'Hier zou ik echt nóóit willen zitten,' zei mijn oom toen hij in ons achtertuintje van 3 bij 6 meter zat. 'Voor geen geld!'
'Nee, nee,' zei ik.
'Nee,' zei hij. En hij keek naar links en naar rechts en naar voor en naar achteren. Overal om hem heen waren huizen, met ramen als ogen. Overal steen en glas. Alleen recht boven hem was de blauwe lucht.
Hij fluisterde: 'Iedereen kan ons zien zitten.'
'Dat kan,' zei ik, 'maar niemand kijkt.'
'Als er bij ons iemand over de dijk loopt, kijken wij al,' zei hij.
Mijn oom en tante wonen in een heel groot vrijstaand huis met een tuin die in de lente op één grote bloemenzee lijkt. Ze hebben uitzicht op de uiterwaarden en een rivier. Ik weet nog dat er - toen ik jong was - een keer een lijk uit Duitsland in hun tuin was aangespoeld. Ik herinner me de opwinding, en de foto's van een knalrode, opgezwollen man.
De naastgelegen ex-brandweerkazerne hoort er ook bij. Daar zijn al heel veel familiefeesten gegeven. Bij slecht weer zitten we in de kazerne. Bij mooi weer buiten onder de overkapping, waar vroeger de brandweerauto's geparkeerd stonden.
'Ik ga de tuin even bekijken,' zei mijn tante.
'Pas op dat je niet verdwaald!' zei mijn oom.
maandag 11 april 2011
vrijdag 8 april 2011
Ons geluk
'Ik ben gelukkig,' zegt Jeetje op de heenweg. 'Ik ben gelukkig want ik ga met jou naar jouw vriendin. En de zon schijnt.'
'Nou dat is mooi,' zeg ik. Ik probeer de fiets met twee gelukkige kinderen in de bak de brug op te krijgen. 'Ik ben ook gelukkig.'
'Ik was nóg gelukkiger toen Deetje werd geboren,' zegt Jeetje. 'Toen ik haar voor het eerst zag. Jullie lagen op kamer K3. Weet je nog?'
'Ja. Je hebt verschillende sóórten geluk,' zeg ik. 'Dat is niet te vergelijken.'
In vliegende vaart rijden we de brug af. De stad in. Almaar meer geluk tegemoet.
Op de terugweg zijn we ook nog behoorlijk gelukkig. Maar eenmaal thuis begint het al wat af te nemen, tijdens het avondeten is er bijna niets meer van over en tijdens het badderen en tandenpoetsen komt er definitief een eind aan ons geluk.
De avond eindigt met de zwaarste straf: 'Ik heb je nu al zo vaak gewaarschuwd, Jeetje. Ik lees géén verhaal voor. En als je nú niet ophoudt, krijg je morgen ook geen verhaal.'
'Ik kom jou later nooit, maar dan ook nooit meer opzoeken,' zegt Jeetje. 'Dat doe ik écht niet meer.'
'Dan kom ik gewoon naar jou toe.'
'En dan doe ik de deur niet open.'
'Nou dat is mooi,' zeg ik. Ik probeer de fiets met twee gelukkige kinderen in de bak de brug op te krijgen. 'Ik ben ook gelukkig.'
'Ik was nóg gelukkiger toen Deetje werd geboren,' zegt Jeetje. 'Toen ik haar voor het eerst zag. Jullie lagen op kamer K3. Weet je nog?'
'Ja. Je hebt verschillende sóórten geluk,' zeg ik. 'Dat is niet te vergelijken.'
In vliegende vaart rijden we de brug af. De stad in. Almaar meer geluk tegemoet.
Op de terugweg zijn we ook nog behoorlijk gelukkig. Maar eenmaal thuis begint het al wat af te nemen, tijdens het avondeten is er bijna niets meer van over en tijdens het badderen en tandenpoetsen komt er definitief een eind aan ons geluk.
De avond eindigt met de zwaarste straf: 'Ik heb je nu al zo vaak gewaarschuwd, Jeetje. Ik lees géén verhaal voor. En als je nú niet ophoudt, krijg je morgen ook geen verhaal.'
'Ik kom jou later nooit, maar dan ook nooit meer opzoeken,' zegt Jeetje. 'Dat doe ik écht niet meer.'
'Dan kom ik gewoon naar jou toe.'
'En dan doe ik de deur niet open.'
donderdag 7 april 2011
De non-fictie
In de Groene van deze week staat een stuk van mij over de Graf Zeppelin of De Lijdensweg van Emile van René de Obaldia. Ik sla het tijdschrift net open en ben verbaasd het er terug te zien, en zo snel nadat ik het schreef, ik ben misschien vooral verbaasd omdat ik nu weet hoe het gaat. Een 'recensie' schrijven en die in een blad zien staan. Het is niet zo mystiek, en het ligt ook niet zo ver bij me vandaan als ik eerder dacht. Maar dat is hoogstwaarschijnlijk met alles zo. Als je het eenmaal een keer doet.
woensdag 6 april 2011
Hoe lang wil ze dat nog?
Nog even doorgaand op het thema (uitgeblazen) eitjes. Het is vanaf vandaag mogelijk in diverse ziekenhuizen om je eitjes in te laten vriezen als je jong bent en ze pas als je tegen de vijfenveertig loopt, en van het leven hebt genoten, uit te laten komen. Omdat de vruchtbaarheid van de vrouw na de vijfendertig in rap tempo afneemt.
'Dat vind ik toch niet leuk,' roep ik naar man, 'dat de kwaliteit van mijn eitjes nu zo hard achteruit holt.'
'Waarom niet. Jij wil toch geen kinderen meer.'
'Nee,' roep ik, 'maar mijn eitjes moeten goed blijven.'
Samen in bad stelt Jeetje zich voor dat ik nog steeds haar fulltime drinkvoorziening ben. Dus in de klas, bij het pauzehapje, zou ik op de tafel liggen tussen andere melkbekers en pakjes sap. Eigenlijk ziet ze het nog best wel zitten.
'Dan ben jij er steeds, mama,' zegt ze.
'Hm,' zeg ik.
'Maar het liefst zou ik hebben dat je gewoon de hele dag bij mij in de klas bent en kijkt naar wat ik allemaal doe,' zegt ze. 'Niet als melkbeker.'
'Dat vind ik toch niet leuk,' roep ik naar man, 'dat de kwaliteit van mijn eitjes nu zo hard achteruit holt.'
'Waarom niet. Jij wil toch geen kinderen meer.'
'Nee,' roep ik, 'maar mijn eitjes moeten goed blijven.'
Samen in bad stelt Jeetje zich voor dat ik nog steeds haar fulltime drinkvoorziening ben. Dus in de klas, bij het pauzehapje, zou ik op de tafel liggen tussen andere melkbekers en pakjes sap. Eigenlijk ziet ze het nog best wel zitten.
'Dan ben jij er steeds, mama,' zegt ze.
'Hm,' zeg ik.
'Maar het liefst zou ik hebben dat je gewoon de hele dag bij mij in de klas bent en kijkt naar wat ik allemaal doe,' zegt ze. 'Niet als melkbeker.'
dinsdag 5 april 2011
Het uitgeblazen eitje
'Ik moet een uitgeblazen ei meenemen,' zegt Jeetje. Dat was waar ook. We moesten eieren uitblazen. Twee uitgeblazen eitjes voor het geval er één in het knutselproces zou sneuvelen. Maar het is bijna half negen. Jeetje moet om kwart voor negen in de klas zijn. Er is nog geen ei uitgeblazen en Deetje moet nog naar de crèche gebracht worden.
'Hoe blaas je een ei uit?' vraag ik de leidster van het kinderdagverblijf.
'Ik zou het niet weten,' zegt zij. 'De babygroep werkt nog niet met eieren.'
'Weet jij misschien hoe je een ei uitblaast?' vraag ik een binnenkomende moeder.
'Ik heb het wel ooit gedaan, maar...'
'Denk je dat ik zo nog even een ei uitblaas? Binnen één minuut?'
'Het was nogal een secuur werkje,' zegt de moeder langzaam. 'Dat herinner ik me wel.'
'We halen het niet,' zeg ik tegen Jeetje.
'Maar dan heeft mijn schaap geen hoofdje.'
'We kunnen nu geen ei meer uitblazen.'
'We kunnen het toch probéren, mama.'
'We zijn al bijna te laat,' zeg ik.
Jeetje laat haar kin op haar borst zakken.
'Stop! Niet gaan huilen! Denk aan je ontstoken ogen. Als je huilt, komen ze weer dicht te zitten!'
Jeetje stopt met huilen, klimt achterop mijn fiets.
'Ik heb wèl aan het inschrijfbriefje van de avondvierdaagse gedacht,' zeg ik. 'En aan de vijf euro!'
'Maar ik heb geen uitgeblazen eitje.'
'Nee, geen uitgeblazen eitje,' zeg ik. 'Jouw schaap heeft geen hoofdje.'
'Hoe blaas je een ei uit?' vraag ik de leidster van het kinderdagverblijf.
'Ik zou het niet weten,' zegt zij. 'De babygroep werkt nog niet met eieren.'
'Weet jij misschien hoe je een ei uitblaast?' vraag ik een binnenkomende moeder.
'Ik heb het wel ooit gedaan, maar...'
'Denk je dat ik zo nog even een ei uitblaas? Binnen één minuut?'
'Het was nogal een secuur werkje,' zegt de moeder langzaam. 'Dat herinner ik me wel.'
'We halen het niet,' zeg ik tegen Jeetje.
'Maar dan heeft mijn schaap geen hoofdje.'
'We kunnen nu geen ei meer uitblazen.'
'We kunnen het toch probéren, mama.'
'We zijn al bijna te laat,' zeg ik.
Jeetje laat haar kin op haar borst zakken.
'Stop! Niet gaan huilen! Denk aan je ontstoken ogen. Als je huilt, komen ze weer dicht te zitten!'
Jeetje stopt met huilen, klimt achterop mijn fiets.
'Ik heb wèl aan het inschrijfbriefje van de avondvierdaagse gedacht,' zeg ik. 'En aan de vijf euro!'
'Maar ik heb geen uitgeblazen eitje.'
'Nee, geen uitgeblazen eitje,' zeg ik. 'Jouw schaap heeft geen hoofdje.'
maandag 4 april 2011
Kunstje
We liepen door het net geopende Stedelijk Museum. We waren in een kamer waar enkel twee grijze, loden pijpen op de vloer lagen. Ze zagen eruit als twee opgerolde reuzenvuilniszakken.
Jeetje sprong eroverheen en weer terug, en ik zei: 'Niet aanraken, hè. Het is kunst.'
'Maar waarom?' vroeg zij.
'Om ons te ergeren,' zei ik. 'Om ons de betrekkelijkheid ervan in te laten zien. Om ons te shockeren. Om ons eraan te herinneren dat we nog vuilniszakken moeten kopen.'
Ze luisterde niet. We waren al in de volgende ruimte waar een piepklein teeveetje stond met het repeterend beeld erop van een tienjarig meisje in een wit jurkje en een wit onderbroekje dat steeds dezelfde handstand tegen een witte muur deed. Telkens als als haar borstjes ontbloot dreigden te worden, gingen die benen weer naar beneden. Jeetje keek gebiologeerd naar het aanloopje, de manier waarop het meisje haar handen op de grond zette en haar benen de lucht in zwiepte.
'Ik mag het hier zeker niet proberen, hè?' zei ze.
'Ze hebben hier pas geschilderd,' zei ik.
We keken naar de vier hoge, witte muren die ons omringden. Er was verder niemand. Ik had mijn hele jeugd in de handstand doorgebracht.
Jeetje sprong eroverheen en weer terug, en ik zei: 'Niet aanraken, hè. Het is kunst.'
'Maar waarom?' vroeg zij.
'Om ons te ergeren,' zei ik. 'Om ons de betrekkelijkheid ervan in te laten zien. Om ons te shockeren. Om ons eraan te herinneren dat we nog vuilniszakken moeten kopen.'
Ze luisterde niet. We waren al in de volgende ruimte waar een piepklein teeveetje stond met het repeterend beeld erop van een tienjarig meisje in een wit jurkje en een wit onderbroekje dat steeds dezelfde handstand tegen een witte muur deed. Telkens als als haar borstjes ontbloot dreigden te worden, gingen die benen weer naar beneden. Jeetje keek gebiologeerd naar het aanloopje, de manier waarop het meisje haar handen op de grond zette en haar benen de lucht in zwiepte.
'Ik mag het hier zeker niet proberen, hè?' zei ze.
'Ze hebben hier pas geschilderd,' zei ik.
We keken naar de vier hoge, witte muren die ons omringden. Er was verder niemand. Ik had mijn hele jeugd in de handstand doorgebracht.
vrijdag 1 april 2011
Het roze fietsje en de gevlekte moeder
Ik stond met de kinderwagen bij het zebrapad te wachten, het was een druk kruispunt, spitsuur en bijna weekend, toen er plotseling een meisje op een roze fietsje dwars door het verkeer slingerde. Van links naar rechts ging ze. Piepende remmen. Mensen sloegen hun handen voor hun mond. Ik gok dat ze vier jaar was. Bijna een engeltje.
Haar moeder keek toe en schreeuwde haar naam. Ze had een jongetje van een jaar of één voorop haar fiets en een meisje van drie achterop. Het ging allemaal net goed.
De inmiddels roodgevlekte moeder gaf de oversteker een uitbrander, bracht het meisje dat achterop zat nog snel aan het huilen en toen sprong het licht op groen. Ik liep de straat over. Wéér probeerde zij haar drie kuikens fietsend aan de overkant te krijgen. Weer zag ik dat slingerende roze fietsje in die verkeerschaos. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen.
Op de volgende weg verloor het jongetje voorop, zijn regenlaarsje. De moeder stopte en keerde om. Het roze fietsje ging intussen dapper voorwaarts. De scooter die van de andere kant kwam, moest eerst voor het slingerende roze fietsje uitwijken en daarna voor haar moeder die met haar reet naar achteren gestoken, fiets in één hand, midden op de weg stond. Om het regenlaarsje op te rapen.
Ik wachtte tot ik die rode vlek met haar kroost ergens naar binnen zag gaan, en ik hoop dat ze daar voorlopig blijft.
Haar moeder keek toe en schreeuwde haar naam. Ze had een jongetje van een jaar of één voorop haar fiets en een meisje van drie achterop. Het ging allemaal net goed.
De inmiddels roodgevlekte moeder gaf de oversteker een uitbrander, bracht het meisje dat achterop zat nog snel aan het huilen en toen sprong het licht op groen. Ik liep de straat over. Wéér probeerde zij haar drie kuikens fietsend aan de overkant te krijgen. Weer zag ik dat slingerende roze fietsje in die verkeerschaos. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen.
Op de volgende weg verloor het jongetje voorop, zijn regenlaarsje. De moeder stopte en keerde om. Het roze fietsje ging intussen dapper voorwaarts. De scooter die van de andere kant kwam, moest eerst voor het slingerende roze fietsje uitwijken en daarna voor haar moeder die met haar reet naar achteren gestoken, fiets in één hand, midden op de weg stond. Om het regenlaarsje op te rapen.
Ik wachtte tot ik die rode vlek met haar kroost ergens naar binnen zag gaan, en ik hoop dat ze daar voorlopig blijft.
Abonneren op:
Posts (Atom)