donderdag 8 december 2011

Tocht

'Er is iets raars aan de hand,' hoorde ik de trammensen tegen elkaar zeggen. Het was negen uur 's avonds. En wij stonden daar maar. Met z'n allen. Tussen twee haltes in. Alleen de hagel sloeg tegen de ruiten. De wind gierde. Niemand zei wat.
Totdat er een meneer in een donkerblauwe mantel opstond.
'Ik ben over een half uur deze tram uit,' zei hij tegen de jongeman in het glazen hokje.
'Dat weet ik niet,' zei hij.
'Ja, dat weet ik wel,' zei de meneer, 'let jij maar eens op.'
'Sorry, voor de overlast,' zei de jongeman.
Van achter uit de tram riep een vrouw : het is nul - één. En even later riep ze: 'nu is het één - één. Gaat het nu weer beter met je?' De meneer ging zitten.
Hierna vielen we weer terug in die vreemde, doodse stilte. De rug van de meneer trilde misschien iets. Een half uur ging voorbij. Toen gingen de deuren plotseling open.
Even later liep ik op hoge hakken over de rails. Overal, langs de rails en op de vierbaansweg, zwierven losse mensen. Als zelfmoordenaars. Vrouwen met slapende kinderen in hun armen. Ze staken over bij bij de afrit naar de snelweg. Ik moest me vasthouden aan een verkeersbord om de weg niet op te waaien.

woensdag 7 december 2011

Gezellig gesprek

'Ik wil het gewoon niet meer horen,' zegt man.
'Dan zeg ik het wel tegen niemand,' zeg ik, 'dan krop ik het lekker allemaal op.'
'Je mag het niet stééds tegen mij zeggen. Het is zo'n onzin.'
'Het is geen onzin.'
'Je roept het over jezelf af.'
'Het is echt niks.'
'Het gaat altijd zo.'
'Deze keer is het waar.'
'Je stelt je vreselijk aan.'
'Je begrijpt het gewoon niet.'
'Als ik er maar niets meer over hoor.'
'Het is ook alweer kerst en...!'
'Het is nog geen kerst. Nog drie weken.'
'En dit staat niet, hè? Deze broek. Moet je zien. Hier in ben ik een dikke lelijke trol.'
'Niet alleen daar in,' zegt man.

maandag 5 december 2011

Familie idylle

We zaten in de auto terug naar Amsterdam. We moesten anderhalf uur gaan rijden. Jeetje en Deetje hadden hun pyjama's aan en allebei een dekentje. De Sint was onverwacht langsgekomen bij mijn ouders of nou ja hij niet. De wasmand met cadeautjes stond er. 'Klaas! Dootje!' bleef Deetje maar zeggen. Deetje, die zelf op een playmobilpoppetje lijkt, kreeg een playmobilschoolbus. Je zou het moeten zien hoe ze eindeloos lang zo'n poppetje uit de bus haalde en 'm weer terug stopte. Met die mollige handjes en die dikke rode wangen. Jeetje kreeg een microfoon en moest huilen toen ze uiteindelijk met een smoes de kamer uitgestuurd werd. Omdat haar zang door dat ding nogal op de zenuwen begon te werken. 'Maar waarom fòpten jullie mij,' zei ze. 'Waarom zeiden jullie niet gewoon dat jullie het niet mooi vonden hoe ik zong. Ik dacht dat het mooi was.' En ik voelde precies hoe ondraaglijk het was om op die manier in het ootje te worden genomen. Ik beloofde haar dat niet meer zo te doen.
De ananas die mijn moeder me meegegeven had, rolde steeds van het dashboard in mijn schoot. Toen ik omkeek, we hadden nog geen kilometer gereden, zag ik al die twee slapende hoofdjes. Naar elkaar toe gerold. Open mondjes. En ik wilde dat we zo doorreden, zonder dat dit ooit stopte. Alleen die ananas lag niet goed eigenlijk. Die prikte.

zaterdag 3 december 2011

De Verliefde

Tijdens het rennen, kwam ik weer eens op een fijne schrijfopdracht voor mijn cursisten. Het beschrijven van verliefdheid. Hoe beschrijf je iemand die verliefd is zonder het erbij te zeggen en zonder dat die aantrekkelijke Ander in de buurt is. Wat zijn de uiterlijke kenmerken? Hoe beweegt een verliefde zich? Hoe kijkt hij of zij? Wat zegt hij als hij dus niet over het object van zijn verlangen mag praten? Probeer via de omtrekkende bewegingen zo dichtbij mogelijk te komen.
Ik ben benieuwd of we dan op dat universele trekje, blikje, glimpje, uitkomen dat alle verliefden gemeen lijken te hebben. Ik heb ze namelijk nogal om me heen de laatste tijd. Verliefden. Jong, oud, getrouwd; ze vallen bij bosjes lijkt wel. Alsof het in de lucht hangt, zoals ook die blafhoest van de buren in de lucht hangt.

Ik bedenk meestal schrijfopdrachten die voor mijzelf te moeilijk zijn.

vrijdag 2 december 2011

Twee citaten

In een interview met Karl Ove Knausgard in de VPRO gids van deze week las ik:
Voor schrijvers en kunstenaars geldt: je hebt iets diep in je wat het mogelijk maakt om te schrijven. Naar die plek ga je niet toe, want dan maak je het 'op.' Maar ik wilde all the way gaan. Dat is gelukt en daardoor zal ik nooit meer een roman schrijven.

In een NRC interview van 4 november, met David Vann las ik:
Maar ik weet niet beter dat onze beste literatuur over de hel gaat, omdat uiteindelijk ook alle tragedie in de westerse cultuur draait om een onderzoek naar goed en kwaad. De hel, dat is waar we bang voor zijn in onszelf. Dus: mijn boeken beschrijven het landschap in mijzelf waar ik bang voor ben en het is de bedoeling om dat in mijn fictie uit te drijven, of te ontkennen.

Deze citaten hebben iets met elkaar te maken.

donderdag 1 december 2011

Ons bakbeest

Ons bakbeest moest weg. Hij was twintig jaar oud. Het sneeuwde er bijna altijd. De mensen die er op te zien waren, kleurden rood/paars en op sommige dagen gifgroen. De mensen en de dingen begonnen in elkaar over te lopen. Het begon met een kleine klap, maar tegenwoordig moest hij echt afgeranseld worden, voordat-ie aan sprong.
'Maar het is zo'n mooie,' zei Jeetje (6), 'niemand, echt niemand, heeft zo'n mooie televisie als wij.'
'O?'
'Ja, iedereen heeft zo'n platte. Wij hebben een hele mooie grote. En nu moet ie weg. Waarom?'
Ze huilde met grote uithalen. Ze klemde zich aan hem vast. Ze legde haar wang tegen hem aan. Beauty en het bakbeest.

Toen ze uit school kwam, vroeg ze: 'Waar is hij naartoe? Wat heb je met hem gedaan?'
Het verhaal van het omsmelten, hergebruik en het tweede leven werkte averechts.
Even later hoorde ik mezelf vertellen over ons bakbeest en het hele arme gezin waar hij nu stond te schitteren.

dinsdag 29 november 2011

Discipline

Het is een dinsdag. De dinsdag na mijn tournee. Het wordt ook geen andere dag vandaag. Dat is wat we tenminste weten. Ik hou de gordijnen hier gesloten. Ze laten wel licht door. Het schemert al, terwijl het nog maar even na negenen in de ochtend is. Ik zou er zo een fles port bij kunnen zetten. Zoals de schrijvers in boeken doen. Maar ik zet er geen port bij. Ik vul zo een anderhalve literfles met water. Ik drink nog een espresso. Dan open ik echt mijn document. Ik hoop dat het een goeie werkdag wordt vandaag. Ik hoop dat ik ook nog ga rennen. Het gekke is dat het lijkt of ik er zelf niet altijd de hand in heb; hoe de dag loopt. Of zou dat puur gebrek aan discipline zijn?