maandag 12 september 2011

Ander imago

Op weg naar huis, met de vioolkoffer op mijn rug, glipte ik de kledingwinkel nog even in. Ik ken de verkoopster. Kennen is een groot woord. Maar toen ik daar een maand of vier, vijf geleden naar binnen liep, vertelde ze mij dat de broek die ik droeg ècht niet kon. Dat die niet stond.
'Wil je die nooit meer dragen?' riep ze uit.
'Het is een oude broek,' zei ik.
'Je lijkt er voller in, dan je bent.'
'Vertel mij wat ik aan moet,' zei ik. 'Ik heb geen idee.'
'O,' zei ze, 'dit had ik nooit mogen zeggen. Sorry. Maar het is zo'n lelijk ding.'
'Verontschuldig je niet,' zei ik, 'ik apprecieer eerlijkheid. Jij bent de specialist, niet ik. Jij redt mij. Ik zou gewoon met deze broek verder de stad ingetrokken zijn.'
Ze kwam met een hele bleke, strakke spijkerbroek. Een beetje gevlekt. Ik moet zeggen; die stond ook beter. Ik leek er minder vet in. Zelfs mijn hoofd leefde op. Ik vroeg of ik 'm meteen aan mocht houden en beloofde haar dat ik de oude broek weg zou gooien.

'Ik heb 'm nooit meer aan gehad hoor!' zei ik nu ter verwelkoming.
'Je moest 'm weggooien,' zei ze.
De verkoopster herkende mij nog wel, maar wist niet wat ze me tenslotte verkocht had.
Deze keer haalde ze meteen een glanzende, zwarte pantalon uit het rek. Een paar andere klassieke broeken met vouw passeerden de revue. Je hoeft maar een vioolkoffer bij je te dragen, dacht ik. Zo simpel is het.
Ze zei: 'Ik zoek kleren voor je uit. En dan speel jij er een mooi stukje viool bij.'
'Jij schat mij verkeerd in.'
'O,' zei ze.
'Ik speel helemaal geen viool.'
'Maar...' Ze wees naar de koffer.
'Ja,' zei ik. 'Ik heb wel een viool bij me.'

vrijdag 9 september 2011

Verborgen humor

De boekpresentatie van 'Wij dansen niet' van Ellen Heijmerikx was bij mijn oude uitgeverij. Het was er vertrouwd. Er waren veel bekenden. Ik stond hier en daar. Ook was ik een tijdje met mijn vroegere uitgeefster en een andere schrijver aan het praten over ditjes en datjes uit de boekenwereld. Een gezellig kletsje.
Ineens zei de uitgeefster: 'Híér behandelen wij iedereen als een ster, wij hebben geen sterauteurs, die moeten wij niet. Maar och, auteurs met sterallures gaan vanzelf bij ons weg.'
Ze liet een stilte vallen, toen zei ze nonchalant: 'naar de Bezige Bij of zo.'
Eh, dit ligt er volgens mij iets te dik bovenop, dacht ik. Waarschijnlijk is het een grap. Bijtende humor. Maar dat mag.
Dus keek ik haar, voorzichtig lachend, aan.
Ze bleef me recht aankijken en vertrok geen enkel spiertje. Niets. Nergens.
En ik maar lachen.

donderdag 8 september 2011

Wachten op Priscilla

Ik kwam het koffietentje binnen en een mevrouw keek meteen op. Ze leek me ouder dan de dame waarmee ik een afspraak had. Maar een foto op internet kan vertekenen. Of verouderd zijn. Of gefotoshopt. Weet ik veel wat. Ze stak haar hand uit. Ik de mijne. We schudden handen.
'Dag Priscilla!' zei ze.
'Wat zegt u?'
'Priscilla?' zei ze.
'Nee,' zei ik. 'Nee.'
'O?'
'Nee,' zei ik weer.
'Ik heb een afspraak met iemand die ik niet ken. Vandaar,' zei ze.
'Ik ook. Vandaar,' zei ik. Ik bestelde een dubbele espresso, en bladerde door het Parool van gisteren waarin ik mijn tekstje tegenkwam. Het filmpje is gisteren op de Torpedo-magazine site gezet. (past u op voor sluikreclame)

Na een tijdje kwam er een dame het koffietentje binnenstappen. De mevrouw en ik keken allebei meteen op. Ik dacht: dat is de mijne. Dat is Priscilla niet. Maar de mevrouw had haar aandacht eerder gevangen. Ik zag ze praten, handen schudden. Ik hoorde de dame nog vragen: 'U bent Elke?'
De mevrouw knikte enthousiast van ja. Zij was Elke. Alles was goed. Ze gingen zitten.
'Ik denk dat je mij moet hebben,' riep ik toen. 'Of heet jij Priscilla?'
'Nee,' zei de dame.
'Ik ben ook Elke,' zei ik.
Verwarring alom. De dame keek naar mij en naar de andere Elke.
'Toevallig dat u Elke heet,' zei ik.
'Ik heet Ellen,' zei de mevrouw.

Ellen is nog een keer naar het toilet toegegaan om haar make-up goed te doen. Ze heeft nog een cappuccino gedronken. Daarna is Ellen vertrokken. Priscilla is niet komen opdagen.

woensdag 7 september 2011

Morgen wordt het niks!

's Nachts werd Deetje om het uur wakker en wilde vooral door mij worden vastgehouden. Dus sta ik daar met dat zware ding in de slaapzak dat in het holst van de nacht tegen mij op aan het kruipen is. Tenslotte zwaar op mij leunt. Mijn armen worden lammer, voeten kouder. De wind giert om het huis alsof het ergens op een open vlakte staat. Het wordt niks met werken morgen als ik niet slaap. Het wordt niks morgen met werken als ik niet slaap. Door dit gedoe kan ik niet meer slapen en dan wordt het niks morgen. Met werken. (dit maal 10.000, geluid over de boksen) Was ik maar iemand die geen slaap nodig heeft, was ik maar...(naar eigen believen invullen, in elk geval: een ander) Want op deze manier wordt het morgen niks. Ik moet goed slapen, mij goed houden nu, mijn tijd goed gebruiken, en effectief. Ik moet focussen. Maar morgen wordt het niks. Stel dat dit zo doorgaat na morgen en alle dagen na morgen, ze wordt elke nacht om het uur wakker. Huilend. Krijsend. Niemand weet waarom. Stel dat er iets in haar gevaren is. Iets psychiatrisch misschien. Helemaal in het begin, als ze nog zo klein zijn, nog geen anderhalf jaar, dan lijkt iedereen nog heel gewoon. Ook iedere gek.

dinsdag 6 september 2011

De dag

Ik bracht Deetje naar de crèche, ze mocht gaan wennen bij dreumesgroep. Onze grote, dappere dame van nog geen anderhalf.

Ik bracht Jeetje naar groep 3. Ze zit nu in een samengestelde klas met groep 3/4/5. De jongen die naast haar zit, zit in groep 5.
'Ik zei al tegen mijn man,' zei zijn moeder, 'die ouders staan hun kind nog zo lang uit te zwaaien. Maar ze komen natuurlijk van de kléúters.'
'Ja, van de kleuters, ja,' zei ik.
De ex-kleuter liet mij haar laatje zien, met de gum, het potlood en zo'n werkboekje en een eigen tekenschrift. Met haar laatje trok ik ook mijn eigen lagere schoollaatje open. Ik voelde de spanning en sensatie die ik toen voelde. Het was enorm.

Thuis opende ik mijn werkmap. Ik sprong er gewoon ergens in. Met je ogen dicht in het ijskoude bad. Ik wilde niet meteen dood.

Ik rende een kort rondje door regen en storm.

Ik zocht de ontbijtkoek voor Jeetje die uit school kwam. Als een waanzinnige. Maar de koek die ik gisteren kocht, is echt spoorloos verdwenen.

Ik ging naar de kapper. Er was daar iets gaande. De baas en een kapster hadden ruzie, als een getrouwd stel. Zij verweet hem niet vriendelijk bejegend te zijn. Hij snapte het niet.

Ik wokte mie met broccoli voor mijn vriendin en Jeetje en Deetje. Man was uit eten. De kinderen waren uitgehongerd en afgedraaid.

maandag 5 september 2011

Het paren

Jeetje (6) en het buurmeisje (7) zitten samen op de bank en bespreken hun gezamenlijke toekomst en de eventuele kinderwens. Het buurmeisje wil met Jeetje trouwen en Jeetje ziet dat ook wel zitten. Dus dat is al gauw geregeld. Maar het buurmeisje wil geen kinderen en Jeetje wil ze wel.
'Als ik met jou ga trouwen, wordt het sowieso moeilijk,' zegt Jeetje.
'Ja,' zegt het buurmeisje.
'We hebben een jongen nodig,' zegt Jeetje.
'Ja, maar we kunnen een jongen even bij ons laten komen.'
'Oké en dan ga ik met hem paren,' zegt Jeetje.
'Ja, en dan kan hij weer weggaan.'
'En dan krijg ik een baby,' zegt Jeetje.
Jeetje en het buurmeisje knikken tevreden. Hebben zij het allemaal even goed opgelost. Ik kan het niet laten te interfereren.
'Maar als jij dan met Jeetje getrouwd ben, heb jij tòch een kind,' zeg ik het buurmeisje. 'En dat wou je niet.'
'O, dat geeft niet,' zegt het buurmeisje, 'ik wil ze gewoon niet zelf krijgen.'
'Bij het paren gaat de piemel in de plasser,' zegt Jeetje dan.
We knikken.
'Maar ik wil niet dat de jongen in mij plast.' Er komen rimpels op Jeetjes voorhoofd.
'De jongen heeft voor het paren al geplast.' Ik stel haar gerust.

vrijdag 2 september 2011

Die schrijver die twee boeken tegelijk uitbrengt

Bij de tramhalte op Centraal Station waar tram 13 zou arriveren wachtten veel mensen. Ik zat op het bankje. Niet ver van mij vandaan stond een jongeman met pikzwarte ogen die opvallend pienter rondkeken. Hij wachtte een beetje, hij keek op zijn I-phone. Ik zag een stukje van de tatoeage in zijn nek. Met rood erbij. Dat zie je niet veel. Het maakte hem onvoorspelbaar. Die gaat daar ook naartoe, dacht ik. Dat moet die jongen zijn die vanavond voor gaat lezen. We wachtten een hele tijd. Ik zei niets. Ik kende die hele jongen niet. Ik denk altijd dat de hele wereld op weg is naar dezelfde bestemming als ik. En trouwens, misschien had hij mij ook al wel gezien. En deed hij alsof van niet.
Tram 13 arriveerde op een ander spoor. We liepen er beiden naartoe. Maar dat zou toeval kunnen zijn. Hij stapte voor in. Achterin de tram typte ik zijn naam in. Henk van Straten. Het was de schrijver van wie binnenkort twee boeken in één keer uitkwamen, die een blog bijhield, een kind had èn een wekelijkse column schreef.
We stapten uit bij dezelfde halte. Hij liep naar de verkeerde kant van de straat en stond daar stil om zijn I-phone te raadplegen.
Even later stonden we samen bij het zebrapad. We staken samen over. We liepen met z'n tweeën door de Marnixstraat. Hij bestudeerde zijn routeplanner, en ik bedacht openingszinnen.
'Hee hoi? Ik had je nog helemaal niet gezien. Jij moet toch ook voorlezen?'