In de Gids lees ik het essay van Yves Petry over Lezen & Schrijven.
Hij schrijft o.a:...'de grote literaire auteurs hadden en hebben geen biologie nodig om hun verzinsels te rechtvaardigen. Onverschrokken komen ze op voor de waarheid en het bestaansrecht van hun personages met geen ander wapen in handen dan de hypnotische vermogens van de taal. Als je daar niet vatbaar voor bent, dan laten ze je verder met rust. Ben je er wel vatbaar voor, dan raak je in trance. Ze benevelen je, deze magiërs, maar ze bedriegen je niet. Ze spiegelen je immers geen werkelijkheid voor die buiten hun woorden zou bestaan. Ze schorten alleen je behoefte op aan een andere werkelijkheid dan die van hun woorden.'
Dat wou ik ook zeggen.
Ik herinner me nu A.L Snijders in een radioprogramma vertellend over zijn goede hand van citeren. Hij gebruikte vaak citaten van anderen, zei hij, omdat iemand het al eens zo goed onder woorden had gebracht.
Ook flitst er een televisiefragment met Gerrit Komrij voorbij: 'al die onzin die je bij elkaar verzint en dat ze je nog gelóven ook, dat is het mooiste.'
Maar hij zei het beter.
vrijdag 13 juli 2012
woensdag 11 juli 2012
Geloven
Mijn schoonmoeder was op bezoek en zag mij met bril beneden komen.
'Ik heb lenzen besteld,' zei ik snel.
'Ik vind die bril je wel staan hoor,' zei ze.
'Ja?'
'Ja, het maakt je interessant.'
'Waarom maakt haar dat interessant?' Jeetje keek me onderzoekend aan.
'Het maakt slim,' zei mijn schoonmoeder.
'O, dan hou ik 'm op,' zei ik.
'Hoezo maakt het slim?' vroeg Jeetje. 'Het zijn glazen met iets er omheen en dat staat op je neus.'
Ik leg uit hoe het zit met brillen en dat er vroeger geloofd werd dat dat iets met intelligentie te maken had.
Ik was 's ochtends in de Beurs van Berlage. Dat is een geweldig cafe geworden. Ik zat er met een collega koffie te drinken. Ik had het erover wat ik wilde. Ik wil mensen meenemen - het liefst dat ze door mijn tekst meegesleurd worden alsof het een wildwaterbaan is - in de wereld die ik verzin, en die wereld moeten ze dan ook geloven, ook als het niet kan, dat vind ik nu juist het leukste om te proberen. Dit is nogal wiedes. Wie wil er iets ongeloofwaardigs verkopen?
Toen ik thuiskwam stond er een nieuw tentje in de woonkamer. Lichtgewicht. We gaan binnenkort drie weken lang kamperen in Italië. Dat hebben we voor het laatst gedaan toen Jeetje 1 jaar was. Ook in Italië. Het was toen hard aanpoten voor ons. Man en ik waren vroeger fervent kampeerders, maar zijn er daarna direct mee gestopt. Omdat we er niets aan vonden met een kind, omdat vakantie toch ook vakantie moest zijn.
Nu, 6 jaar later, gaan we het weer doen, nemen we zelfs 2 kinderen mee en is de tent de helft kleiner. Verder gaan we het veel soberder doen - geen stoeltje, tafeltje kleedje, niets wat het kamperen veraangenaamd, één pan, één pitje om op te koken - omdat we in het vliegtuig nauwelijks spullen mee kunnen nemen. Het lijkt me deze keer wel wat. Dat moet je geloven.
'Ik heb lenzen besteld,' zei ik snel.
'Ik vind die bril je wel staan hoor,' zei ze.
'Ja?'
'Ja, het maakt je interessant.'
'Waarom maakt haar dat interessant?' Jeetje keek me onderzoekend aan.
'Het maakt slim,' zei mijn schoonmoeder.
'O, dan hou ik 'm op,' zei ik.
'Hoezo maakt het slim?' vroeg Jeetje. 'Het zijn glazen met iets er omheen en dat staat op je neus.'
Ik leg uit hoe het zit met brillen en dat er vroeger geloofd werd dat dat iets met intelligentie te maken had.
Ik was 's ochtends in de Beurs van Berlage. Dat is een geweldig cafe geworden. Ik zat er met een collega koffie te drinken. Ik had het erover wat ik wilde. Ik wil mensen meenemen - het liefst dat ze door mijn tekst meegesleurd worden alsof het een wildwaterbaan is - in de wereld die ik verzin, en die wereld moeten ze dan ook geloven, ook als het niet kan, dat vind ik nu juist het leukste om te proberen. Dit is nogal wiedes. Wie wil er iets ongeloofwaardigs verkopen?
Toen ik thuiskwam stond er een nieuw tentje in de woonkamer. Lichtgewicht. We gaan binnenkort drie weken lang kamperen in Italië. Dat hebben we voor het laatst gedaan toen Jeetje 1 jaar was. Ook in Italië. Het was toen hard aanpoten voor ons. Man en ik waren vroeger fervent kampeerders, maar zijn er daarna direct mee gestopt. Omdat we er niets aan vonden met een kind, omdat vakantie toch ook vakantie moest zijn.
Nu, 6 jaar later, gaan we het weer doen, nemen we zelfs 2 kinderen mee en is de tent de helft kleiner. Verder gaan we het veel soberder doen - geen stoeltje, tafeltje kleedje, niets wat het kamperen veraangenaamd, één pan, één pitje om op te koken - omdat we in het vliegtuig nauwelijks spullen mee kunnen nemen. Het lijkt me deze keer wel wat. Dat moet je geloven.
dinsdag 10 juli 2012
De tijd van het afronden
Het is de tijd van het afronden. Jeetje haalde haar C-diploma. De wekenlijkse zwemlessen zijn voor een jaar of drie/vier jaar voorbij. De voortgangsgesprekken zijn geweest. Er moeten nu alleen nog hapjes gemaakt worden voor de schoolborrel. En de schoolpicknick. Dat zijn de leuke dingen. De boezemvriend van Deetje (2) heeft zijn biezen zelfs al gepakt. 'Max mág niet op vakantie,' huilde Deetje gisteravond in haar bed.
'Maar Max komt ook weer terug,' zei ik. 'Echt waar. Hij-komt-terug.'
'O,' zei ze, draaide zich om en ging slapen. Gesprek afgerond.
Man rondt zijn laatste klus af, hij moet alleen de BTW nog doen. Dat zijn de minder leuke dingen. En ik voer gesprekken met mijn agent en vanmiddag met mijn redacteur over het boek. Ik ben een eind. Ik wacht met smart op de afronding. Eigenlijk kan ik niet rusten tot het zover is. Eigenlijk mag ik niet weg. Maar ik weet best dat het zelfs beter is het te laten rusten en dan straks - na de vakantie - die laatste slag te maken.
Op de één of andere manier verkondig ik al heel lang overal dat het bijna af is. Ik doe dat om mezelf op te jagen. Misschien moest ik daar maar eens mee stoppen.
'Maar Max komt ook weer terug,' zei ik. 'Echt waar. Hij-komt-terug.'
'O,' zei ze, draaide zich om en ging slapen. Gesprek afgerond.
Man rondt zijn laatste klus af, hij moet alleen de BTW nog doen. Dat zijn de minder leuke dingen. En ik voer gesprekken met mijn agent en vanmiddag met mijn redacteur over het boek. Ik ben een eind. Ik wacht met smart op de afronding. Eigenlijk kan ik niet rusten tot het zover is. Eigenlijk mag ik niet weg. Maar ik weet best dat het zelfs beter is het te laten rusten en dan straks - na de vakantie - die laatste slag te maken.
Op de één of andere manier verkondig ik al heel lang overal dat het bijna af is. Ik doe dat om mezelf op te jagen. Misschien moest ik daar maar eens mee stoppen.
vrijdag 6 juli 2012
Opheldering
Ik ging een oogmeting laten doen. Het was de wazigheid die de doorslag gaf.
De wereld begon nu wel erg vaag te worden, letters verloren hun brille, waren van een afstandje niet meer van elkaar te onderscheiden.
Ik nam de bril mee die ik op heb als ik achter de computer zit. Geboren werd ik met politieogen. In die herinnering houd ik mezelf. Ik wist nog wel dat de opticien een jaar of twee geleden zei dat ik het ding altijd op moest, maar dat leek me sterk overdreven voor iemand met zulke goeie ogen. Dat was ook overdreven, ik zag de afgelopen jaren echt prima.
Ik had natuurlijk buiten de ouderdom gerekend. Mijn ogen stelden zichzelf steeds bij maar konden het slechte zicht nu niet meer zelf corrigeren. Ook de oogspieren waren aan het verslappen.
'Het enige wat u moet doen mevrouw, is uw bril opzetten.'
'O.'
'En 'm ook schoonhouden. Want de glazen waren wel èrg smerig.'
'O bedankt.'
'Het steeds maar bijstellen van uw zicht, heeft u veel energie gekost, mevrouw. Dat is zonde. Het geeft veel drukte in uw koppie zonder dat uw daar erg in heeft. Heeft u drukte in uw koppie?'
'Best wel,' fluisterde ik.
De laatste woorden van de opticien, een buitengewoon knappe jongeman, nog mijlenver weg van woorden als verval en bederf, waren: 'Alles wordt alleen maar slechter en niemand ontkomt eraan.'
De wereld begon nu wel erg vaag te worden, letters verloren hun brille, waren van een afstandje niet meer van elkaar te onderscheiden.
Ik nam de bril mee die ik op heb als ik achter de computer zit. Geboren werd ik met politieogen. In die herinnering houd ik mezelf. Ik wist nog wel dat de opticien een jaar of twee geleden zei dat ik het ding altijd op moest, maar dat leek me sterk overdreven voor iemand met zulke goeie ogen. Dat was ook overdreven, ik zag de afgelopen jaren echt prima.
Ik had natuurlijk buiten de ouderdom gerekend. Mijn ogen stelden zichzelf steeds bij maar konden het slechte zicht nu niet meer zelf corrigeren. Ook de oogspieren waren aan het verslappen.
'Het enige wat u moet doen mevrouw, is uw bril opzetten.'
'O.'
'En 'm ook schoonhouden. Want de glazen waren wel èrg smerig.'
'O bedankt.'
'Het steeds maar bijstellen van uw zicht, heeft u veel energie gekost, mevrouw. Dat is zonde. Het geeft veel drukte in uw koppie zonder dat uw daar erg in heeft. Heeft u drukte in uw koppie?'
'Best wel,' fluisterde ik.
De laatste woorden van de opticien, een buitengewoon knappe jongeman, nog mijlenver weg van woorden als verval en bederf, waren: 'Alles wordt alleen maar slechter en niemand ontkomt eraan.'
donderdag 5 juli 2012
De opa
De opa klom tegen een duin op met op de schouders zijn vierjarig kleinkind. De oma liep ernaast en praatte non-stop tegen het jongetje. Met een te opgewekte oma-stem. Het kleinkind keek naar de zee die steeds verder weg raakte. De ouders met de pasgeborene liepen er zwijgend achter. Ik maakte me zorgen over de opa. Hij had onderaan het duin al een rood hoofd gehad, eenmaal boven stond het echt op knappen. Zijn overhemd hing open, zijn hele grote buik stak naar voren. Boven begon hij tot overmaat van ramp ook nog kniebuigingen te maken met kind en al. De opa wankelde, lachte en hijgde. De oma legde haar kleinzoon op hoge toon uit hoe het zat met het ontpoppen van de rups tot vlinder. Ook zij begon inmiddels te rood aan te lopen. Het kleinkind zat onbewogen bovenop de schouders. De ouders sjokten in hun buurt, zonder ook maar één ogenblik op hun ouders te letten.
De opa kreeg een voet in zijn snufferd: 'Heb je je pijn gedaan?' schreeuwde hij naar het kleinkind.'Heb je je pijn gedaan? Heb je je pijn gedaan?'
'Nee hoor.' Een mooi dromerig stemmetje had de jongen.
De opa bevoelde zijn gezicht even kort. De oma was nu in een verhandeling terechtgekomen over het nut van de duinen. De ouders met de baby even verderop, gooiden zwijgend parkeergeld in de automaat.
De opa kreeg een voet in zijn snufferd: 'Heb je je pijn gedaan?' schreeuwde hij naar het kleinkind.'Heb je je pijn gedaan? Heb je je pijn gedaan?'
'Nee hoor.' Een mooi dromerig stemmetje had de jongen.
De opa bevoelde zijn gezicht even kort. De oma was nu in een verhandeling terechtgekomen over het nut van de duinen. De ouders met de baby even verderop, gooiden zwijgend parkeergeld in de automaat.
dinsdag 3 juli 2012
Het tienminuten-gesprek.
De juf van Jeetje zette de eierwekker op tien minuten en toen begon het gesprek. Ze zei dat ze wel veertig van zulke kinderen in de klas wilde hebben. Van zulke lieve, leergierige, slimme, zelfstandige, geïnteresseerde, creatieve, brave, humoristische, oplettende en ook nog eens zeer behulpzame kinderen.
En toch miste ik nog iets. Al kon ik er de vinger niet op leggen. Het is ook nooit goed met die ouders van tegenwoordig. Ze willen altijd meer. Meer. Meer.
De eierwekker tikte.
'Heeft Jeetje al weleens op de gang gestaan?'Ik wist niet precies waarom ik het vroeg. Ik wist het antwoord tenslotte al.
De juf lachte. Jeetje deed heel af en toe iets ondeugends, maar dat was echt altijd leuk ondeugend.
'Het lijkt mij weleens goed als ze een keer de gang op moet,' zei ik.
De juf keek me verbaasd aan. De eierwekker ging.
En toch miste ik nog iets. Al kon ik er de vinger niet op leggen. Het is ook nooit goed met die ouders van tegenwoordig. Ze willen altijd meer. Meer. Meer.
De eierwekker tikte.
'Heeft Jeetje al weleens op de gang gestaan?'Ik wist niet precies waarom ik het vroeg. Ik wist het antwoord tenslotte al.
De juf lachte. Jeetje deed heel af en toe iets ondeugends, maar dat was echt altijd leuk ondeugend.
'Het lijkt mij weleens goed als ze een keer de gang op moet,' zei ik.
De juf keek me verbaasd aan. De eierwekker ging.
zaterdag 30 juni 2012
Flarden van afgelopen dagen
Ik kwam een workshop geven in de Java-bookshop op donderdag en trof daar de organisatie en twee docenten Nederlands aan een tafel vol met snoep, koek en de heerlijkste broodjes. Ze hadden geen zin om te schrijven, dus deden we dat ook niet. Het gesprek ging over het slechte spellen van de MBO studenten en het niet-lezen. Ik ging naar huis met de bundel 'Naar de stad' die ik al tijden aan wilde schaffen.
In het café bespraken we het huwelijk of uit elkaar vallen daarvan, opvoeding en de ellende van het schrijven.
In de Groene had ik net een verontrustend artikel gelezen over het nieuwe boek van Rachel Cusk over huwelijk en scheiding. De schrijfster die er ook bij kwam zitten met haar kind, vroeg me op een gegeven moment: 'En jij bent nog sámen dus?'
Ik knikte.
'Jee, wat hàndig,' zei ze. 'Dus dan kun je 's avonds gewoon om en om weg. Dan is er dus altijd iemand thuis.
Het was alsof ik volgens een heel nieuw - haar volledig onbekend - concept leefde.
Het ging ook over erkenning. We zullen het gevoel van het kind eerst erkennen, en dan pas de grens stellen.
Het moest zo: 'Ik snap heel goed dat je de tekening niet af wil geven, maar we gaan het toch doen.'
En wat had ik gezegd: 'Wat?! Wil jij die tekening niet afgeven omdat-ie te mooi is? Wat ben jij egoïstisch. Het is voor een heel ziek kind. En: zo mooi is die tekening helemaal niet. Wat denk je wel. Het kan nog veel mooier.'
Nu blijft alleen het schrijven over.
In het café bespraken we het huwelijk of uit elkaar vallen daarvan, opvoeding en de ellende van het schrijven.
In de Groene had ik net een verontrustend artikel gelezen over het nieuwe boek van Rachel Cusk over huwelijk en scheiding. De schrijfster die er ook bij kwam zitten met haar kind, vroeg me op een gegeven moment: 'En jij bent nog sámen dus?'
Ik knikte.
'Jee, wat hàndig,' zei ze. 'Dus dan kun je 's avonds gewoon om en om weg. Dan is er dus altijd iemand thuis.
Het was alsof ik volgens een heel nieuw - haar volledig onbekend - concept leefde.
Het ging ook over erkenning. We zullen het gevoel van het kind eerst erkennen, en dan pas de grens stellen.
Het moest zo: 'Ik snap heel goed dat je de tekening niet af wil geven, maar we gaan het toch doen.'
En wat had ik gezegd: 'Wat?! Wil jij die tekening niet afgeven omdat-ie te mooi is? Wat ben jij egoïstisch. Het is voor een heel ziek kind. En: zo mooi is die tekening helemaal niet. Wat denk je wel. Het kan nog veel mooier.'
Nu blijft alleen het schrijven over.
Abonneren op:
Posts (Atom)