maandag 20 februari 2012

Even doorpakken...

Begin december vroeg Jan van Mersbergen me te komen praten over mijn boek. Eind februari ergens.
‘Maar dat is er nog niet,’ zei ik.
‘Het verhaal dat in De Revisor stond is toch een onderdeel van je roman?’
‘Ja, maar wat moet ik er verder nog over zeggen? Er is geen roman.’
‘We kunnen je ook interviewen als je dat liever hebt?’
‘Waarover?
‘Over je werk en zo.’
‘Oké, dat is wel goed dan.’
‘Komt goed,’ schrijft Jan. Die nu Carnaval aan het vieren is en van dat interviewen bleek verder niemand iets te weten.

Ik dacht toen ook: Eind februari is nog ver. Dan begint de lente al.
Het scheen mij toe dat ik eind februari, dat is tenslotte haast het begin van de zomervakantie, wel meer over mijn roman in wording zou kunnen vertellen. Het was op z’n minst een goede stok achter de deur om dat te gaan doen. Misschien zou het boek eind februari wel af zijn zelfs. Of in elk geval ongeveer af. Het zou in twee maanden gepiept kunnen zijn. Waarom niet? Het was alleen nog maar een kwestie van even doorpakken...

Wil je horen hoe dit verder gaat....? Kom morgen naar Spui25.

donderdag 16 februari 2012

Doel

Mijn vraag was wat ze wilden leren. Waarom kwamen ze deze cursus volgen. De meesten zagen het als een stok achter de deur om meer of weer te schrijven en ze wilden graag structuur leren. Dat hoor ik eigenlijk altijd. Stokken achter de deur en structuur. Dat wil iedereen.
'Leer mij wat,' zei één van de cursisten. 'Ik weet niks. Leer mij wat.'
'Dat vind ik te passief,' zei ik.
'O ja,' zei ze.
Ik gaf ze tien woorden die ze konden gebruiken om een verhaaltje mee te schrijven.
De studente geneeskunde had het woordje diarree expres niet gebruikt omdat dan iedereen zou denken: typisch iemand die Geneeskunde studeert.
'Dan moet je dus juist diarree gebruiken,' zei ik. 'Omdat jij geneeskunde studeert. Je moet opschrijven wat jou fascineert. Waar jij mee bezig bent. Jij studeert geneeskunde omdat jij zo van diarree houdt.'
Dat begrepen ze allemaal goed.
Aan het eind van de les had ook het meisje dat niks wist, een doel.
Stokken achter de deur, wat structuur en een doel. Dat is eigenlijk alles wat we in het leven nodig hebben.

dinsdag 14 februari 2012

Begrippen

Jeetje (6) zit op een koor en heeft drieëntwintig albums van Kinderen voor Kinderen op de I-pod staan. Heel serieus luistert ze naar de liedjes, zingt ze mee, zet ze hard en dan zeg ik steeds weer heel serieus dat het geluid zachter moet. Ik zie dat er iets moois opbloeit tussen haar en die muziek. Tussen mij en Kinderen voor Kinderen is het voorgoed afgelopen, merk ik. Heel erg voorbij. Al springen de tranen me bij het horen van een enkele melodie nog wel in mijn ogen. Maar dat gaat niet over de muziek. Dat is jeugdsentiment. Middenin het het strijdlied Want ik ben dyslectisch vraagt Jeetje: 'Wat is dyslectisch eigenlijk?'
Ik probeer zo goed en zo kwaad als het gaat uit te leggen wat dyslexie is, dat veel mensen het hebben en ik leg uit dat Twan - een jongen op haar school - ook dyslectisch is.
Het zielige liedje Mijn broertje is mongool komt overduidelijk uit mijn tijd. Niet lang na het couplet komt de vraag: 'Maar wat ìs een mongool?'
'Dat mag je nu niet meer zeggen,' zeg ik, 'mongool is nu een scheldwoord.'
'Maar wat is het?'
'Je zegt nu mijn broertje heeft het syndroom van Down.'
'Een mongool is een soort mislukt mens,' zegt man.
'Kom!' zeg ik, 'het is gewoon ook een mens. Een mens met een chromosoom meer dan wij.'
'Ze hebben ook iets langere tongen,' zegt man. 'En hun ogen staan wijder uit elkaar.'
Op zijn I-phone laat hij afbeeldingen zien van mensen met het syndroom van Down. Jeetje kijkt zeer geïnteresseerd. Even later zitten we alweer middenin het verkering vraagstuk.
Na een uur zegt ze: 'Dus Twan is mongool, hè?'

zondag 12 februari 2012

Het konijntje

's Ochtends vroeg, komt de buurman - die disc jockey is - al bloem lenen. Voor het avondeten. Terwijl zijn vrouw en kinderen niet thuis zullen zijn, stooft hij voor zichzelf konijnenbouten met gepofte aardappeltjes en pastinaak. Het konijn moet uren garen maar dan heb je ook heerlijk, zacht, lichtbruin vlees. En dan nog een goed glas wijn erbij, zegt hij verheerlijkt. De manier waarop hij het vertelt, de zorgvuldigheid, intrigeert me. Omdat het het zoveelste bewijs is dat mensen anders zijn dan je denkt. Tegenstrijdiger. En omdat ik, als er niemand thuis is, het niet eens in mijn hoofd zou halen om te koken. Een boterham zou ik, staand aan het aanrecht, naar binnen proppen. Zodra de kinderen uit het zicht zijn, koken man en ik allebei niet meer, we ruimen niet meer op, we stoppen met alles eigenlijk.
Als ik de buurman uren later bij het ijs tref, denk ik onmiddellijk aan het konijntje dat thuis in zijn pan ligt te sudderen. Tussen de verse kruiden.

donderdag 9 februari 2012

Ik schaam me dood

Een mij onbekende organisatie uit Den Haag stuurde me een lange, goedbedoelde mail over de rechten van mijn toneelwerk. Het bericht ging in het bijzonder over het recht van bewerking van een stuk van Gombrowicz. Of ik dat had. Ik heb dat stuk in 1999 geschreven en ik wist nog dat het toentertijd geen bewerking genoemd mocht worden omdat men vond dat het niets meer met het origineel te maken had. Dus dat begon ik terug te schrijven.
Toen ik al op verzend geduwd had, zag ik mijn catastrofale vergissing.
Op de een of andere manier word ik altijd kriegel als het over mijn toneelstukken gaat, net zoals ik kriegel word als ik blauwe enveloppen op de deurmat vind met mijn naam erop. Ik wil er niets mee te maken hebben, maar het blijft terugkomen. Ja, ik wil wel geld ontvangen, maar dat moet geruisloos worden bijgeschreven. Het was een ongemakkelijke periode in mijn leven en ik wil er niet aan herinnerd worden? Zoiets moet het zijn. Ik heb ook ooit bij een callcenter gewerkt, aangenomen vanwege mijn goeie stem, waar ik na een dag ben weggevlucht omdat de mensen die ik belde mij almaar niet konden verstaan. Het geld dat ik die dag verdiend had, heeft me nog jarenlang achtervolgd. Ze moesten het kwijt, maar ik wilde het niet ontvangen. Waardoor het dus steeds terug bleef komen. Het heeft allemaal iets met schaamte te maken.
Maar gisteren schreef ik een nette mail naar de mevrouw van die organisatie en eindigde met: 'En als u nog vragen heeft, kunt u ze gerust stellen,' om er meteen na verzending achter te komen dat ik een mailwisseling met iemand anders erbij had gevoegd. Met kreten als: 'Het amateurtoneel achtervolgt me.' En: 'Wat een gezeik!' En: 'Terwijl ik helemaal geen tijd heb voor deze onzin, omdat ik een Groots Boek moet schrijven.'

woensdag 8 februari 2012

De vlieg

's Avonds zaten we bij de haard. Man zat op de stoel en las de krant en ik zat op de bank met de net gepresenteerde dichtbundel van Anne Büdgen. Hoe langer mijn proza wordt, hoe meer ik me ga interesseren voor poëzie. Het kan zoveel korter. Eigenlijk ben ik een dichter. Ik voel me ook het meest thuis onder dichters. Alleen dicht ik nooit meer.
'Nee, jij bènt geen dichter,' riep man nog voor ik het weer hardop gezegd had.
Poëzie is geheimzinniger. Het laat zich niet zo makkelijk kennen. Het kan vanalles oproepen en toch dwingend zijn. Ik begrijp niet hoe het werkt. Hoe je het maakt.
Als vanzelf begon ik man voor te lezen. Hij keek kort op van zijn krant en nadat ik een paar gedichten voorgelezen had, zei hij: De vlieg loopt/Over de muur/En denkt er het zijne van.

maandag 6 februari 2012

Alles leefde

Ik rende door de sneeuw met een interview van Jeroen van Kan met Jeanette Winterson op mijn oren. De zon scheen. Het aanhoudende knarsen onder je voeten. Dat voelt lekker. Het Diemerpark op haar mooist. Ik moest mijn ogen af en toe dichtknijpen, mijn hoofd afwenden van het schitterende wit. Teveel licht, scherpte en helderheid kan ik niet verdragen. Ik rende en wandelde hele stukken. Om er langer over te doen. Ik had ook over het water kunnen gaan lopen. Jeanette vertelde over haar onmogelijkheid om lineair te denken, lineaire verhalen te schrijven omdat het hoofd zo nu eenmaal niet werkt. Omdat de tijd niet bestaat. De tijd is gekunsteld. Dat is fijn om te horen van zo'n goeie schrijfster. Ik besefte dat ik het ook echt niet meer moest gaan proberen. Dat hele lineaire. Het zit er bij mij gewoon niet in. Daar ligt mijn kracht niet.
Goed, op een gegeven moment kwam ik toch weer thuis terecht.
Moest ik weer naar binnen. Het hok in. De tweede fase van mijn werk zou echt aanbreken nu. Mijn wangen tintelden. Alles leefde. Uitstelgedrag.