dinsdag 3 mei 2011

Over jaloezie

Dit schreef ik 15 jaar geleden op 3 mei.

Ik ben te jong om nu al te niksen. Ik ben jong en welwillend, eigenlijk. Maar ik weet niet hoe ik goed en veelbesproken moet worden. Dat het niet helemaal vanzelf gaat, snap ik intussen wel. Misschien is collega E. wel een supertalent en schrijft ze ooit een boek dat een bestseller wordt. Ik ben ook jaloers op I. met haar drukke stages en moeilijke van 9 tot 4 schoolleven. Ik ben jaloers op H. met haar tentamens en briefjes aan het plafond. Ik ben jaloers op de meisjes van volleybal die bij de bank werken. Ik ben jaloers op R. die steeds moet reizen en om zes uur 's morgens op moet staan om ergens naartoe te gaan! Ik ben jaloers op m'n moeder die overspannen is van alle druk. Ik ben jaloers op het meisje van de bakker die steeds 'anders nog iets?' vraagt. Ik ben jaloers op de mensen van de markt, al heb ik ze niet gezien vandaag. Zij roepen om aandacht en krijgen dat ook. Ik heb ze dus niet gezien, maar ik weet dat ze er zijn, dat is al pijnlijk genoeg. Verder ben ik nergens jaloers op.
Misschien ben ik toch niet jaloers op één van de bovenstaande personen. Ik zou nu niet dag in dag uit op school willen zitten, 'anders nog iets?' willen vragen of op de markt willen staan schreeuwen. Toch ben ik ergens jaloers op. Vreselijk jaloers.
Maar niet precies op wat ze doen. Ach, ik heb een man. Dat is heel wat.
H. vroeg me gisteren nog of ik er geen voor haar wist. I. is ook op zoek. En ik heb wel een betere man dan bijvoorbeeld W.

E. (22)

maandag 2 mei 2011

Aantrekken en afstoten

We zijn in het speeltuintje om de hoek. We zitten in de avondzon en kijken naar de eerste stapjes van onze bijna eenjarige. Jeetje en het buurmeisje (bijna 6 en bijna 7) worden - klassiek - achternagezeten door het enige jongetje dat er ook is. Ze gillen en lachen. Op de achtergrond water. Vlonders. Bootjes in het riet. Ik zie wel dat Jeetje op een gegeven moment op het dak van het houten huisje zit, en over het IJ staart. Ze heeft een wit gezicht. Ze is moe. We moeten zo maar eens opstappen. Beneden haar rennen het jongetje en het buurmeisje nog altijd achter elkaar aan. Het spel van aantrekken en afstoten is er op z'n hoogtepunt. Ik vermoed dat Jeetje hierbij aan het kortste eind getrokken heeft. Daarom zit ze daar zo. Wij laten de baby nog een tijdje van de één naar de ander waggelen tot deze zich alleen nog voorover wil laten vallen.
'Die jongen haalde net zijn oog er uit,' fluistert Jeetje zodra we het poortje door zijn.
'Niet waar.'
'Jawel, hij haalde zijn oog er helemaal uit, legde 'm op zijn hand en stopte 'm toen weer terug.'
'Dat verzin je!'
We lopen terug naar huis.
'Het was helemaal rood daarachter.' Jeetje fluistert nog altijd.
'Echt? Heb je dat echt gezien?'
'Hij haalde zijn oog er ècht uit, mama.'
'Hij had volgens mij wel een groot en een klein oog,' zegt man. 'Maar ik heb ze allebei zien bewegen.'
'Dat kan niet. Als zo'n jongen met z'n vieze vingertjes zijn oog er uit haalt en dan weer terug stopt, komt er toch allemaal stof bij,' zeg ik, 'dan krijg je infecties en zo.'
Jeetje haalt haar schouders op. 'Als ik er maar niet van ga dromen.'
Niemand in de buurt weet iets van zevenjarige jongetjes met glazen ogen die 's avonds alleen in speeltuintjes rondhangen. Het buurmeisje heeft niets gezien. Maar Jeetje wel.
Een grotere indruk had een jongen niet op een meisje kunnen maken. 's Nachts wordt ze gillend wakker. En een paar dagen later wordt er nog op fluistertoon over hem gesproken.

vrijdag 29 april 2011

Proteststukje

Ik zag 'Somewhere' van Sofia Coppola en deed op drie kwart van de film mijn ogen dicht. Dat ik hier mijn goeie vrije avond aan op moest offeren was gruwelijk. Er gebeurde niks op het doek. Het was ook geen confrontatie met mijn eigen holle leven. Want er was geen identificatie mogelijk met de hoofdpersonages.
Meer dan mijn ogen sluiten kon niet, ik zat ingeklemd. Als je mensen tè dicht op elkaar zet, in een tè klein bioscoopzaaltje, beginnen ze te stinken. De geur van natte was die te lang in de machine heeft gezeten.
Het totale nihilisme was slaapverwekkend, maar vooral saai. Dat was Sofia Coppola's Bedoeling vast ook. Maar dat ze ons dus expres naar Niks laat kijken, vind ik stomvervelend. We houden ons lekker niet aan De Filmwetten. Zie mij de kont tegen de krib gooien. Het begint met minutenlange beelden van de beroemdheid die rondjes rijdt in zijn peperdure auto. En we we weten meteen: aha, driving around in circles. Emptiness. En hiermee hebben we de hele film gezien. Er zal niets meer veranderen. Net het echte leven, toetert Sofia Coppola in mijn oor.
We zien de beroemdheid te lang kijken naar paaldanseressen in zijn hotelkamer, we luisteren heel lang naar de schelle muziek erbij, en het doet de ster in bed doet allemaal niets. Er komt nog wel een dochter op de proppen. Maar ook daar gebeurt niets mee. Behalve dat ze bestaat. Eén opzichtig huilbuitje om te laten zien dat het kind toch best lijdt aan ouders die niet thuis geven. Waarom moet ik hier naar kijken? Ik heb geen zin om betekenis te geven aan die lege, halve en opzichtig geconstrueerde beelden. En er is zoveel te doen in de echte wereld.
Sofia Coppola heeft een biografische film gemaakt als dochter van de beroemde filmmaker. Zo zie je maar weer dat je moet uitkijken voor het uitmelken van je eigen milieu. Want het kan de toeschouwer vreselijk tegen gaan staan. We zagen steeds vooral de trucs of anti-trucs die horen bij het vertellen van een anti-verhaal. Ik was er al een beetje bang voor, maar ik ging vooral omdat ik toentertijd erg gecharmeerd was van 'Lost in translation.'
Toen we thuiskwamen zei de oppas: 'Het kan ook aan je stemming liggen, hoe je een film bekijkt.'
Dat kan inderdaad. Maar ik betwijfel het.
En dat ik hier een proteststukje schrijf is gewoon omdat ik ook eens een proteststukje wil uitproberen. Niet omdat de film toch onverwacht diepe snaren in mij geraakt heeft. Of anti-snaren.

donderdag 28 april 2011

Achtergrond


Ik ben de zussen weer tegengekomen in mijn computer. Wat willen ze? Eén ervan is mijn overgrootmoeder. Toen ik haar er uit probeerde te pikken, met mijn speciale familiezintuig, zat ik er naast. Toen ik het nog eens probeerde, had ik het weer niet goed.
Tussen mijn oudtantes in herkende ik haar niet.
Twee jaar geleden had ik de zussen nog even als achtergrond op mijn computer. Al gauw werd het me te gortig. Hun blikken. Hun ingesnoerde lijven. Hun boosheid.
Naar verluidt waren het vijf slimme zussen, ze onthielden alles, maar intelligentie was geen vereiste als boerin. Vermoedelijk heeft dat hen wat somber gemaakt. Ik mag deze zussen dan wel van mijn scherm gehaald hebben, ze blijven toch een deel van mijn achtergrond. En op sommige dagen ploppen ze ineens weer op. Alsof ze iets willen.

woensdag 27 april 2011

Een soort reünie

Ik zag een aflevering van 'Help mijn man is klusser' waar een oud-studiegenote van de schrijfopleiding in figureerde. Zij had de brief naar het programma geschreven. Vast een goede brief. Haar man is dus klusser. Ik heb vannacht over de oud-studiegenote gedroomd. Sinds 1996 heb ik haar niet meer gezien, tot gisteravond. Het beeld haperde steeds omdat de computer moeite had het programma te laden. Soms keek ik minutenlang naar het stilstaande beeld van mijn oud-studiegenote. Ze leefde in een dorpje. Ver weg in het noorden. Ze vertoefde al jaren met haar uitdijende gezin in de keuken van haar huis. Ik zag ook haar twee kinderen, haar man en haar buren. Leuke mensen, schatte ik in. Ze was hoogzwanger van nummer drie. Het was een fantastisch huis dat - buiten de keuken om - inderdaad nog wat opgeknapt diende te worden. En aan het eind van de aflevering was dat dus ook gebeurd. Met haar derde zoon in haar handen stond ze in de deuropening. Alsof ze van de bevalling niets geleden had. Alsof ze dat er even bij had gedaan. Het was een onbekende vrouw. Maar ik herkende haar stem, haar manier van lachen, haar oogopslag, haar smaak. Vier jaar lang zaten wij, we waren met z'n negenen, dag in dag uit in een klein klaslokaal onze teksten uit te wisselen. Van haar herinner ik me nog altijd het verhaal van de ontmaagding. Daarna zagen we elkaar nooit meer.
Nu mis ik hen. Ik wilde dat ik van al mijn oud-studiegenoten zulk soort filmpjes, bij uitzending gemist, kon opsporen. Ik wil weten hoe ze wonen, hoe ze zich bewegen, wat hen beweegt, wie hun partner is, hun eventuele kinderen en ook een paar tranen wil ik zien. Voyeur als ik ben.

dinsdag 26 april 2011

Duiding van het lukrake

Ik lees ergens dat je lesgeeft op de manier waarop je zelf iets leert. Misschien zou ik het zo noemen: ik geef les op de manier waarop ik zelf werk. En die manier is niet doorzichtig. Noem mijn manier van werken maar gerust de Chaotische Grilligheid. Ook als docent/mens is dat mijn handelsmerk. Chaotisch en grillig. Leerlingen hebben houvast nodig, een structuur. Ze willen uitleg. Mijn methode is soms lastig te expliciteren. Je moet 'm ondergaan.
Het valt je in, je schrijft het op, je krast het door, je leest hier en daar, je begint met een 'gedegen' onderzoek naar het één en de volgende dag naar het ander. Dat is allemaal 'ergens' voor nodig. Zo ligt er momenteel naast mij op tafel de rede van Ger Groot over echte fictie en het fictieve ik, een krantenartikel van november 2010 met als kop Opvoeding tot onverschilligheid, 1000 talen van de wereld over levende , bedreigde en uitgestorven talen, Coert H. Linder Tasten naar schaamte en To kill a mockingbird van Harper Lee. Al die boeken opengeslagen, niets nog van A tot Z gelezen. Op mijn scherm een pagina van het ROC, de sector uiterlijke verzorging, omdat mijn hoofdpersonage de wens heeft kapster te worden. In een schriftje schrijf ik van alles op. Over aswolken in IJsland en over het Karaims dat in Litouwen door nog maar 200 mensen gesproken wordt.
Dat is geen leren. Dat is verzamelen. Ik verzamel. Ik ben een schrijver-verzamelaar. Voor een roman heb ik blijkbaar meer verzameltijd nodig dan voor korte verhalen. Dat vind ik niet gek. Al zit er ook een grens aan de verzameldrift. Die komt voor mij nu in zicht. Dat moet je ook maar net snappen.
Vooralsnog bied ik mijn leerlingen dus verzamelmethodes. Ik probeer ze hun materiaal bijeen te laten sprokkelen. Zoals ik dat zelf ook doe.
Het kan lukraak lijken. En dat klopt ook. Maar alles is ooit lukraak begonnen. Iedereen leeft op z'n eigen, lukrake manier en dat wil ik uiteindelijk precies boven tafel krijgen. Het liefst in mooie, coherente verhalen.

maandag 25 april 2011

Het laatste avondmaal

In het halletje begint de schoonmaker al op te noemen wat hij de avond ervoor gegeten heeft. Een heel blik olijven gevuld met ansjovis en feta kaas. Een liter yoghurt.
Ik sta te luisteren, kromgebogen, met twee handen de box vasthoudend, een doorgelekte en huilende baby in die box en door de kamer rent een levenslustige kleuter. Ze roept: 'Mama heeft overgegeven, mama heeft overgegeven!' Het is een gewone donderdag maar de basisschooldocenten hebben alweer een studiedag, de baby is er te slecht aan toe om naar het kinderdagverblijf te gaan, en de redding zal pas heel laat in de avond thuiskomen.
De dweil ligt nog op de vloer. Tussen de smerige handdoeken. De zure geur hangt overal. Mijn hoofd bonkt en klopt. Maar ook als de moeder zich voelt alsof ze zojuist is gemarteld, blijft de moeder een moeder. De zieke baby moet steeds opnieuw van top tot teen verkleed. De kleuter wil dat de dop van de stift gehaald wordt. Nog erger: de kleuter wil eten.
Het is trouwens geen gewone donderdag, het is witte donderdag. De dag waarop het laatste avondmaal van Jezus wordt herdacht. Aan het avondmaal van de schoonmaker ontkom ik in elk geval niet.
'Jij bang voor eten?' vraagt hij na een tijdje voorzichtig. 'Bang om te eten?'
'Nee, niet bang,' zeg ik. 'Ik ben gewoon ziek nu. Buikgriep. En de baby ook.'
'Jij eet nooit?'
'Jawel, maar nu niet. Ik wil het ook niet over eten hebben.'
'Ik heb jou nog nooit zien eten,' zegt hij dan. Met twee half dichtgeknepen ogen kijkt hij mij aan.