'Ik wil het gewoon niet meer horen,' zegt man.
'Dan zeg ik het wel tegen niemand,' zeg ik, 'dan krop ik het lekker allemaal op.'
'Je mag het niet stééds tegen mij zeggen. Het is zo'n onzin.'
'Het is geen onzin.'
'Je roept het over jezelf af.'
'Het is echt niks.'
'Het gaat altijd zo.'
'Deze keer is het waar.'
'Je stelt je vreselijk aan.'
'Je begrijpt het gewoon niet.'
'Als ik er maar niets meer over hoor.'
'Het is ook alweer kerst en...!'
'Het is nog geen kerst. Nog drie weken.'
'En dit staat niet, hè? Deze broek. Moet je zien. Hier in ben ik een dikke lelijke trol.'
'Niet alleen daar in,' zegt man.
woensdag 7 december 2011
maandag 5 december 2011
Familie idylle
We zaten in de auto terug naar Amsterdam. We moesten anderhalf uur gaan rijden. Jeetje en Deetje hadden hun pyjama's aan en allebei een dekentje. De Sint was onverwacht langsgekomen bij mijn ouders of nou ja hij niet. De wasmand met cadeautjes stond er. 'Klaas! Dootje!' bleef Deetje maar zeggen. Deetje, die zelf op een playmobilpoppetje lijkt, kreeg een playmobilschoolbus. Je zou het moeten zien hoe ze eindeloos lang zo'n poppetje uit de bus haalde en 'm weer terug stopte. Met die mollige handjes en die dikke rode wangen. Jeetje kreeg een microfoon en moest huilen toen ze uiteindelijk met een smoes de kamer uitgestuurd werd. Omdat haar zang door dat ding nogal op de zenuwen begon te werken. 'Maar waarom fòpten jullie mij,' zei ze. 'Waarom zeiden jullie niet gewoon dat jullie het niet mooi vonden hoe ik zong. Ik dacht dat het mooi was.' En ik voelde precies hoe ondraaglijk het was om op die manier in het ootje te worden genomen. Ik beloofde haar dat niet meer zo te doen.
De ananas die mijn moeder me meegegeven had, rolde steeds van het dashboard in mijn schoot. Toen ik omkeek, we hadden nog geen kilometer gereden, zag ik al die twee slapende hoofdjes. Naar elkaar toe gerold. Open mondjes. En ik wilde dat we zo doorreden, zonder dat dit ooit stopte. Alleen die ananas lag niet goed eigenlijk. Die prikte.
De ananas die mijn moeder me meegegeven had, rolde steeds van het dashboard in mijn schoot. Toen ik omkeek, we hadden nog geen kilometer gereden, zag ik al die twee slapende hoofdjes. Naar elkaar toe gerold. Open mondjes. En ik wilde dat we zo doorreden, zonder dat dit ooit stopte. Alleen die ananas lag niet goed eigenlijk. Die prikte.
zaterdag 3 december 2011
De Verliefde
Tijdens het rennen, kwam ik weer eens op een fijne schrijfopdracht voor mijn cursisten. Het beschrijven van verliefdheid. Hoe beschrijf je iemand die verliefd is zonder het erbij te zeggen en zonder dat die aantrekkelijke Ander in de buurt is. Wat zijn de uiterlijke kenmerken? Hoe beweegt een verliefde zich? Hoe kijkt hij of zij? Wat zegt hij als hij dus niet over het object van zijn verlangen mag praten? Probeer via de omtrekkende bewegingen zo dichtbij mogelijk te komen.
Ik ben benieuwd of we dan op dat universele trekje, blikje, glimpje, uitkomen dat alle verliefden gemeen lijken te hebben. Ik heb ze namelijk nogal om me heen de laatste tijd. Verliefden. Jong, oud, getrouwd; ze vallen bij bosjes lijkt wel. Alsof het in de lucht hangt, zoals ook die blafhoest van de buren in de lucht hangt.
Ik bedenk meestal schrijfopdrachten die voor mijzelf te moeilijk zijn.
Ik ben benieuwd of we dan op dat universele trekje, blikje, glimpje, uitkomen dat alle verliefden gemeen lijken te hebben. Ik heb ze namelijk nogal om me heen de laatste tijd. Verliefden. Jong, oud, getrouwd; ze vallen bij bosjes lijkt wel. Alsof het in de lucht hangt, zoals ook die blafhoest van de buren in de lucht hangt.
Ik bedenk meestal schrijfopdrachten die voor mijzelf te moeilijk zijn.
vrijdag 2 december 2011
Twee citaten
In een interview met Karl Ove Knausgard in de VPRO gids van deze week las ik:
Voor schrijvers en kunstenaars geldt: je hebt iets diep in je wat het mogelijk maakt om te schrijven. Naar die plek ga je niet toe, want dan maak je het 'op.' Maar ik wilde all the way gaan. Dat is gelukt en daardoor zal ik nooit meer een roman schrijven.
In een NRC interview van 4 november, met David Vann las ik:
Maar ik weet niet beter dat onze beste literatuur over de hel gaat, omdat uiteindelijk ook alle tragedie in de westerse cultuur draait om een onderzoek naar goed en kwaad. De hel, dat is waar we bang voor zijn in onszelf. Dus: mijn boeken beschrijven het landschap in mijzelf waar ik bang voor ben en het is de bedoeling om dat in mijn fictie uit te drijven, of te ontkennen.
Deze citaten hebben iets met elkaar te maken.
Voor schrijvers en kunstenaars geldt: je hebt iets diep in je wat het mogelijk maakt om te schrijven. Naar die plek ga je niet toe, want dan maak je het 'op.' Maar ik wilde all the way gaan. Dat is gelukt en daardoor zal ik nooit meer een roman schrijven.
In een NRC interview van 4 november, met David Vann las ik:
Maar ik weet niet beter dat onze beste literatuur over de hel gaat, omdat uiteindelijk ook alle tragedie in de westerse cultuur draait om een onderzoek naar goed en kwaad. De hel, dat is waar we bang voor zijn in onszelf. Dus: mijn boeken beschrijven het landschap in mijzelf waar ik bang voor ben en het is de bedoeling om dat in mijn fictie uit te drijven, of te ontkennen.
Deze citaten hebben iets met elkaar te maken.
donderdag 1 december 2011
Ons bakbeest
Ons bakbeest moest weg. Hij was twintig jaar oud. Het sneeuwde er bijna altijd. De mensen die er op te zien waren, kleurden rood/paars en op sommige dagen gifgroen. De mensen en de dingen begonnen in elkaar over te lopen. Het begon met een kleine klap, maar tegenwoordig moest hij echt afgeranseld worden, voordat-ie aan sprong.
'Maar het is zo'n mooie,' zei Jeetje (6), 'niemand, echt niemand, heeft zo'n mooie televisie als wij.'
'O?'
'Ja, iedereen heeft zo'n platte. Wij hebben een hele mooie grote. En nu moet ie weg. Waarom?'
Ze huilde met grote uithalen. Ze klemde zich aan hem vast. Ze legde haar wang tegen hem aan. Beauty en het bakbeest.
Toen ze uit school kwam, vroeg ze: 'Waar is hij naartoe? Wat heb je met hem gedaan?'
Het verhaal van het omsmelten, hergebruik en het tweede leven werkte averechts.
Even later hoorde ik mezelf vertellen over ons bakbeest en het hele arme gezin waar hij nu stond te schitteren.
'Maar het is zo'n mooie,' zei Jeetje (6), 'niemand, echt niemand, heeft zo'n mooie televisie als wij.'
'O?'
'Ja, iedereen heeft zo'n platte. Wij hebben een hele mooie grote. En nu moet ie weg. Waarom?'
Ze huilde met grote uithalen. Ze klemde zich aan hem vast. Ze legde haar wang tegen hem aan. Beauty en het bakbeest.
Toen ze uit school kwam, vroeg ze: 'Waar is hij naartoe? Wat heb je met hem gedaan?'
Het verhaal van het omsmelten, hergebruik en het tweede leven werkte averechts.
Even later hoorde ik mezelf vertellen over ons bakbeest en het hele arme gezin waar hij nu stond te schitteren.
dinsdag 29 november 2011
Discipline
Het is een dinsdag. De dinsdag na mijn tournee. Het wordt ook geen andere dag vandaag. Dat is wat we tenminste weten. Ik hou de gordijnen hier gesloten. Ze laten wel licht door. Het schemert al, terwijl het nog maar even na negenen in de ochtend is. Ik zou er zo een fles port bij kunnen zetten. Zoals de schrijvers in boeken doen. Maar ik zet er geen port bij. Ik vul zo een anderhalve literfles met water. Ik drink nog een espresso. Dan open ik echt mijn document. Ik hoop dat het een goeie werkdag wordt vandaag. Ik hoop dat ik ook nog ga rennen. Het gekke is dat het lijkt of ik er zelf niet altijd de hand in heb; hoe de dag loopt. Of zou dat puur gebrek aan discipline zijn?
maandag 28 november 2011
Een nacht
Voorlezen in Nijmegen was goed. Ik begon pas rond half 12 en dus duurde de avond nog lang. Maar zelfs als ik tot 4 uur in de ochtend ergens blijf, heb ik het gevoel de eerste te zijn die vertrekt. Dat was ook zo geloof ik. Ik heb gepraat met Dautzenberg, over pedofilie natuurlijk. Ik weet nog dat ik heel hard riep dat het een ziekte was of dan tenminste ziekelijk, en zijn gezicht dat vol afgrijzen naar me keek. Ik weet ook nog dat hij zei dat hij zijn vriendinnetje ging zoeken en dat ik dat zo aandoenlijk van hem vond. Ik heb in de artiestenfoyer heel lang met de chauffeur/begeleider van Jules Deelder moeten zitten die mij met adviezen overstelpte, me vertelde over het leven dat zo voorbij kan zijn en dat ik daarom nu moet genieten en niet op mijn telefoontje kijken, hij vertelde me over later als ik groot zou zijn en ik een leven opgebouwd zou hebben. Ik dacht: die man weet niet dat ik al groot ben en een heel leven opgebouwd heb, - een leven dat nu thuis in twee bedjes lig te slapen - dat het voor mijn generatie vooral de uitdaging is dat leven niet af te breken. Of juist wel. Ik weet niet wat het beste is. Willem van het Wintertuinfestival kondigde mij aan en daarna Jan van Mersbergen. Willem Claassen die mij ooit 'ontdekt' heeft, en over wie nu in de wandelgangen geruchten gaan dat hij een heel erg goed boek geschreven heeft en dat geloof ik. In het voorjaar komt dat uit. 's Ochtends in het hotel liep ik tegelijk met de jongeman van Clausewitz de trap af, Joost de Vries, die me vroeg of ik goed geslapen had, kort zei ik en toen zei hij dat hij naar het museum ging. 'O, museum! Ik ook,' zei ik, 'maar ik ontbijt eerst nog even.'
Abonneren op:
Posts (Atom)