vrijdag 6 juli 2012

Opheldering

Ik ging een oogmeting laten doen. Het was de wazigheid die de doorslag gaf.
De wereld begon nu wel erg vaag te worden, letters verloren hun brille, waren van een afstandje niet meer van elkaar te onderscheiden.
Ik nam de bril mee die ik op heb als ik achter de computer zit. Geboren werd ik met politieogen. In die herinnering houd ik mezelf. Ik wist nog wel dat de opticien een jaar of twee geleden zei dat ik het ding altijd op moest, maar dat leek me sterk overdreven voor iemand met zulke goeie ogen. Dat was ook overdreven, ik zag de afgelopen jaren echt prima.
Ik had natuurlijk buiten de ouderdom gerekend. Mijn ogen stelden zichzelf steeds bij maar konden het slechte zicht nu niet meer zelf corrigeren. Ook de oogspieren waren aan het verslappen.
'Het enige wat u moet doen mevrouw, is uw bril opzetten.'
'O.'
'En 'm ook schoonhouden. Want de glazen waren wel èrg smerig.'
'O bedankt.'
'Het steeds maar bijstellen van uw zicht, heeft u veel energie gekost, mevrouw. Dat is zonde. Het geeft veel drukte in uw koppie zonder dat uw daar erg in heeft. Heeft u drukte in uw koppie?'
'Best wel,' fluisterde ik.
De laatste woorden van de opticien, een buitengewoon knappe jongeman, nog mijlenver weg van woorden als verval en bederf, waren: 'Alles wordt alleen maar slechter en niemand ontkomt eraan.'

donderdag 5 juli 2012

De opa

De opa klom tegen een duin op met op de schouders zijn vierjarig kleinkind. De oma liep ernaast en praatte non-stop tegen het jongetje. Met een te opgewekte oma-stem. Het kleinkind keek naar de zee die steeds verder weg raakte. De ouders met de pasgeborene liepen er zwijgend achter. Ik maakte me zorgen over de opa. Hij had onderaan het duin al een rood hoofd gehad, eenmaal boven stond het echt op knappen. Zijn overhemd hing open, zijn hele grote buik stak naar voren. Boven begon hij tot overmaat van ramp ook nog kniebuigingen te maken met kind en al. De opa wankelde, lachte en hijgde. De oma legde haar kleinzoon op hoge toon uit hoe het zat met het ontpoppen van de rups tot vlinder. Ook zij begon inmiddels te rood aan te lopen. Het kleinkind zat onbewogen bovenop de schouders. De ouders sjokten in hun buurt, zonder ook maar één ogenblik op hun ouders te letten.
De opa kreeg een voet in zijn snufferd: 'Heb je je pijn gedaan?' schreeuwde hij naar het kleinkind.'Heb je je pijn gedaan? Heb je je pijn gedaan?'
'Nee hoor.' Een mooi dromerig stemmetje had de jongen.
De opa bevoelde zijn gezicht even kort. De oma was nu in een verhandeling terechtgekomen over het nut van de duinen. De ouders met de baby even verderop, gooiden zwijgend parkeergeld in de automaat.

dinsdag 3 juli 2012

Het tienminuten-gesprek.

De juf van Jeetje zette de eierwekker op tien minuten en toen begon het gesprek. Ze zei dat ze wel veertig van zulke kinderen in de klas wilde hebben. Van zulke lieve, leergierige, slimme, zelfstandige, geïnteresseerde, creatieve, brave, humoristische, oplettende en ook nog eens zeer behulpzame kinderen.
En toch miste ik nog iets. Al kon ik er de vinger niet op leggen. Het is ook nooit goed met die ouders van tegenwoordig. Ze willen altijd meer. Meer. Meer.
De eierwekker tikte.
'Heeft Jeetje al weleens op de gang gestaan?'Ik wist niet precies waarom ik het vroeg. Ik wist het antwoord tenslotte al.
De juf lachte. Jeetje deed heel af en toe iets ondeugends, maar dat was echt altijd leuk ondeugend.
'Het lijkt mij weleens goed als ze een keer de gang op moet,' zei ik.
De juf keek me verbaasd aan. De eierwekker ging.



zaterdag 30 juni 2012

Flarden van afgelopen dagen

Ik kwam een workshop geven in de Java-bookshop op donderdag en trof daar de organisatie en twee docenten Nederlands aan een tafel vol met snoep, koek en de heerlijkste broodjes. Ze hadden geen zin om te schrijven, dus deden we dat ook niet. Het gesprek ging over het slechte spellen van de MBO studenten en het niet-lezen. Ik ging naar huis met de bundel 'Naar de stad' die ik al tijden aan wilde schaffen.

In het café bespraken we het huwelijk of uit elkaar vallen daarvan, opvoeding en de ellende van het schrijven.
In de Groene had ik net een verontrustend artikel gelezen over het nieuwe boek van Rachel Cusk over huwelijk en scheiding. De schrijfster die er ook bij kwam zitten met haar kind, vroeg me op een gegeven moment: 'En jij bent nog sámen dus?'
Ik knikte.
'Jee, wat hàndig,' zei ze. 'Dus dan kun je 's avonds gewoon om en om weg. Dan is er dus altijd iemand thuis.
Het was alsof ik volgens een heel nieuw - haar volledig onbekend - concept leefde.

Het ging ook over erkenning. We zullen het gevoel van het kind eerst erkennen, en dan pas de grens stellen.
Het moest zo: 'Ik snap heel goed dat je de tekening niet af wil geven, maar we gaan het toch doen.'
En wat had ik gezegd: 'Wat?! Wil jij die tekening niet afgeven omdat-ie te mooi is? Wat ben jij egoïstisch. Het is voor een heel ziek kind. En: zo mooi is die tekening helemaal niet. Wat denk je wel. Het kan nog veel mooier.'

Nu blijft alleen het schrijven over.

donderdag 28 juni 2012

Bang konijn

De enige die hier rent ben ik. In de verte staat een man te pissen in de avondzon. Of wat staat hij daar te doen in de berm. Hij wacht op iets of iemand die voorbijkomt.
Dus ik sla linksaf met de saxofonen in mijn oren. In een flits zie ik daar ook een man in het struikgewas staan, zich rekkend. 'Jij wou toch zo graag weten waar hier die seksfeestjes gehouden werden. Nou? Nou?' Hij grijnst naar me. Hij is verkleed als sporter. Overdressed. Ik haal de dopjes uit mijn oren, telkens achterom kijkend ren ik verder. Mijn bonzend hart hoor ik nu. Het ademen. Na een tijdje, iets meer in de bewoonde wereld, merk ik dat ik steeds 'niet bang zijn' zeg tegen de babykonijntjes die van me schrikken. 'Niet bang zijn,' zeg ik. Met de moederstem die ons allemaal geruststelt.

woensdag 27 juni 2012

Moederstemmetje

Veel te laat haalde ik mijn blik van de computer, rende zonder op of omkijken het huis uit, struikelend over de kinderen, op de stoep krioelde het er werkelijk van, knipperend met mijn ogen tegen het zonlicht zat ik op de fiets, haalde eerst de ene van de opvang en toen de andere van de crèche, parkeerde ze rond zessen heelhuids bij de rest op de stoep, missie geslaagd zou je denken. Maar in plaats van rustig op de bank in het zonnetje te gaan zitten, zette ik een berg groentes op het vuur, rende ik constant heen en weer tussen binnen en buiten, tussen braadpan en tweejarige, alsof de dood me op de hielen zat, - de kleine kon namelijk niet onbewaakt op de stoep blijven, ook haar even bij mij binnen opsluiten terwijl het buiten te doen was, mislukte jammerlijk - en de hele groenteberg brandde uiteindelijk aan, de vegetarische kip zou even later ook aanbranden, de kinderen uit de pan vliegen, de moeder zou overkoken, maar dat was toen nog helemaal niet aan de orde.
In de huizen roerden de ouders in pruttelende pannen.
'Je mag nog héél even spelen, Binkie. We gaan zó eten. Ik denk dat àlle kindjes zó gaan eten,' hoorde ik een vrouw zeggen met zo'n typisch moederstemmetje. Ze glimlachte naar me, ik glimlachte terug. Het moeders-onder-elkaar-lachje. Behalve die van mij, dacht ik. Ik voelde daar al hoe mijn typische moederstemmetje me langzaam aan het verlaten was, en ik dacht: ik word net zo als het mens in het boek wat ik schrijf, nog ging ik er niet bij zitten.

zondag 24 juni 2012

Duizelingwekkend genot

Ik kwam mijn vorige redacteur tegen tijdens het hardlopen. Nou ja hardlopen, ik was aan het slenteren en niet veel van plan. De zon scheen. Ik luisterde naar een voordracht van Thomas Rosenboom in Voetlicht. Het speelde in de jaren '70, twee jongens kwamen van de middelbare school en ze hadden het plan om iets heel anders te gaan doen dan de rest. Namelijk in de Bijstand gaan. Dan had je tenminste nog tijd over om er iets naast te doen. Ik vond dat grappig. Ik weet niet hoe het verder ging want toen kwam hij er aan gerend. Hij had er al wat kilometers op zitten, maar was - zo te zien - nog lang niet moe. Dus ik moest wel.
Wij hollen. In een voor mij net iets te optimistisch tempo. En bijkletsen tegelijk. Mijn antwoorden werden allengs korter en bondiger.
'En met schrijven?' vroeg hij.
'Ja ook, bijna inleveren.'
'Wanneer?'
'Ja, vlgnd wk.'
'Je kijkt erbij alsof je er zelf van schrikt.'
'Ja.' Ik probeerde intussen mijn hijg-neigingen te onderdrukken.
'Ik lees je wanhopige blogs natuurlijk.'
'Wnhpg? Ik prbr er juist geen wnhp in te stppn.'
'Wanhoop!' zei hij. 'Over opgesloten zitten hier en alles.'
Ik hijgde luid en duidelijk nu. Als een paard.
'Stille wanhoop,' ging hij door,'dat is nog véél erger.'
Dat was waar. Stille wanhoop was het ergst. Maar zonder stille hoop, geen stille wanhoop. En andersom. Ik zag best vaak stil wanhopigen. Ik rekende mezelf er niet toe. Maar ik begreep wel waarom ik dat idee wekte. Zoals men mij vaak bij de groep stille wateren schaarde. Klopte ook al geen zak van.
'Ik mt r af,' zei ik.
Mijn vorige redacteur holde kwiek rechtdoor, het Diemerpak uit. Ik sloeg linksaf en zette het meteen op een wandelen.
In het radioprogramma was Hafid Bouazza aangeschoven. Hij sprak over het diepe duizelingwekkende bedwelmende genot van het schrijven. En dat hij dat op de lezer over wilde brengen. Het was allemaal maar hoe je het bracht.