Een gele vrachtwagen met BAM erop (een gigantische zwarte letter) staat midden in een leeg veld. De laatste zonnestraal valt er recht op. De rest van de lucht is zwart bewolkt. Er komt regen aan. De donkerte is bezig in te vallen. Ik pik nog snel een rondje mee na het eten. Het is niet goed, dat weet ik wel. Maar veel eten zonder te bewegen is ook niet goed. En ik voel mijn lijf zachtjes meetrillen als ik ren. Mijn streven is rennen zonder dat er iets trilt.
Naast de BAM vrachtwagen staat een grijze man te springen als een konijn. Bam bam bam. Ik ben nog best een eind weg van de man. En ik weet niet zeker of het springen is, wat hij doet. Ik moet opschieten. Ik moet de duisternis voor blijven.
dinsdag 10 april 2012
zaterdag 7 april 2012
Noodlot
Nog voor ik de Nesciobrug op was, liep ik alweer, luisterend naar de stem van Tom Lanoye en het belang van de Griekse tragedie, eenmaal van de trap af, begon ik wel wat te hollen, tot Lanoye was uitgepraat, maar dat was net voorbij het woonwagenkamp al - ik had de eerste helft van het programma een paar dagen geleden beluisterd - stilstaand zocht ik een nieuw geluid op m'n I-pod, het werd Anton Valens, en ik liep en ik rende en ik liep en ik rende, en ik kreeg koude oren, en toen ik de trap van de volgende brug op wandelde, had Anton Valens het net over angst om post open te maken en angst om te groeten, en ik dacht aan mijn eigen gesloten enveloppen van vroeger en nu ook nog wel, en mijn eigen problemen met het groeten, bovenop de brug passeerde ik een paar verwaaide en zo te zien verdwaalde toeristen, die ik niet groette natuurlijk, pas beneden begon ik weer vaart te maken, ik rende camping Zeeburg voorbij en toen wilde ik alwéér heel heel erg graag stoppen, ik dacht; je hebt geen doorzettingsvermogen, dit is je ware aard, als je nou niet doorrent, betekent het dat je je boek nooit afkrijgt en mee dat ik dit dacht stopte ik met alles, er was geen beweging meer in mij te krijgen, omdat ik absoluut maar dan ook absoluut niet van dit toontje gediend ben en ik weiger mee te doen met het noodlotdenken, voor je het weet zijn mijn kinderen weer gestorven als ik nu niet beter mijn best doe, ik ben geen Griekse tragedie, na een tijdje begon ik weer te rennen en dacht ik - tot ik thuis was - aan het verhaal Angst van Biesheuvel waar ik de ochtend mee begonnen was. Hoe geweldig dat was.
donderdag 5 april 2012
Godgeklaagd
Aan de balie van het nieuwe CREA gebouw beklaagde een mevrouw zich erover dat in alle toiletruimtes een bordje hing met: 'handoeken niet in het toilet gooien.'
'En dat voor een universiteit,' zei ze.
'Een Chinees-Surinaamse man maakt hier altijd de bordjes,' zei de baliemedewerker. 'Ik weet ook niet waarom hij die eigenlijk maakt.'
'Ben ik nou echt de eerste die het opmerkt?' vroeg de mevrouw zich af.
'Je wil niet weten hoe lui de mensen zijn,' zei de baliemedewerker. 'Niemand heeft zin om zo'n bordje te lezen.'
Ik zei: 'Ik vind het sowieso van den zotte dat er staat dat je handdoeken niet in de toiletpot mag gooien. Op een universiteit nog wel.'
'Het zijn papieren handdoeken,' zei de baliemedwerker.
'Ik heb wel een foto van de bordjes gemaakt hoor,' zei de mevrouw.
'Je wil ook niet weten hoe vaak de mensen aan mij vragen waar de wc is,' zei de baliemedewerker, 'terwijl het hier overal aangegeven wordt.' Hij wees om zich heen. Aan alle muren hingen bordjes met 'wc' erop en een pijl eronder.
Dat de mensen op de universiteit nog te lui waren om het woordje wc te lezen was godgeklaagd.
'En dat voor een universiteit,' zei ze.
'Een Chinees-Surinaamse man maakt hier altijd de bordjes,' zei de baliemedewerker. 'Ik weet ook niet waarom hij die eigenlijk maakt.'
'Ben ik nou echt de eerste die het opmerkt?' vroeg de mevrouw zich af.
'Je wil niet weten hoe lui de mensen zijn,' zei de baliemedewerker. 'Niemand heeft zin om zo'n bordje te lezen.'
Ik zei: 'Ik vind het sowieso van den zotte dat er staat dat je handdoeken niet in de toiletpot mag gooien. Op een universiteit nog wel.'
'Het zijn papieren handdoeken,' zei de baliemedwerker.
'Ik heb wel een foto van de bordjes gemaakt hoor,' zei de mevrouw.
'Je wil ook niet weten hoe vaak de mensen aan mij vragen waar de wc is,' zei de baliemedewerker, 'terwijl het hier overal aangegeven wordt.' Hij wees om zich heen. Aan alle muren hingen bordjes met 'wc' erop en een pijl eronder.
Dat de mensen op de universiteit nog te lui waren om het woordje wc te lezen was godgeklaagd.
dinsdag 3 april 2012
Schoon
Het is 09.32 u. De kinderen naar de opvang gebracht in een eender jurkje. Alles in vrede. Thuisgekomen de koffiebonen gemalen, een dubbele espresso gezet. Die is nu bijna op. De dagelijkse weblogs zijn gelezen. Altijd fijn. Facebook is gecontroleerd. Niets nieuws. Er rest mij niets anders dan te beginnen. Vrij en ongedwongen. In het weekend heb ik Park van Willem Claassen gelezen en dacht daarover: zo kan het ook. Simpel en eerlijk proza. Hij kan zijn hele leven voort. Elke nieuwe fase een nieuw boek. Ik lees nu The turn of the Screw van Henry James en dat is tot nu toe heel erg spannend. Een spel met suggestie. In een recensie van het nieuwe boek van Sanneke van Hassel word ik nog genoemd en Esther Gerritsen en Maartje Wortel. Als schrijvers van chicklit voor denkers. Ik denk dat chicklit voor denkers het hoogst haalbare is als vrouw. De man zal wel gewoon literatuur schrijven. De ochtend begint schoon, de dag is nog lang, alles kan gebeuren. Er hoeft niet geleden te worden vandaag. De zon schijnt. De koffie is echt op. Het is 09.37 uur.
maandag 2 april 2012
Zondagsarm
Deetje viel, niet hard maar kennelijk ongelukkig. Een paar uur later zaten we bij de dokterspost aan de Wibautstraat. Het spreekuur liep anderhalf uur uit.
De dokter zei: 'Hebben papa en mama te hard aan je armpje getrokken?
'We hebben niet aan haar armpje getrokken.'
'Per ongeluk.' Ze lachte. 'We noemen het een zondagsarmpje. Die zien wij hier heel veel.'
'Dat is niet gebeurd.'
'Die armpjes zijn heel snel uit de kom hoor.'
'Dat zal wel, maar we hebben haar niet aangeraakt.'
De romper moest uit over de bewuste arm. De dokter bevoelde de arm. Ze deed er best lomp mee. Dat is vast nodig voor het onderzoek, hield ik mezelf voor. Ik bekeek het doktersgezicht van heel dichtbij. Ze had zwarte donshaartjes.
'De arm is niet uit de kom.' De dokter moest hard praten om boven Deetje uit te komen.
'Zei ik toch.'
Ze dacht aan een scheurtje in het polsgewricht of in de schouder, verwees ons door voor een foto en belde naar het ziekenhuis.
We zaten alweer een uur met een half ontbloot kind in een dekentje gedraaid, in de wachtkamer van de Spoedeisende hulp van het OLVG. Het was een opvallend vieze ruimte. De grond was bezaaid met snoeppapiertjes. De rook van mensen die voor de deur stonden te roken, kwam steeds naar binnen. Deetje zat heel stil op schoot. Als een baby'tje. We wachtten. Het liep al tegen de avond, toen ze de twee vrouwen tegenover ons plotseling aanwees. Met de arm. Een moment daarna klonk haar naam.
'Het hoeft niet meer,' zei ik toen we het glazen hokje inliepen. Het voorportaal voor de volgende wachtruimte.
'Waar was je toen het gebeurde?'
'Ik zat op de bank en...
'O ja, en toen pakte je haar bij het armpje, net iets te hard zeker, en toen sleurde je...'
'Nee,' zei ik, 'het is geen zondagsarmpje. Maar goed, we kunnen wel gaan. Ze heeft niks meer. Kijk maar. Ze is wonderbaarlijk genezen.'
'O, dan is het terug in de kom geschoten,' constateerde de verpleegster.
'We hebben er niet aan getrokken!'
'Dat gebeurt heel vaak hoor.' De verpleegster glimlachte.
De dokter zei: 'Hebben papa en mama te hard aan je armpje getrokken?
'We hebben niet aan haar armpje getrokken.'
'Per ongeluk.' Ze lachte. 'We noemen het een zondagsarmpje. Die zien wij hier heel veel.'
'Dat is niet gebeurd.'
'Die armpjes zijn heel snel uit de kom hoor.'
'Dat zal wel, maar we hebben haar niet aangeraakt.'
De romper moest uit over de bewuste arm. De dokter bevoelde de arm. Ze deed er best lomp mee. Dat is vast nodig voor het onderzoek, hield ik mezelf voor. Ik bekeek het doktersgezicht van heel dichtbij. Ze had zwarte donshaartjes.
'De arm is niet uit de kom.' De dokter moest hard praten om boven Deetje uit te komen.
'Zei ik toch.'
Ze dacht aan een scheurtje in het polsgewricht of in de schouder, verwees ons door voor een foto en belde naar het ziekenhuis.
We zaten alweer een uur met een half ontbloot kind in een dekentje gedraaid, in de wachtkamer van de Spoedeisende hulp van het OLVG. Het was een opvallend vieze ruimte. De grond was bezaaid met snoeppapiertjes. De rook van mensen die voor de deur stonden te roken, kwam steeds naar binnen. Deetje zat heel stil op schoot. Als een baby'tje. We wachtten. Het liep al tegen de avond, toen ze de twee vrouwen tegenover ons plotseling aanwees. Met de arm. Een moment daarna klonk haar naam.
'Het hoeft niet meer,' zei ik toen we het glazen hokje inliepen. Het voorportaal voor de volgende wachtruimte.
'Waar was je toen het gebeurde?'
'Ik zat op de bank en...
'O ja, en toen pakte je haar bij het armpje, net iets te hard zeker, en toen sleurde je...'
'Nee,' zei ik, 'het is geen zondagsarmpje. Maar goed, we kunnen wel gaan. Ze heeft niks meer. Kijk maar. Ze is wonderbaarlijk genezen.'
'O, dan is het terug in de kom geschoten,' constateerde de verpleegster.
'We hebben er niet aan getrokken!'
'Dat gebeurt heel vaak hoor.' De verpleegster glimlachte.
zaterdag 31 maart 2012
Er gebeurde iets
Man en ik liepen naar het Torpedotheater in een zijstraatje van de Nes. We dronken eerst Muntthee in het Frascaticafé. Ik struikelde niet over het opstapje, zoals de meesten. Het was er verbouwd. Lichter, frisser, strakker. Maar het was overduidelijk het theaterwereldje. De theatermensen zagen er uit als theatermensen. Daar hangt een bepaalde sfeer omheen. Aan de bar zat een jonge acteur die zijn ouders bij binnenkomst (zijn moeder al struikelend) omhelsde alsof ze bij hem thuis kwamen. Vroeger was ik vaak in Frascati. Vroeger wilde ik daar bij horen, die wereld. Het werd mijn thuis maar niet. Goed, nu zaten we er dan weer. We voelden ons er toch behoorlijk op onze plek. Na de thee liepen we naar het voormalige Parooltheater voor het eerste internationale literaire variété spektakel van Waumans & Victoria. Hier was duidelijk al heel lang niets meer verbouwd. Er pasten maximaal veertig mensen in. We luisterden dik twee uur naar schrijvers en een zanger. Er werd alle tijd genomen voor een inleidend gesprekje. De sfeer was intiem. Iedereen was interessant. Het publiek luisterde aandachtig. Er gebeurde iets. Meer heb je niet nodig om bij te komen. Van de dingen.
'Het zijn aardigere mensen,' zei man, 'in het literaire wereldje.'
'Het zijn aardigere mensen,' zei man, 'in het literaire wereldje.'
donderdag 29 maart 2012
Dreiging
In iedere vader die ik tegenkom, zie ik de boze vader. En er rennen nogal wat vaders door dit park. Net zoveel vaders als konijnen in dit deel van Amsterdam. Ze zouden in principe allemaal boos op mij kunnen zijn. Echt vriendelijk kijken de mannen niet, nu ik er eens op let. De meesten hebben verbeten koppen. Spiedende blikken. Bij elke stap die ik zet, kan ik in principe in mijn nek gegrepen worden. Ik herken hem niet, maar hij mij waarschijnlijk wel. En terwijl ik ren, schieten de zinnen door mijn hoofd. Woorden als kanonskogels. Alles zet ik in. Totdat ik zeker weet dat ik de boze vader aan het huilen heb. Grienen moet hij. Boeten. Aanval is de beste verdediging. Blijven schieten op een dood konijn.
De boze vader mailde mij naar aanleiding van mijn column in de buurtkrant. In de eerste regel adviseerde hij me voorgoed te stoppen met schrijven omdat hij er boos van werd. In de tweede regel eiste hij uitleg bij mijn stukje. Hij ondertekende met Een boze vader. En toen ik braaf wat uitleg gegeven had, kreeg ik een mail terug waarin hij ondertekende met Nog bozere vader.
De volgende mail zal moeten eindigen met Een verslagen vader.
Gelukkig staan we er allebei boven, de boze vader en ik. Gelukkig zijn we volwassen en weldenkend. Maar de lijn kan eng dun zijn, merk ik bij mezelf. De onredelijkheid ligt altijd wel op de loer.
De boze vader mailde mij naar aanleiding van mijn column in de buurtkrant. In de eerste regel adviseerde hij me voorgoed te stoppen met schrijven omdat hij er boos van werd. In de tweede regel eiste hij uitleg bij mijn stukje. Hij ondertekende met Een boze vader. En toen ik braaf wat uitleg gegeven had, kreeg ik een mail terug waarin hij ondertekende met Nog bozere vader.
De volgende mail zal moeten eindigen met Een verslagen vader.
Gelukkig staan we er allebei boven, de boze vader en ik. Gelukkig zijn we volwassen en weldenkend. Maar de lijn kan eng dun zijn, merk ik bij mezelf. De onredelijkheid ligt altijd wel op de loer.
Abonneren op:
Posts (Atom)