vrijdag 25 januari 2013

Bevroren en gestolen

Wij fietsen door het Diemerpark. Er schaatsen mensen op de Zeeburgerbaai.
'Het water is gestolen en de slee is bevlolen?' zegt Deetje.
'Nee, het water is bevroren en de slee is gestolen.'
'De slee is gestolen', zegt Deetje, 'andere kinderen hebben onze slee afgepakt.'
'Ja.'
'Dat mag niet.'
'Nee, zeker niet.'
'Het water is niet weg. Het water is bevlolen.'
'Bevroren.'
'Ja, bevlolen niet gestolen,' zegt ze. 'Maar waar zwemmen de eendjes nu dan?'

donderdag 24 januari 2013

Perspectief

Iemand wees me er net op dat ik op de wij-vorm overschakelde zodra mij iets gevraagd werd.
Het idee dat we hierbinnen met meer zijn, heeft me altijd erg aangesproken. Iemand, niemand en honderdduizend van Pirandello vond ik ooit geweldig.
We zijn ook met meer natuurlijk, maar waar ben ik?
Het onbetrouwbare ik-perspectief daar ging mijn les gisteren ook over. De ik-beleving. De ik-vertelling. Een cursist had er moeite mee een andere 'ik' neer te zetten dan hijzelf. Zich te verplaatsen in een andere ik. Ik heb geen moeite me te verplaatsen. Wel moeite me niet te verplaatsen. Maar ook dan kan het ik-perspectief moeilijk zijn. Want er moet een vertrekpunt zijn.
Die avond kwamen man, buurman en ik erop dat verandering van perspectief de tijd waarin we nu leven kenmerkte. Niets is nog duidelijk. Alles en iedereen valt van z'n voetstuk. De banken, de wielrenners, de mensen die we dachten te kennen. We moeten onze mening steeds herzien. En net als we dat gedaan hebben, komt er weer een ander perspectief bij.
Eh..ik. Ik herzie.




woensdag 23 januari 2013

Het zwijgen

Door dit filmpje dacht ik weer na over het zwijgen. Waar ik vandaan kom, wordt veel gezwegen. Ik zwijg zelf ook meer dan ik aanvankelijk dacht. Zelfs tegen mezelf zeg ik niet alles.
'Praten heeft geen zin,' zei mijn moeder laatst nog aan de telefoon. 'We moeten de dingen in ons eentje verwerken. Elk voor zich.'
Ik zei daar niets op.
Vroeger werd er bij ons aan de keukentafel wel gepraat. Maar zodra het over onszelf ging, zwegen we, gingen we geruisloos uiteen. Ieder ons eigen ding doen, ergens in het huis. Tot het voorbij was.
Dan kon er weer gewoon gepraat worden. Over anderen. En daarmee soms, zijdelings, over onszelf.

dinsdag 22 januari 2013

Wie kuste ik?

Er was het moment waarop ik Deetje gedag zei en glimlachte naar de leidster van het kinderdagverblijf en ik ineens niet zeker meer wist wie ik daarnet nou gekust had, was zij het, keek ze me daarom zo schalks lachend aan en waarom kleurden haar wangen rood en toen meteen de mijne ook? Had ik in alle hectiek per ongeluk de verkeerde gekust? Had ik de achtentwintigjarige leidster een enthousiaste dikke zoen op haar wang gegeven terwijl ik mijn tweejarige dochter een hele fijne dag wenste? Ik wist het niet meer. Zij zei er  niets van. Toen ik de kou weer inging om samen met Jeetje naar school te lopen,  zwaaiden Deetje en de leidster ons uit. Allebei even enthousiast leek wel.


maandag 21 januari 2013

Hoop

We keken DWDD toen ik weer gebeld werd door Peter die zich nu Rick noemde. Ik zonderde me meteen af.
'Dag Elke, je weet toch wie ik ben?'
'Ja natuurlijk. Peter! Peter Rutten!'
'Nee. Rick.'
'O. Rick. Rick?'
Het gesprek werd een herhaling van zetten. Ook Rick belde voor een kletsje. De tweede keer werkt zoiets niet. Rick wilde niet zeggen waarvoor hij belde noch wilde hij zeggen waar ik hem van zou moeten kennen. Rick deed professioneel vaag. Ik hoorde aan het accent dat Rick uit Nijmegen kwam en toen ik het vroeg, bevestigde hij dat inderdaad. Maar wat kon mij het eigenlijk schelen dat Rick uit Nijmegen kwam? Waarom verspilde ik mijn tijd aan Rick? Misschien kwam het omdat ik ziekjes ben en dus toch al bezig met tijd verspillen? Misschien hoopte ik dat Rick met iets interessants zou komen?  Dat hoop ik heel vaak als ik met mensen praat.
Maar Rick vroeg naar mijn weekend 'lekker weekend gehad?' en vertelde over zijn lekkere weekend, hij was er nogal druk mee. Ik vroeg mij af waarom mensen toch altijd zo over het weekend zeuren. Ik had het gevoel dat het weekend alweer dagen achter me lag. Maar het bleek gisteren nog weekend te zijn geweest. Daar kon ik ineens niet over uit. De tijd ging erg veel langzamer dan ik dacht.
Toen ik zei dat ik wel klaar was met het gesprek, zei Rick: 'Dat is goed.' Ook al niet erg boeiend.


zaterdag 19 januari 2013

Gelukkig

Zeventien jaar geleden alweer las ik onder andere Anna Karenina en Honderd jaar eenzaamheid gezeten bij de open haard ergens in de Franse Cevennes. Met een kilodoos bonbons erbij. Beide boeken maakten een enorme indruk. De rust waarmee ik ze las ook. Het lijkt alsof ik sindsdien nooit meer zo goed heb kunnen lezen als toen. Ik liep daar stage bij een schrijver en man, die ik nog maar net kende, was met me meegekomen.
We lazen elk avond, we tekenden of we schreven brieven. We dronken wijn en aten dus bonbons. Op zondag hadden we vrij, dan wandelden we in de bergen.
Een paar maanden woonden we in een gastenverblijf dat aan het kasteel van de schrijver vastzat. Het was winter, we raakten nog ingesneeuwd zelfs. We zaten er totaal geïsoleerd. 's Ochtends werkten we met z'n vieren buiten, de schrijver, zijn vrouw en wij twee. Man werkte 's middags op het landgoed terwijl ik in de werkkamer van de schrijver zat te werken. Aan mijn eigen bureautje. Ik zat in het derde jaar van de HKU en had nog allerlei post-modernistische ideeën over schrijven waar toen korte metten mee werd gemaakt. Het paste niet in de politieserie.
Als iemand me zou vragen naar een van de gelukkigste tijden uit mijn leven tot nu toe, zou ik ongetwijfeld hierover beginnen. Ik heb er op dit blog ook al weleens over geschreven. Die tijd in Frankrijk wordt met het jaar mooier valt me op.
Soms aten we bij de schrijver en zijn vrouw maar meestal kookte man. Hij braadde enorme speklappen en grote koteletten van de plaatselijke slager. Elke avond aten we een bak Häagen-Dasz ijs leeg. Ik kwam in die tijd meer dan tien kilo aan. Daar kwam ik pas achter toen ik weer thuis was. Weer terug in Nederland gingen die kilo's er zo snel af dat de huisarts dacht dat ik anorexia had. Maar dat had ik niet. Het ging helemaal vanzelf. Alles.

vrijdag 18 januari 2013

Het ergste in je leven tot nu toe

Jeetje (7)  moest een vraag bedenken die ze aan haar klasgenoten mocht stellen in het kader van interview-technieken. De eerste vraag die ze bedacht was: 'Wat is het ergste dat je hebt meegemaakt in je leven tot nu toe?'
Ik vond dat wel een goeie. Ik zou dat ook willen weten van mensen. Vooral dat 'tot nu toe' in de vraag doet het hem. Ik zie de zevenjarigen kijken. Het heeft iets dreigends. Het impliceert dat er dan wel iets ergs gebeurd kan zijn, maar dat het ergste nog altijd moet komen.
Maar toen kreeg ik meteen de vraag.
'Eh ja, het érgste zeg je?'
'Ja, en waar was je toen?'
'Eh...'
'Met wie was je?'
'Eh, ik, eh. Ik weet niet. Eh.'
'Wat gebeurde er precies?'
'Nou, eh.'
'Hoe liep het af?'
'Slecht natuurlijk.'