dinsdag 12 juni 2012

Espresso

Aan het eind van de middag loop ik naar beneden om een espresso te maken om me nu eindelijk te kunnen concentreren. Het is de dag na mijn verjaardag. Ik ben een beetje brak. Ook schommelde ik deze dag iets te vaak tussen hoop en vrees. Ik heb iets te veel lagere schoolmensen op Facebook getroffen, hun levens bekeken, hun kinderen, hun vrienden. Vrienden schreven me dat ze maniakaal aan het schrijven zijn, dat ze op hun tandvlees lopen, en dat ze bang zijn voor een hartaanval als hun boek af is. Maar dat dat niet geeft. Als het boek maar af is. Ik hoop ineens dat het puur toeval is dat ik 'Never ending story' nu al een keer of zes achter elkaar opgezet heb. Het lievelingsliedje van mij als twaalfjarige. 'Dream your dream and what you see will beheheeeheheeheheee.'
Terwijl ik de espresso opdrink, lees ik het interview met Jonah Leher in de VPROgids: 'Creativiteit is niet één ding. Soms, als je vastloopt, en je op zoek bent naar een aha-moment, dan moet je een hete douche nemen of een lange wandeling maken. En soms is het nodig dat je doorzet, dat je je vastbijt en niet opgeeft, dat is het moment dat je een espresso drinkt. Succesvolle creatieve mensen weten wanneer ze moeten dagdromen, wanneer ze niks moeten doen om ideeën te laten ontstaan en wanneer ze zich moeten concentreren. Over het algemeen kun je zeggen dat concentratie wordt overschat als het om creativiteit gaat.'
Dit laatste stelt mij sowieso gerust.

maandag 11 juni 2012

Op hakken

Rond half één 's nachts stapten man en ik uit op station Boxmeer. In de laatste trein naar Venlo zaten mensen met uitgelopen vlaggetjes op hun wangen. Middelbare mannen met zilvergrijs haar, oranje hoedjes en dubbele tongen maakten grapjes met langbenige meisjes. De meisjes lachten naar hen. Dat vond ik lief van ze. Dat zouden de meisjes in Amsterdam nooit doen. We hadden in Nijmegen gegeten met vrienden en gedacht dat er in Boxmeer wel een taxi naar Heijen te regelen was. Er stond hier en daar een vader met draaiende motor te wachten op zijn tienerdochter. Meer auto's waren er niet. De meeste mensen pakten hun fietsen en verdwenen in de nacht. Al gauw was het weer doodstil in Boxmeer alsof er nooit een trein gearriveerd was. Het was dik elf kilometer naar Heijen en ik had schoenen met hakken. Gelukkig was café Piek open. Aan de bar hing een stel oranje mensen en toen we binnenkwamen viel de hele kroeg stil.
'Een taxi?' zei de oranje eigenaar. 'Ik weet ook niet of die zo laat nog te krijgen zijn.'
'Het is kwart voor één,' zei ik.
Hij belde een taxibedrijf. Om 2 uur 's nachts zou er op z'n vroegst een taxi bij café Piek kunnen zijn. Ergens wist ik dit al vanaf het moment dat we in Nijmegen instapten. Vroeger zou ik mijn ouders wakker gebeld hebben. 'Kom je ons halen? We hebben de bus gemist.' Maar dat kon nu echt niet meer. Dus wandelden we en vertelde ik man de dingen van vroeger toen ik hier fietste. We kwamen langs een ziekenhuis dat er vroeger niet stond. Het eerstvolgende dorp was Beugen, - half verwachte ik de discobus voor discotheek First Choice te treffen, maar er was geen discobus meer en geen First Choice - er was café het Posthuis waar 'Nederland, O Nederland, wij zijn de kampioen' gedraaid werd. De ramen sprongen er haast uit. De mensen huilden het liedje mee. We liepen langs graanvelden en andere velden. Af en toe fietste er een groepje jongeren voorbij op weg naar Gennep, Ottersum of Heijen. Volgens mij hoorde ik iemand de naam van mijn nichtje zeggen. Maar de fietsers waren al gauw niet meer te zien en wij liepen verder. Het was aardedonker. Er was nergens straatverlichting. 'Dat is te duur,' zei man. 'Dat zijn de bezuinigingen.' We kwamen een platgereden hond tegen. Een bouvier. Toen we de Maas over waren, waren we eindelijk aan de goede kant van het water. Maar toen was het nog wel een dik half uur lopen.

vrijdag 8 juni 2012

Kauwgom

Tijdens de laatste les van dit seizoen slikte ik kauwgom door die al half uit elkaar was gevallen in mijn mond. Ik wist niet waar ik er anders mee heen moest. Onder het oog van de cursisten kon ik de losse stukjes kauwgom niet uit m'n mond peuteren. Ik dacht ook dat het geen kwaad kon. Het was maar één Freedent gommetje. Toen we na afloop nog wat dronken met z'n allen merkte ik ineens dat de kauwgom op - of eigenlijk in - mijn longen was blijven plakken. Ik wist niet dat dat kon, maar het kon dus. Ik voelde de kauwgom zitten. Ik voelde ook dat ik nog maar een piepklein gaatje over had om door te ademen. Dus ademde ik overdreven diep in en uit, in en uit. In en uit. Het zweet brak me uit terwijl ik in mijn muntthee roerde. Het kleine kauwgommetje dat ik erin gestopt had, was heel groot geworden. Het leek te groeien. Het benam me de adem. De Baskische cursiste had het met de Fries over minderheidstalen en het verzet tegen de verdwijning ervan. Ik dronk de thee te heet om de kauwgom weg te schroeien. Ik nam een lepeltje honnig. Wegglijden dan. Maar het hielp niets. De kauwgom zat muurvast. Het verdwijnt vanzelf wel een keer, dacht ik om mezelf gerust te stellen. Toen kwam het in mij op dat het twintig jaar duurde voor een uitgespuugde kauwgom uit de natuur verdween. Twintig jaar! Ik begon weer zwaar te ademen. Maar veel zuurstof kreeg ik niet binnen. De komende twintig jaar zou het alles zijn. Glimlachend zei ik de cursisten gedag.

dinsdag 5 juni 2012

Saamhorig

We trekken door het buitengebied van IJburg. Het is oppassen geblazen niet op de hakken van de ander te gaan staan. Omdat het hier zo plat is, kun je mijlenver kijken. Daarachter kruipt de lange bonte rups mensen al over de Nesciobrug. De avondvierdaagse is begonnen.
'Jij haalt hier zeker inspiratie vandaan voor je column?' zegt een moeder.
'Weet jij iets meer van die seksfeestjes dan?'
'Nee,' zegt ze, 'ik ben misschien heel burgerlijk.'
'O nou, ik ook hoor,' zeg ik snel. 'Ik hoor die geruchten steeds.'
De geruchten heeft zij ook gehoord, zegt ze. Van alle kanten wordt er gefluisterd over de IJburgse sleutelfeesten. Maar zij weet verder niet wie daaraan meedoen. Ze wil het ook liever niet weten.
'Alles komt terug van de jaren zeventig, hè?' zegt ze. 'Ook de feestjes. Zeker nu het crisis is. De mensen zoeken saamhorigheid.'
Ik bekijk de vaders en moeders op hun gymschoenen. Met een klein rugzakje. Een stuk riet tussen de tanden. We zien er verdacht saamhorig uit.

maandag 4 juni 2012

Kronkel

Over een week word ik negenendertig. Dat is gelukkig nog geen veertig. Als ik echt denk aan het feit dat dit lichaam over een jaar veertig jaren oud is, schaam ik me. Ik lag daar gisteravond in bed nog aan te denken. Die schaamte. Dat had ik ook toen ik twintig werd, dertig. Ik schaam me nu voor grijze haren. Ik trek ze uit mijn hoofd. Binnenkort is dat niet meer te doen. Dat weet ik wel. En de grijze haren zijn nog het minste. Die staan eigenlijk alleen maar symbool voor het persoonlijke falen. Het ouder worden.
Mijn hele leven schaam ik me al voor alles wat met opgroeien te maken heeft. Iedere keer als er een nieuwe fase aanbrak, kwam ik geloof ik in een lichte depressie terecht. Na een tijdje wende die fase. Ik vergat het. Er zat niets anders op. Maar dan begon de volgende fase alweer. Laatst hoorde ik een interview met Paul Auster over zijn nieuwe boek. Winterlogboek. Een geschiedenis van zijn lichaam. Ik geloof dat hij vijfenzestig werd, de winter van zijn leven brak aan. Ik had het boek ook al in mijn handen gehad in de boekwinkel, maar weer teruggelegd omdat ik nog zoveel te lezen heb. Ik rende toen ik het aan het beluisteren was, dit lichaam bijna negenendertig jaren oud en dacht aan wat het allemaal meegemaakt had. Moet ik al beginnen met het herfstlogboek dan? Het midzomerlogboek lijkt me beter. Tegen de tijd dat het af is, ben ik veertig. Ik weet dat er meer zijn die dit hebben. Maar ook veel mensen die ik spreek, zijn heel blij dat ze nu in de veertig zijn, en wijzer, en meer durven dan toen. Soms kom ik mensen tegen die het niks kan schelen. Dat lijkt me geweldig. Het is natuurlijk allemaal een verzet tegen de dood. Dat zal falen worden.

zondag 3 juni 2012

Zondag

Ik kocht zojuist de boeken: In Onbalans, Wat is waanzin? en Inleiding tot de psychoanalyse. Verder alles goed.
Het begon ermee dat ik luisterde naar Arnon Grunberg in de Avonden en dat het regende. Daarna kocht ik die boeken.
Ik luisterde toen naar Sanneke van Hassel die in Zagreb op een verhalenfestival was geweest, haar boek Ezels heb ik al. Maar ik wil graag de bundel Naar de Stad gaan lezen met daarin de mooiste verhalen van de 21ste eeuw samengesteld door Sanneke van Hassel en Annelies Verbeke. Ik vind hen allebei heel goed. En ik zag dat er nieuw werk van b.v. A.M. Homes in de bundel stond. Zij is ook al heel goed.
Brengt mij op de schrijfsters in het bovenzaaltje met wie ik gisteren op een gegeven moment samenklonterde, tijdens het VPRO boekenfestival: Frankra Treur, Marieke Groen, Maartje Wortel, Hagar Peeters, en Esther Gerritsen. Die ook heel goed zijn.
Wat dit allemaal met elkaar te maken heeft? Daar is wel iets van te maken.

vrijdag 1 juni 2012

Trompet

De grote biertent was opgezet op het braakliggend veld voor het huis van mijn ouders. Toen ik klein was, baande ik daar weggetjes door het mais. Nu werd het gebruikt voor dorpsfestiviteiten. Het was warm. Kinderen konden er hun gezicht laten beschilderen, er stond een container met zand, er werden burgers op de gril gelegd en er was een springkussen, maar daarvoor was het vorig weekend net te heet. Voor de biertent was het nooit te heet. Ik was daar 's morgens vroeg en toen ik aan het eind van de middag weer kwam, zat iedereen er nog te drinken. We keken naar een talentenjacht. Waar geplaybackt werd en apathisch gedanst, tot één jongetje zo droevig trompetterde dat alle bierheisende dorpelingen er stil van werden. Het leek wel dodenherdenking. Een kort moment van de nederdaling van de heilige geest in de tent. Het was ook Pinksteren. Ik keek of ik bekenden zag. Klasgenoten van de lagere school. Maar ik zag ze niet. En toen ik er eindelijk eentje zag, durfde ik er niet mee te gaan praten. Hij leek nauwelijks nog op hem. Ik zou niet weten wat ik moest zeggen. Op een gegeven moment ontdekte ik een jongen die geen steek veranderd was. Ook niets ouder geworden. Dat bleek dus een zoon. Die kalende pa ernaast was de echte jongen uit mijn klas. Toen ik tenslotte terugliep naar mijn ouderlijk huis, kwam er nog een meisje - nou ja een vrouw dus - aan, met haar moeder. Haar herkende ik wel meteen. Ik stak mijn hand op. Ze zwaaide niet terug. We hadden acht jaar bij elkaar in de klas gezeten en nu waren we onbekenden geworden. Toen schetterde die trompet weer, lang en eenzaam, door het dorp. De winnaar van de talentenjacht.