag.
Dan gaat de schoolbel. Alle ouders verlaten de klas, maar de moeder blijft achter.

Veel langer dan normaal blijven we, vanachter het raam, naar ons eigen kind staan zwaaien, en zwaaien en maar zwaaien.

maandag 31 januari 2011

Nonnen op de Mookerheide

We begonnen de feestochtend met een yogawandeling op de Mookerheide. Een hele groep vriendinnen en schoonzussen van mijn moeder. Eenmaal voorbij het hekje mocht er niets meer gezegd worden. Het ging er in deze wandeling om bij onszelf te komen, en één te worden met de natuur. In een lange rij liepen we door het witte, bevroren heuvellandschap. Achter de yogajuf aan. Het deed mij eerst denken aan een begrafenisstoet. Of een stille mars. Maar er was niemand dood. En we hadden geen slachtoffers van zinloos geweld te herdenken. Integendeel. Wij vierden het leven in stilte. Het bejaarde echtpaar dat per ongeluk tussen ons in verzeild was geraakt, werd daar ongemakkelijk van.
'Ik heb nog nooit zo'n grote groep vrouwen bij elkaar gezien die niets zeiden,' zei de man.
'Ach, dat zijn gewoon nonnen,' zei zijn vrouw, 'die zijn weggestuurd door de paters.'
Ze praatten nog even zachtjes door, maar al gauw deden zij er ook helemaal het zwijgen toe. Zo liepen we een heel eind stilletjes met elkaar op.
Maar zodra er een zijpaadje was, sloegen zij af. We hoorden ze proesten en lachen en hard met elkaar praten.

vrijdag 28 januari 2011

60

Morgen gaan we naar oma. Want oma is zestig geworden.
'Waarom is zestig eigenlijk een bijzondere leeftijd?' vraagt Jeetje.
'Zestig,' zeg ik. 'Dat is weer ouder.'
'Ja, hè,hè,' zegt Jeetje. 'Dat is elk jaar zo.'
'Ja, maar bij zestig is het wat anders.'
'Wat is er dan anders?' wil ze weten.
'Dan is oma niet meer in de vijftig.'
'Nee, oma is zestig.'
'Ja.'
'Nou,' zegt Jeetje, 'als ik van vijf naar zes ga, vind ik dan net zo bijzonder.'
'Waarom?'
'Ja, dan ben ik dus geen vijf meer, maar zes.'

'

donderdag 27 januari 2011

In therapie

'Wat kan er dan gebeuren als je de kapper belt?' zegt man.
'Hij kan me uitlachen,' zeg ik.
'Oké,' zegt man. 'Jij belt en hij begint te lachen. Wat nog meer?'
'Hij kan me een ijdeltuit vinden.'
'Hij lacht je uit, hij vindt je ijdel.'
'Hij denkt: wie denkt zij wel niet dat ze is? Daar kan ik toch helemaal niks meer van maken.'
Man knikt.
'Maar het ergste wat er kan gebeuren, is dat ik hem opbel terwijl hij helemaal geen tijd heeft.'
'Hij zegt: ik heb geen tijd voor jou.'
'Ja, die man heeft het al zo druk en dan bel ik óók nog eens.'
'O, dus je bent bang dat je hem overvraagt,' zegt man. 'Is dat het?'
'Ja.'
'Stel nou dat dit allemaal gebeurt...'
'Dan schaam ik me verschrìkkelijk.'

woensdag 26 januari 2011

Onzichtbare straling

Ik ren door het Diemerpark en word lichtjes geëlektrocuteerd als ik onder de draden door loop. Zoals altijd. Overal in het landschap staan hoogspanningsmasten. En onder mijn voeten die gifbelt. Geseald. Dat wel. Maar ik denk toch aan het lek. Bij elke stap die ik zet, denk ik aan het lek, ergens. Ik kan het niet helpen. Dat wat verzegeld is, gaat een keer open. Het is een natuurwet. Om de paar meter zit er een buis in de grond om het gifpeil te meten.
Als ik hier met Jeetje fiets, zegt ze: 'Niet daar onderdoor, mama. Niet daar onderdoor. Het voelt zo gek.' En dan schudt ze kort met haar hele lichaam.
'Zij zijn niet gesloten van boven,' zegt man over Jeetje en mij, 'ze komen onder stroom te staan.'
De buren fluisteren: 'In de Lisdoddelaan schijnen zeven mensen kanker te hebben.'
In de school van Jeetje is, uit voorzorg, een heel klaslokaal leeggeruimd. Iemand schijnt zijn kind zelfs van school te hebben gehaald. Vanwege de elektromagnetische straling.
Ik ren. In mijn oor steeds hetzelfde liedje. Om het aanhoudende gezoem van de masten niet te horen. Je zou ook kunnen denken dat het in het park vol krekels zit. Dat het er altijd hoogzomer is.