De Nederlandse vrouw heeft hem - weken geleden al - om zijn hand gevraagd. Maar waarom juist op dit moment, vraagt Fabio zich steeds af. Waarom toch net nu de regels in Nederland zo aangescherpt zijn? En niet vijf of tien jaar geleden?
Hij moet slagen voor een inburgeringscursus in zijn land. Hij moet daar tenminste drie maanden blijven. Dat is het allerlaatste wat Fabio wil. Terug naar zijn land. Voor zoiets. Maar het allerliefste wil hij vrij zijn. Een gewone vrije man zijn. Fabio denkt er elke nacht over na en hij weet het niet. Hij had echte liefde gewild. Maar als liefde niet voor hem is weggelegd, kan het huwelijk hem wèl een Nederlands paspoort geven. Al is hij graag op zichzelf en zal hij na de trouwerij minstens drie jaar met haar samenwonen in haar eenkamerflat.
'Als dit tien jaar geleden was gebeurd, had ik het meteen gedaan.' Fabio zucht. 'Toen was ik nog jong en toen was alles nog heel makkelijk. Toen had ik nog een toekomst.'
'Kom, kom. Vierenveertig is nog niet zó oud.'
'Ik kan dit werk nog hoogstens tien jaar doen.'
'En misschien word je wel honderd, joh.'
'Nee, dan ben ik allang dementerend.'
'Dementerend?'
'Ik gebruik met mijn werk maar een piepklein deel van mijn hersenen, Elkie. Jij gebruikt de jouwe wel, maar ik de mijne helemaal niet.'
'Volgens mij gebruik jij ze genoeg.'
'Nee, Elkie. Met poetsen, train je je hersenen niet.'
'Maar jij denkt hartstikke veel na. Dat is ook trainen.'
'Hoe minder ze gebruikt worden, hoe eerder ze slijten. Ik verdwaal al steeds vaker, Elkie. Echt waar. Ook als ik in een straat ben, waar ik al eerder ben geweest.'
'O, maar dat heb ik ook,' zeg ik. 'Dat wil volgens mij niets zeggen over dementie.'
'Elkie, ik poets ergens, dan fiets ik naar huis en kijk ik televisie. En dan niks meer.'
'Ja?'
'Straks weet ik niet eens meer dat ik Fabio heet. Dan bel jij mij op en vraag je naar Fabio. En dan zeg ik: Fabio? Wie is Fabio?'
dinsdag 8 februari 2011
maandag 7 februari 2011
De verontwaardiging van de meisjes
En dan, terwijl je net geconcentreerd bezig was, komen ze allemaal weer terug. De één op je arm blijft aan je haar trekken en schreeuwt 'bal, bal, bal' in je oor. De ander eist dat zij óók naar het sprookjesbos toneelstuk wil, gaat prompt huilen omdat ze daar nog helemaal niet geweest is, en ze heeft op school ook haar vinger heel erg bezeerd. Intussen klimt de één op het podiumpje en valt er - als je je even hebt omgedraaid om de ander te helpen met het opnieuw maken van haar staart en het van dichtbij bekijken van de pijnlijke vinger - ook weer voorover vanaf. Met het gezicht op de vloer.
Je troost haar innig.
Ze bijt met haar twee hagelwitte ondertandjes in je neus. Je roept: 'au, au, au.'
De één schaterlacht, en de ander ook.
Je troost haar innig.
Ze bijt met haar twee hagelwitte ondertandjes in je neus. Je roept: 'au, au, au.'
De één schaterlacht, en de ander ook.
zondag 6 februari 2011
De mummie
We zijn naar het Allard Pierson museum geweest en hebben daar een mummie gezien. We zitten in de tram terug en Jeetje (5) leunt zwaar tegen me aan.
Na een tijdje zegt ze: 'Ik denk dat ik vannacht niet kan slapen.'
'Waarom niet?'
'Ik ben steeds zo bang dat die mummie tot leven komt.'
'Dat kan niet.'
'Nee, maar daar ben ik wel bang voor.'
'Gek eigenlijk,' zeg ik. 'Want de angst is volkomen irreëel.'
'Papa heeft van die film verteld,' zegt Jeetje met lage stem. (Noot: Papa verhaalde van Return of the mummy)
'Papa zegt maar wat. Zo'n film slaat nergens op.'
'Waarom máken ze die film dan?'
'Het is een universele angst, Jeetje. De dood en dat iemand daarna ineens weer tot leven komt. Maar het kàn dus niet. Fysiek al niet.'
'We zijn niet bang om van de brug te waaien,' zegt Jeetje.
'Nee,' zeg ik, 'terwijl dat wel zou kunnen gebeuren.'
'Ja?'
'Fysiek wel ja.'
'Maar waaròm draaiden ze zo'n dode man dan helemaal in doeken?' vraagt Jeetje tijdens het avondeten.
'Omdat ze dachten dat hij dan weer tot leven zou komen,' zegt Man.
'Maar. Dat. Kan. Dus. Niet,' zeg ik.
'Maar dat dàchten ze wel,' zegt Man.
'Dat is heel lang geleden,' zeg ik, 'dat ze dat dachten. Nog voor Jezus geboren was.'
En dan begin ik een heel verhaal over het doek waar de mummie in gewikkeld was. En hoeveel werk het moet zijn geweest om dat doek te vervaardigen. Dat we daar tegenwoordig fabrieken voor hebben, en toen...
Toen richtte Deetje (9 mnd) zich plotseling op. En ging voor het eerst op twee voetjes staan.
Na een tijdje zegt ze: 'Ik denk dat ik vannacht niet kan slapen.'
'Waarom niet?'
'Ik ben steeds zo bang dat die mummie tot leven komt.'
'Dat kan niet.'
'Nee, maar daar ben ik wel bang voor.'
'Gek eigenlijk,' zeg ik. 'Want de angst is volkomen irreëel.'
'Papa heeft van die film verteld,' zegt Jeetje met lage stem. (Noot: Papa verhaalde van Return of the mummy)
'Papa zegt maar wat. Zo'n film slaat nergens op.'
'Waarom máken ze die film dan?'
'Het is een universele angst, Jeetje. De dood en dat iemand daarna ineens weer tot leven komt. Maar het kàn dus niet. Fysiek al niet.'
'We zijn niet bang om van de brug te waaien,' zegt Jeetje.
'Nee,' zeg ik, 'terwijl dat wel zou kunnen gebeuren.'
'Ja?'
'Fysiek wel ja.'
'Maar waaròm draaiden ze zo'n dode man dan helemaal in doeken?' vraagt Jeetje tijdens het avondeten.
'Omdat ze dachten dat hij dan weer tot leven zou komen,' zegt Man.
'Maar. Dat. Kan. Dus. Niet,' zeg ik.
'Maar dat dàchten ze wel,' zegt Man.
'Dat is heel lang geleden,' zeg ik, 'dat ze dat dachten. Nog voor Jezus geboren was.'
En dan begin ik een heel verhaal over het doek waar de mummie in gewikkeld was. En hoeveel werk het moet zijn geweest om dat doek te vervaardigen. Dat we daar tegenwoordig fabrieken voor hebben, en toen...
Toen richtte Deetje (9 mnd) zich plotseling op. En ging voor het eerst op twee voetjes staan.
zaterdag 5 februari 2011
Contract
Bijna een half uur te laat, ben ik. Ik heb storm tegen. En eenmaal in Oud-Zuid ben ik die hele uitgeverij kwijt en de straatnaam ook. Ik fiets rondjes Museumplein en zie in de verte alleen Nieuw-Amsterdam nog liggen. Ze zien me aankomen. 'Kunt u mij de weg naar de Bezige Bij vertellen?'
Ik herinner me een poppenspeler uit Utrecht waar ik een stuk voor schreef. Ik zou bij hem komen eten en we zouden de thematiek bespreken. Identiteit geloof ik. Ik kwam drie kwartier te laat. Het schapenvlees stond allang op.
Toen we aan tafel zaten, keek hij me aan en zei: 'Mensen die te laat komen, hebben weerstand. Ze willen eigenlijk helemaal niet komen.'
Ik probeerde hem tegen te spreken, maar kreeg het oude schaap in mijn mond niet weg. Ik bleef maar kauwen en kauwen.
De geur van het vlees herinner ik me ook nog goed.
Maar daar heeft het niets mee te maken, dat ik gisteren te laat was.
Na mijn handtekening en de champagne, is er nog een feest in Felix Meritis. Dat komt mooi uit. Zie ik meteen de hele bups bij elkaar. Op de terugweg heb ik wind mee, alsof duizend moederlijke handen mij in mijn rug duwen.
Ik herinner me een poppenspeler uit Utrecht waar ik een stuk voor schreef. Ik zou bij hem komen eten en we zouden de thematiek bespreken. Identiteit geloof ik. Ik kwam drie kwartier te laat. Het schapenvlees stond allang op.
Toen we aan tafel zaten, keek hij me aan en zei: 'Mensen die te laat komen, hebben weerstand. Ze willen eigenlijk helemaal niet komen.'
Ik probeerde hem tegen te spreken, maar kreeg het oude schaap in mijn mond niet weg. Ik bleef maar kauwen en kauwen.
De geur van het vlees herinner ik me ook nog goed.
Maar daar heeft het niets mee te maken, dat ik gisteren te laat was.
Na mijn handtekening en de champagne, is er nog een feest in Felix Meritis. Dat komt mooi uit. Zie ik meteen de hele bups bij elkaar. Op de terugweg heb ik wind mee, alsof duizend moederlijke handen mij in mijn rug duwen.
donderdag 3 februari 2011
Veilig
Na anderhalf biologisch wijntje kon ik de fietsbrug niet meer vinden. Dus doorkruiste ik tegen middernacht de Indische buurt en het kwam mij allemaal niet meer bekend voor. Niets kwam mij nog bekend voor. Ik schreef - al fietsend - een WhatsApje naar Man met kkomdraan erop. En ik kreeg een fotootje terug van Man in flanellen pyjama in bed. Het tekstballonnetje zei: Ik wacht op je.
Nu alleen die brug terug nog.
Nu alleen die brug terug nog.
woensdag 2 februari 2011
Zaken van neurologische aard
'Ik had een oma die alles vergat,' zeg ik tijdens de woensdagmiddaglunch.
'Alles?' zegt Jeetje.
'Ze kon zich, toen ze heel oud was, niet precies herinneren hoeveel kinderen ze had.'
'Dat is lastig zeg.'
'Ja, maar dat was ze dus ook vergeten.'
'Wat?'
'Dat ze niet meer wist hoeveel kinderen ze had.'
'Het was niet lastig?'
'Nee,' zeg ik. 'Als je een heel, heel slecht geheugen hebt, vergeet je dat ook.'
'Een geheugen?' zegt Jeetje.
'Met het geheugen onthouden we dingen.'
'Is dat Engels voor hersenen?'
'Het geheugen zit ergens in de hersenen.'
Jeetje voelt aan haar hoofd.
'En dat je pijn voelt, zit óók al in hersenen,' zegt ze.
'Ja,' zeg ik. 'Hoe weet jij dat nou?'
'Heb ik op televisie gezien vanmorgen op school,' zegt Jeetje. 'Als je een wondje krijgt, gaat er een knopje aan en dat gaat naar je hersenen. En dan vertellen die jou dat je pijn hebt.'
'O, zo,' zeg ik. 'Maar goed ook dat de hersenen dat doen.'
'Het is fijner als je geen pijn hebt.'
'Ik heb eens iemand op televisie gezien die nooit pijn had. Die had per ongeluk zijn eigen lip opgegeten. Want hij voelde niet dat hij er op beet.'
'Maar dat kon hij toch in de spiegel zien?'
'Toen was het al te laat.'
'Gelukkig heb ik vaak pijn,' zegt Jeetje.
'Ja.'
We eten onze boterham verder op en we zijn blij met onze particuliere pijnpuntjes. En dat alles zo z'n nut heeft.
Na een tijdje zegt Jeetje: 'Maar kan ik dat ook nog krijgen?'
'Wat?'
'Dat ik ineens geen pijn meer voel.' Ze bijt zachtjes in haar lip.
Even later bespreken we de moeilijkheid van het hebben van nep-lippen, ten opzichte van het hebben van nep-tanden. Tot we concluderen dat we ze beter niet kunnen nemen.
'Dan eet je die plastic lippen per ongeluk ook nog op,' zegt Jeetje.
'Alles?' zegt Jeetje.
'Ze kon zich, toen ze heel oud was, niet precies herinneren hoeveel kinderen ze had.'
'Dat is lastig zeg.'
'Ja, maar dat was ze dus ook vergeten.'
'Wat?'
'Dat ze niet meer wist hoeveel kinderen ze had.'
'Het was niet lastig?'
'Nee,' zeg ik. 'Als je een heel, heel slecht geheugen hebt, vergeet je dat ook.'
'Een geheugen?' zegt Jeetje.
'Met het geheugen onthouden we dingen.'
'Is dat Engels voor hersenen?'
'Het geheugen zit ergens in de hersenen.'
Jeetje voelt aan haar hoofd.
'En dat je pijn voelt, zit óók al in hersenen,' zegt ze.
'Ja,' zeg ik. 'Hoe weet jij dat nou?'
'Heb ik op televisie gezien vanmorgen op school,' zegt Jeetje. 'Als je een wondje krijgt, gaat er een knopje aan en dat gaat naar je hersenen. En dan vertellen die jou dat je pijn hebt.'
'O, zo,' zeg ik. 'Maar goed ook dat de hersenen dat doen.'
'Het is fijner als je geen pijn hebt.'
'Ik heb eens iemand op televisie gezien die nooit pijn had. Die had per ongeluk zijn eigen lip opgegeten. Want hij voelde niet dat hij er op beet.'
'Maar dat kon hij toch in de spiegel zien?'
'Toen was het al te laat.'
'Gelukkig heb ik vaak pijn,' zegt Jeetje.
'Ja.'
We eten onze boterham verder op en we zijn blij met onze particuliere pijnpuntjes. En dat alles zo z'n nut heeft.
Na een tijdje zegt Jeetje: 'Maar kan ik dat ook nog krijgen?'
'Wat?'
'Dat ik ineens geen pijn meer voel.' Ze bijt zachtjes in haar lip.
Even later bespreken we de moeilijkheid van het hebben van nep-lippen, ten opzichte van het hebben van nep-tanden. Tot we concluderen dat we ze beter niet kunnen nemen.
'Dan eet je die plastic lippen per ongeluk ook nog op,' zegt Jeetje.
dinsdag 1 februari 2011
De nachtmerrie van de moeder
In het klaslokaal.
'Hee, je bent weer terug,' zeg ik tegen het meisje, 'wat leuk!'
'Even maar,' zegt de moeder.
'Hoe gaat het?' Ik wijs naar haar buik.
'Vandaag uitgerekend.'
'O, nou, dan móét het binnen twee weken komen.'
'Ik hoop vandaag,' zegt ze. 'Volgende week begint haar bestraling en chemo.'
'Ja, ja,' zeg ik.
'Maar ik voel niks,' zegt de moeder.
'Weet je al wat het wordt?'
'Ook een meisje.'
'O, leuk!'
De moeder kijkt naar haar oudste meisje dat aan het tafeltje zit. Naast Jeetje.
'Het mag niet terugkomen,' zegt ze, 'dan is het voorbij. Over.'
Jeetje en het meisje kijken tegelijk op.
'Maar nu is het weg,' zeg ik.
'Als we niets doen, komt het honderd procent zeker terug,' zegt de moeder.
Ik glimlach naar de meisjes.
'Ze weet niet wat haar te wachten staat.'
'Maar goed,' zeg ik.
'Haar armen en benen kunnen er tijdelijk verlamd van raken.'
'Ze zal straks ook wel eens een keer een kind willen zien,' zeg ik. 'Niet steeds al die volwassenen om zich heen die zo serieus kijken.'
De moeder knikt.
'Dan moet je het maar aangeven,' zeg ik.
De moeder knikt weer. Haar vollemaansgezicht glimt. Haar ogen zijn er bijna in verdwenen. Ze kan eigenlijk alleen nog maar aangeven dat deze nachtmerrie moet stoppen. Nu. Vandaag.
Dan gaat de schoolbel. Alle ouders verlaten de klas, maar de moeder blijft achter.
Veel langer dan normaal blijven we, vanachter het raam, naar ons eigen kind staan zwaaien, en zwaaien en maar zwaaien.
'Hee, je bent weer terug,' zeg ik tegen het meisje, 'wat leuk!'
'Even maar,' zegt de moeder.
'Hoe gaat het?' Ik wijs naar haar buik.
'Vandaag uitgerekend.'
'O, nou, dan móét het binnen twee weken komen.'
'Ik hoop vandaag,' zegt ze. 'Volgende week begint haar bestraling en chemo.'
'Ja, ja,' zeg ik.
'Maar ik voel niks,' zegt de moeder.
'Weet je al wat het wordt?'
'Ook een meisje.'
'O, leuk!'
De moeder kijkt naar haar oudste meisje dat aan het tafeltje zit. Naast Jeetje.
'Het mag niet terugkomen,' zegt ze, 'dan is het voorbij. Over.'
Jeetje en het meisje kijken tegelijk op.
'Maar nu is het weg,' zeg ik.
'Als we niets doen, komt het honderd procent zeker terug,' zegt de moeder.
Ik glimlach naar de meisjes.
'Ze weet niet wat haar te wachten staat.'
'Maar goed,' zeg ik.
'Haar armen en benen kunnen er tijdelijk verlamd van raken.'
'Ze zal straks ook wel eens een keer een kind willen zien,' zeg ik. 'Niet steeds al die volwassenen om zich heen die zo serieus kijken.'
De moeder knikt.
'Dan moet je het maar aangeven,' zeg ik.
De moeder knikt weer. Haar vollemaansgezicht glimt. Haar ogen zijn er bijna in verdwenen. Ze kan eigenlijk alleen nog maar aangeven dat deze nachtmerrie moet stoppen. Nu. Vandaag.
Dan gaat de schoolbel. Alle ouders verlaten de klas, maar de moeder blijft achter.
Veel langer dan normaal blijven we, vanachter het raam, naar ons eigen kind staan zwaaien, en zwaaien en maar zwaaien.
Abonneren op:
Posts (Atom)