's Ochtends lees ik stiekem de krant terwijl ik met mijn gezin rond de ontbijttafel zit. De verse krant leg ik links van mij en terwijl ik een dubbele espresso drink, scan ik de berichten. Soms verdiep ik mij heel stilletjes in een niet al te lang artikel. En dan ben ik gelukkig. Tot vandaag op de plek waar anders de krant ligt, pontificaal een dochter zat.
Wegsturen durfde ik haar niet. Dat had ik laatst gedaan toen ze daar op een avond ineens was gaan zitten en dat had niet goed uitgepakt. 's Avonds in bed had man gezegd: 'Ze vindt het gewoon ook leuk om náást je te zitten. Wat is daar nou mis mee?'
Met links van mij een kind en rechts van mij een kind smeerde ik dus mijn boterham. Ik legde de krant opgevouwen voor me, tussen broodmand en beleg. Het jongste kind aan de rechterkant bevoelde met smeerworstvingers mijn arm, streek door mijn haar en schoof nog iets dichter tegen me aan. Wilde bij me op schoot klimmen. Het kind aan de linkerkant praatte tegen me, wees me terecht 'het is onbeleefd om de krant te lezen terwijl we aan tafel zitten, mama', ging door over het te kiezen onderwerp voor haar spreekbeurt, het te koken gerecht uit de Allerhande voor kids.
'Ze zijn gewoon graag in je buurt,' glimlachte man aan de andere kant van de tafel.
Ik herinnerde mij de woorden van de yogajuf gisteravond: 'Daar waar je nog een beetje ruimte hebt, kun je nog werken. Als je meteen zover gaat dat je niet meer kunt, heb je helemaal geen speling meer. Zo is dat eigenlijk met alles,' zei ze, 'als je geen ruimte meer hebt, kun je niets doen.'
dinsdag 12 maart 2013
zondag 10 maart 2013
Het eerste jaar
In de Kleine Komedie bezocht ik de eerste Avond van de Stadsdichter en aan de dichters en schrijvers werd gevraagd wanneer ze naar Amsterdam verhuisden en hoe ze het vonden. De meesten bekenden dat het eerste jaar eenzaam en ellendig was. Mijn eerste jaar in Amsterdam, ik woonde in één van de duurste straten van stad, was zo mogelijk nog eenzamer en ellendiger. Maar het is natuurlijk geen wedstrijd. We zijn allemaal op onze eigen manier eenzaam en ellendig.
Eénentwintig jaar was ik en woonde bij een kunstenares op zolder. De douche was in haar keuken. Ze had me vrijwillig in huis genomen maar had ook weer geen keuze. Iemand moest dat huis voor haar betalen. Ze had mij uitgezocht op onzichtbaarheid, onhoorbaarheid en gehoorzaamheid. Mijn kwaliteiten. Ze vond het ook leuk dat ik iets met kunst te maken had, zei ze. Elke dag liep ik naar de Bijenkorf, ging de roltrappen op en af, en terug. Ik was na mijn studie naar Amsterdam gekomen omdat je daar moest zijn. De beweegreden van de meesten. Maar toen ik er eenmaal was, had ik geen flauw idee wat ik daar moest doen.
vrijdag 8 maart 2013
Praten
Zij zat achterop mijn fiets en tot aan de supermarkt praatten we non-stop en in de supermarkt ging het gewoon door. De bijna 3-jarige en ik praten als we samenzijn eigenlijk altijd aan één stuk door, nu ik erover nadenk. We kletsen terwijl we haar kamer opruimen, we kletsen tijdens de lunch over wat we dadelijk op brood gaan doen, of we er wel of geen boter op nemen, dat we smeerkaas hebben gekocht en dat het al heel lang geleden is dat we dat kochten, we praten over de mensen die bij ons horen maar die nu op school zijn of op het werk en we hebben het over de kleur van de jassen die ze dragen. Dit gepraat van ons viel me vandaag op omdat werkelijk de hele supermarkt op dat tijdstip, 11 uur op vrijdagochtend, gevuld leek te zijn met ouders en kinderen, - alle gangpaden werden gebarricadeerd door wandelwagens of enorme karren - maar allemaal zwegen ze. De hele winkel zweeg. Pas toen ik enkele mensen zag kijken, werd ik me bewust van het praten. Duidelijk verstaanbaar, onophoudelijk en onvermoeibaar. We gilden niet of zo. Maar het was alsof de wereld een stiltecoupé was en ik dat niet wist.
donderdag 7 maart 2013
Over horror en medelijden
In de VK lees ik deze ochtend het stuk over Stanley A. die de drang om te doden niet kon weerstaan en dus een vijftien jarig meisje neerstak. Ik krijg medelijden met Stanley A. Een week eerder stuurde hij nog een mailtje aan zijn hulpverlener waarin stond dat hij zich zorgen maakte over zijn eigen drang om te doden. Hij vertrouwde zichzelf niet. Daarop kwam geen respons. Er is ook medelijden met het vijftien jarige meisje natuurlijk. Die 's nachts op het verkeerde moment op het verkeerde bankje zit. Aangeschoten, telefoon leeg, tussen twee feestjes in daar terechtgekomen in plaats van op het logeeradres. Maar ik ben meer bezig met Stanley A. die terugkomt van een avondje triviant met vrienden en het meisje een slaapplek biedt omdat het koud is. Hij laat haar de hele nacht met rust. Ergens in de ochtend, nadat zijn vader en vriendin op citytrip zijn gegaan, houdt hij het niet meer. Dat omslagpunt fascineert me.
Daarna lees ik in NRC over het vreselijke wezen dat Mama heet.
Er is een nieuwe horrorfilm uit: Mama. Dat had ik bedacht willen hebben. Al is de Mama uit de horrorfilm niet de echte mama van de kinderen, naar ik begrijp uit de stukken. Ik zou dat wel de echte moeder hebben laten zijn. Dat is nog veel enger. Maar misschien te realistisch.
Ook lees ik dat horror een vrouwengenre is. Goede horror wekt begrip voor het monster. (....) De dader, het monster: die is interessant want onbegrepen. (...) Dr. Jekyll en de weerwolf zijn mannen met gebrekkige impulscontrole en daaropvolgend schuldgevoel. Identificatie met het monster maakt horror tot een vrouwengenre.
Die gebrekkige impulscontrole, dat is het.
Daarna lees ik in NRC over het vreselijke wezen dat Mama heet.
Er is een nieuwe horrorfilm uit: Mama. Dat had ik bedacht willen hebben. Al is de Mama uit de horrorfilm niet de echte mama van de kinderen, naar ik begrijp uit de stukken. Ik zou dat wel de echte moeder hebben laten zijn. Dat is nog veel enger. Maar misschien te realistisch.
Ook lees ik dat horror een vrouwengenre is. Goede horror wekt begrip voor het monster. (....) De dader, het monster: die is interessant want onbegrepen. (...) Dr. Jekyll en de weerwolf zijn mannen met gebrekkige impulscontrole en daaropvolgend schuldgevoel. Identificatie met het monster maakt horror tot een vrouwengenre.
Die gebrekkige impulscontrole, dat is het.
dinsdag 5 maart 2013
Uitstelscène
Dadelijk begin ik, dacht ik steeds. Dadelijk begin ik. Het één en ander was bij mekaar gekomen in mijn hoofd. Het leek me best een aardig idee. Ik had ook echt zin om te beginnen. Dadelijk.
Tegelijk met de lente ontstaan bij mij altijd de ideeën. Met de lente in de lucht, komt het leven terug in mijn hoofd. In mijn hele lijf geloof ik. Het is iets om in het vervolg rekening mee te houden. Maar elke winter weer ben ik ervan overtuigd dat deze gedachte onzin is.
Zo, ik begin, dacht ik. Maar aan mijn bureau zat ik, niks te doen. Ja, ik veranderde een naam. Ik schreef iets op in een schrift. Ik antwoordde op een Facebookbericht. Steeds als ik bijna begon, stond ik weer op, rende naar beneden om iets te eten of thee te zetten of de post van de mat te halen en rende daarna weer terug naar boven. Buiten begon de zon ineens te schijnen. Ik moest ook drie minuten in de tuin zitten en holde weer terug naar mijn werkkamer. En toen, vlak voor de dag afgelopen was en het hele gezin huiswaarts keerde, begon ik dan eindelijk.
zaterdag 2 maart 2013
Bijgelovig typje
Het is weekend. De kinderen zijn voor het eerst van hun leven naar beneden gegaan terwijl de ouders nog sliepen. Er stond een trapje bij het ledikant van Deetje en verder wees alles zich vanzelf. Toen ik naar beneden kwam zag ik dat ze de sloffen wel meegenomen hadden, - allebei gevonden dus! - maar niet aangetrokken. Ze keken natuurlijk tv. Het is mooi om te zien hoe snel ze groter worden. Ik wilde erachteraan schrijven: wat jammer dat het zo snel gaat etcetera. Maar ik vind het helemaal niet jammer. Het is ook niet zo dat ik niet kan wachten tot ze volwassen zijn. Ik heb er geen mening over. Nadat ik het stukje van gisteren geschreven had, bedacht ik dat ik het beschrijven van geluk gevaarlijker vindt dan van ongeluk. Omdat je bij geluk meer te verliezen hebt. Het beschrijven van geluk zou het einde ervan kunnen betekenen. Het kan zich tegen je keren. Dat komt omdat ik het ongeluk vooral beschrijf om het tegen te gaan, het op te lossen of te stoppen. Stel dat het bij geluk ook zo gaat.
vrijdag 1 maart 2013
Dagboek
Het is hier 25 tot 30 graden. De aanschaf van een houtkachel in de woonkamer verhoogt met de temperatuur ook het geluk. Dat kan ik je wel vertellen. Wat kan ik nog meer vertellen? 's Avonds lees ik de Pest van Camus. 's Ochtends begin ik met het dagboek van Woolf. Tussendoor is er De Wake van Giphart. Een cursus vervreemdend proza schrijven heb ik ook bedacht. Dat lijkt me leuk. Nu (op het moment dat ik dit schrijf) vallen meteen de kinderen hoog van de kast. Allebei tegelijkertijd! Met een oorverdovend lawaai. Man raapt ze op.
'Ze zijn kapot,' zegt hij, 'jij hebt ze niet goed neergelegd.'
Zijn vinger bloedt door het glas. Het waren natuurlijk kinderen achter glas. Toch hou ik er niet van als er portretten met mijn kinderen erop kapot vallen. Dat vertel ik je ook.
Er is meer. Maar meer vertel ik gewoon niet. Dat lijkt me ook ongeluk brengen.
(Nee, ben je betoeterd. Dat is het niet.)
'Ze zijn kapot,' zegt hij, 'jij hebt ze niet goed neergelegd.'
Zijn vinger bloedt door het glas. Het waren natuurlijk kinderen achter glas. Toch hou ik er niet van als er portretten met mijn kinderen erop kapot vallen. Dat vertel ik je ook.
Er is meer. Maar meer vertel ik gewoon niet. Dat lijkt me ook ongeluk brengen.
(Nee, ben je betoeterd. Dat is het niet.)
Abonneren op:
Posts (Atom)