'Een rotzooi maken jullie ervan, zegt de schoonmaker, 'echt een rotzooi. Ik snap niet dat jullie dat zelf niet zien. De overburen maken er ook al zo'n rotzooi van. Ik kan daar soms niet eens lopen! Overal kranten en lege flessen en planten. Ik kan nergens bij. Hebben ze zo'n groot huis, leggen ze overal troep neer. Kopen ze een nieuw bureau, stoppen ze het vol met speelgoed. Snap je dat?'
'Dus die mensen zijn nòg rommeliger dan wij,' zeg ik.
'Nou, jullie maken ook veel rotzooi. Het is niet mooi dat alles op de kast ligt. Waarom niet erin? Dat kost maar vijf minuten. En waarom zit er plastic bakken tussen de pannen? En waarom is deze kast bijna leeg en die helemaal vol? Zo vol dat de la niet meer dichtgaat? Wat doen deze kaarsen in de handdoekenla?'
'Ik weet niet waar de kaarsen horen te liggen,' zeg ik.
Hij trekt de voorraadkast met een zwaai open. Het ziet er daar uit alsof daar onlangs een bom ontploft is.
'Jullie hebben plek genoeg,' zegt hij, 'maar jullie gebruiken het niet. Jullie gebruiken niets. Waar moeten jullie nou je boodschappen kwijt? Waar? En hoe moet je zien of iets over de datum is? Dat kun je zo niet zien. Dus dan moet je het weer weggooien. Het is allemaal verspilling. Waarom doen jullie dat nou? Waarom, Elkie?'
'Jij moet opruimcoach worden, Faab,' zeg ik. 'Opruimcoach. Dat is iets voor jou. Het is minder zwaar dan schoonmaker, je kunt er meer mee verdienen. En er is dus een markt voor!'
Hij kijkt me aan. 'Maar waarom doen jullie dat niet gewoon zelf?'
'Omdat we luie varkens zijn,' zeg ik, 'we zijn luie, onverschillige varkens die het leven niet verdienen.'
donderdag 12 mei 2011
woensdag 11 mei 2011
De vis met de grimas
Het was weer dinsdag 15.00 u en ik wachtte voor de basisschool. Midden tussen de lachende en gillende kinderen. De zon scheen. En ik dacht al een paar dagen heel sterk aan weglopen. Dus zei ik: 'Jeetje, we moeten oefenen voor de avondvierdaagse.'
Het buurmeisje besloot ook mee te gaan. We gingen op pad met een fles water en drie appels in mijn rugzak. We liepen langs het IJ. Aan de kant dreef een enorme karper. Met een stijve grimas.
'Wat een grote,' zei Jeetje.
'Hoe kan het dat die vis dood is,' vroeg het buurmeisje.
'Ouderdom.' Mijn standaardantwoord bij sterfgevallen.
'Ach, zijn oogje is eruit,' zei Jeetje.
'Misschien was zijn oog eruit gevallen en ging-ie toen dood,' zei het buurmeisje.
'Ogen vallen er niet zomaar uit,' zei ik.
'Misschien heeft iemand zijn oog eruit gegeten?' zei ze.
Ik keek haar strak aan.
'Geen mens,' zei ze snel. 'Een eend of zo.'
'Eenden eten geen ogen uit levende vissen,' zei ik. 'Kom!'
We liepen verder. Langs de boterbloemen, de paadjes, het hoge gras, de brandnetels, de woonboten, de haven, de camping. Halverwege werd er gepoept en afgeveegd met gras. Poepende kinderen worden loodzwaar in je armen, maar ik liet haar niet vallen. We wasten onze handen met het water uit de fles. We aten onze appels. En keken naar de vrachtboten die voorbij voeren. We zwaaiden.
'De appel ruikt naar poep,' zei Jeetje.
'Zullen we naar Afrika lopen,' zei ik.
Het buurmeisje keek me aan.
'Dat meen je niet,' zei ze.
Ik bleef even stil.
'Ik wil terug,' zei het buurmeisje.
'We kunnen toch niet naar Afrika lopen,' zei ik, 'we hebben niet genoeg spullen bij ons. Gekkie.'
Op de terugweg zagen we de dooie vis weer.
'Hij is van de kant gedreven,' zei Jeetje.
Gek genoeg ging ik er vanuit dat het een zij was. Vanwege de verfijnde tekening op haar lijf. Haar lachje.
Het buurmeisje besloot ook mee te gaan. We gingen op pad met een fles water en drie appels in mijn rugzak. We liepen langs het IJ. Aan de kant dreef een enorme karper. Met een stijve grimas.
'Wat een grote,' zei Jeetje.
'Hoe kan het dat die vis dood is,' vroeg het buurmeisje.
'Ouderdom.' Mijn standaardantwoord bij sterfgevallen.
'Ach, zijn oogje is eruit,' zei Jeetje.
'Misschien was zijn oog eruit gevallen en ging-ie toen dood,' zei het buurmeisje.
'Ogen vallen er niet zomaar uit,' zei ik.
'Misschien heeft iemand zijn oog eruit gegeten?' zei ze.
Ik keek haar strak aan.
'Geen mens,' zei ze snel. 'Een eend of zo.'
'Eenden eten geen ogen uit levende vissen,' zei ik. 'Kom!'
We liepen verder. Langs de boterbloemen, de paadjes, het hoge gras, de brandnetels, de woonboten, de haven, de camping. Halverwege werd er gepoept en afgeveegd met gras. Poepende kinderen worden loodzwaar in je armen, maar ik liet haar niet vallen. We wasten onze handen met het water uit de fles. We aten onze appels. En keken naar de vrachtboten die voorbij voeren. We zwaaiden.
'De appel ruikt naar poep,' zei Jeetje.
'Zullen we naar Afrika lopen,' zei ik.
Het buurmeisje keek me aan.
'Dat meen je niet,' zei ze.
Ik bleef even stil.
'Ik wil terug,' zei het buurmeisje.
'We kunnen toch niet naar Afrika lopen,' zei ik, 'we hebben niet genoeg spullen bij ons. Gekkie.'
Op de terugweg zagen we de dooie vis weer.
'Hij is van de kant gedreven,' zei Jeetje.
Gek genoeg ging ik er vanuit dat het een zij was. Vanwege de verfijnde tekening op haar lijf. Haar lachje.
dinsdag 10 mei 2011
maandag 9 mei 2011
Superduif
Het is vreemd om een boek van een vriendin te lezen. Al ben ik het intussen wel gewend. Het heeft iets voyeuristisch. Omdat je haar kent, of denkt te kennen. Maar als je zo'n roman leest, geeft iemand iets prijs dat in al die jaren, die gesprekjes en die mails, nooit ter sprake is gekomen. Niet op die manier. Een boek werpt altijd een ander licht op de zaak. 'Aha! Dat gaat er dus ook in dat hoofd om.'
Het liefst had ik dat iedereen die ik kende boeken schreef, zodat ik alle mensen ook op die manier kan lezen. (Inmiddels zijn dat er ook steeds meer, bedenk ik me nu. Zal wel niet voor niets zijn.)
Het gaat mij niet om de autobiografie. De feiten zijn redelijk oninteressant zelfs. Het mechanisme van fictie is mij welbekend. Maar het raakt een diepere laag, iets anders, iets wat nooit boven tafel komt in het 'normale sociale verkeer.'
Of ik ben gemankeerd waar het het normale sociale verkeer betreft. Of ik neem met minder geen genoegen. Sommige mensen kunnen bij elkaar zitten, babbelen, en dan weten ze genoeg. Dat heb ik niet. Ik kan ten eerste al niet goed 'babbelen.' En ten tweede wil ik meer, altijd meer. Het liefst in romanvorm, eigenlijk.
Ik begrijp dat niet iedereen mij dat kan bieden.
Maar Esther kan dat. En met Superduif kwam ze - volkomen terecht - op de shortlist van de Libris.
Vanavond wordt de uitslag bekend gemaakt. Ik heb de jurk gezien die ze aan zal hebben en ik weet wat ze daaronder draagt. Maar ik kan totaal niet voorspellen hoe haar volgende boek eruit gaat zien. Dat maakt haar ook tot zo'n goede schrijver.
Het liefst had ik dat iedereen die ik kende boeken schreef, zodat ik alle mensen ook op die manier kan lezen. (Inmiddels zijn dat er ook steeds meer, bedenk ik me nu. Zal wel niet voor niets zijn.)
Het gaat mij niet om de autobiografie. De feiten zijn redelijk oninteressant zelfs. Het mechanisme van fictie is mij welbekend. Maar het raakt een diepere laag, iets anders, iets wat nooit boven tafel komt in het 'normale sociale verkeer.'
Of ik ben gemankeerd waar het het normale sociale verkeer betreft. Of ik neem met minder geen genoegen. Sommige mensen kunnen bij elkaar zitten, babbelen, en dan weten ze genoeg. Dat heb ik niet. Ik kan ten eerste al niet goed 'babbelen.' En ten tweede wil ik meer, altijd meer. Het liefst in romanvorm, eigenlijk.
Ik begrijp dat niet iedereen mij dat kan bieden.
Maar Esther kan dat. En met Superduif kwam ze - volkomen terecht - op de shortlist van de Libris.
Vanavond wordt de uitslag bekend gemaakt. Ik heb de jurk gezien die ze aan zal hebben en ik weet wat ze daaronder draagt. Maar ik kan totaal niet voorspellen hoe haar volgende boek eruit gaat zien. Dat maakt haar ook tot zo'n goede schrijver.
zaterdag 7 mei 2011
Filmpje Torpedo Magazine!
En weer een filmpje voor Torpedo Magazine. Een live-blog. Iets ingedikt. Het stond ook in het Parool. Gisteren, naar het schijnt.
En maandag komt de volgende!
En maandag komt de volgende!
vrijdag 6 mei 2011
Een ander mens.
Gisteren belde ze plotseling. Zoals ze één jaar geleden plotseling in mijn ziekenhuiskamer had gestaan. 'Kan ik je helpen?' vroeg ze toen. Ze leek op een tante die ik niet mocht. Dat zag ik meteen. Maar dat geeft niets, dacht ik, daarmee is ze de tante nog helemaal niet. Ik was verbaasd over mijn eigen flexibele gedachtengang. Maar die verbazing zette ik ook snel opzij. Want niet functioneel op dat moment.
'Ik ben een doula.'
'Wat goed!' Het woord alleen al zou mij normaliter doen steigeren.
'Zal ik eerst uitleggen wat ik doe en wie ik ben?' vroeg de doula.
'Hoeft niet.'
'Adem naar je tenen.'
'Waar zitten die?'
'Daar beneden.'
'Ah bedankt. En nu?' In een split second had ik besloten: naar jou ga ik luisteren. Ik doe alles wat jij zegt. Alles. Aan jou, onbekende mevrouw, geef ik mij over. Totaal. En dat jij op een vervelende tante lijkt, geeft niets. Ik vergeet wie ik ben, ik vergeet hoe ik ben. Ik vergeet.
'Hou me maar vast,' zei de doula. Ze spreidde haar armen. 'Hou me vast, meid.'
Ik stokte. Alles stokte.
'Kom maar,' zei ze. Ze ging op haar knieën zitten, en spreidde haar armen nog wijder.
'Hoeft niet,' zei ik.
We keken elkaar aan.
'Hoeft niet,' zei ik weer.
'Dat is óók heel goed,' zei ze toen. 'Ik respecteer grenzen.' Ze lachte, ging weer staan. En trok haar bloesje recht.
We waren twee makkelijke mensen. De doula en ik. En we klaarden de klus heel snel.
'Ik ben een doula.'
'Wat goed!' Het woord alleen al zou mij normaliter doen steigeren.
'Zal ik eerst uitleggen wat ik doe en wie ik ben?' vroeg de doula.
'Hoeft niet.'
'Adem naar je tenen.'
'Waar zitten die?'
'Daar beneden.'
'Ah bedankt. En nu?' In een split second had ik besloten: naar jou ga ik luisteren. Ik doe alles wat jij zegt. Alles. Aan jou, onbekende mevrouw, geef ik mij over. Totaal. En dat jij op een vervelende tante lijkt, geeft niets. Ik vergeet wie ik ben, ik vergeet hoe ik ben. Ik vergeet.
'Hou me maar vast,' zei de doula. Ze spreidde haar armen. 'Hou me vast, meid.'
Ik stokte. Alles stokte.
'Kom maar,' zei ze. Ze ging op haar knieën zitten, en spreidde haar armen nog wijder.
'Hoeft niet,' zei ik.
We keken elkaar aan.
'Hoeft niet,' zei ik weer.
'Dat is óók heel goed,' zei ze toen. 'Ik respecteer grenzen.' Ze lachte, ging weer staan. En trok haar bloesje recht.
We waren twee makkelijke mensen. De doula en ik. En we klaarden de klus heel snel.
woensdag 4 mei 2011
Wat kinderen allemaal weten.
'Als je in de supermarkt bent om iets te kopen en je weet niet waar het ligt. Wat doe je dan?' vraagt oma aan Jeetje.
'Zoeken,' zegt Jeetje. 'Hè,hè.'
'En als je het dan nog niet meteen vindt.'
'Nog harder zoeken,' zegt Jeetje.
'O,' zegt oma. 'Wat ik dan doe. Ik vraag het gewoon meteen aan een iemand die in de winkel werkt. Dan hoef ik niet te zoeken.'
'Wij zoeken net zolang tot we het vinden,' zegt Jeetje.
'O,' zegt oma.
'Nou,' zegt Jeetje na een tijdje.'Papa doet het trouwens ook. Hij vraagt het ook aan iemand van de winkel als hij iets niet kan vinden. Maar mama nóóit. Mama zoekt.'
'Zoeken,' zegt Jeetje. 'Hè,hè.'
'En als je het dan nog niet meteen vindt.'
'Nog harder zoeken,' zegt Jeetje.
'O,' zegt oma. 'Wat ik dan doe. Ik vraag het gewoon meteen aan een iemand die in de winkel werkt. Dan hoef ik niet te zoeken.'
'Wij zoeken net zolang tot we het vinden,' zegt Jeetje.
'O,' zegt oma.
'Nou,' zegt Jeetje na een tijdje.'Papa doet het trouwens ook. Hij vraagt het ook aan iemand van de winkel als hij iets niet kan vinden. Maar mama nóóit. Mama zoekt.'
Abonneren op:
Posts (Atom)