Maarten Biesheuvel zag ik gisteravond bij de DWDD dat voor de gelegenheid omgeturnd werd in Hier is...Adriaan van Dis. Hij zat er met zijn vrouw Eva. Recentelijk ben ik het boekje 'Oude geschiedenis van pa die leefde als een dier want hij schaamde zich nergens voor en hij was erg praktisch' kwijtgeraakt. Ik had het nog niet eens zo lang in mijn bezit. Zo goed ken ik Maarten Biesheuvels werk niet maar toen las ik Zeeverhalen en toen moest ik alles van die man hebben.
Voor mijn studenten had ik het korte verhaal met de lange titel gekopieerd en moet het bij het kopieerapparaat hebben laten liggen en iemand nam het mee.
Toen ik naar hem keek gisteren moest ik denken aan het gesprek met een moeder die me zei dat de kinderen op zo'n crèche toch in een keurslijf geduwd werden en dat ik 'ja' tegen haar zei en dat we toch allemaal in zo'n keurslijf zaten. Dag in dag uit. Dat vond zij ook. En we werden er een beetje treurig van.
Nee, ik denk hier nu pas aan. Toen ik naar hem keek, keek ik gewoon. Om precies te zijn, ik kreeg ontzettende kramp in mijn linkervoet. Onder het kijken, verging ik van de pijn, maar ik deed alsof ik niets voelde.
Ik had geen flauw idee wat hij ging doen of zeggen. Ik was steeds bang dat het iets zou zijn dat niet goed voor hem was. Biesheuvel had geen enkel keurslijf, leek wel. Niets om op/in terug te vallen.
Maar toen ging hij voorlezen. Dat was fantastisch. Door het verhaal dat hij voorlas, het was een brief aan zijn overleden vader, wilde ik meteen zelf aan het werk. Ook zoiets doen. Maar dan anders. Maar net zo eerlijk. Zo zonder keurslijf. Ook wilde ik dagenlang achter elkaar zijn verhalen gaan lezen.
vrijdag 15 maart 2013
woensdag 13 maart 2013
Ongelukkig is goed
Bij DWDD zat Herman Brusselmans te beweren dat schrijvers die gelukkig zijn nooit een grote roman kunnen schrijven. Schrijvers moeten lijden was zijn overtuiging. Het is niet voor het eerst dat zoiets gezegd wordt natuurlijk. We noemen het wel de schrijversmythe. Het is niet waar. Maar toch; Herman Brusselmans zelf zag er droever uit dan ooit en ik dacht terug aan de stoet droeve schrijvers die ik in de voorbije weken tegengekomen ben; opgeblazen, volgevreten, rooddoorlopen, klemgezopen, trillend, knarsend, zwetend of gewoon hartstikke gestoord. Er is er werkelijk niet één bij die normaal is, behalve ik, dacht ik. Ik lijd niet serieus genoeg. Ja, ik lijd wel. Als het schrijven niet vlot, lijd ik. Het afgelopen jaar heb ik geleden. Dat mocht best een naam hebben. Maar echt dood wou ik ook weer niet. Een verkapte doodswens is een belangrijke vereiste. H.B. zei ook nog dat Kees van Kooten nooit een grote roman zou schrijven omdat hij nu eenmaal een héél gelukkig man is. Dat nooit, dacht ik. Dat zal mij nooit overkomen.
'Ik denk dat ik om te beginnen maar bij jou weg moet,' zei ik tegen man.
'Denk je nou echt dat je dáár ongelukkiger van wordt?' vroeg hij ongelovig.
'Ik denk dat ik om te beginnen maar bij jou weg moet,' zei ik tegen man.
'Denk je nou echt dat je dáár ongelukkiger van wordt?' vroeg hij ongelovig.
dinsdag 12 maart 2013
Ruimte
's Ochtends lees ik stiekem de krant terwijl ik met mijn gezin rond de ontbijttafel zit. De verse krant leg ik links van mij en terwijl ik een dubbele espresso drink, scan ik de berichten. Soms verdiep ik mij heel stilletjes in een niet al te lang artikel. En dan ben ik gelukkig. Tot vandaag op de plek waar anders de krant ligt, pontificaal een dochter zat.
Wegsturen durfde ik haar niet. Dat had ik laatst gedaan toen ze daar op een avond ineens was gaan zitten en dat had niet goed uitgepakt. 's Avonds in bed had man gezegd: 'Ze vindt het gewoon ook leuk om náást je te zitten. Wat is daar nou mis mee?'
Met links van mij een kind en rechts van mij een kind smeerde ik dus mijn boterham. Ik legde de krant opgevouwen voor me, tussen broodmand en beleg. Het jongste kind aan de rechterkant bevoelde met smeerworstvingers mijn arm, streek door mijn haar en schoof nog iets dichter tegen me aan. Wilde bij me op schoot klimmen. Het kind aan de linkerkant praatte tegen me, wees me terecht 'het is onbeleefd om de krant te lezen terwijl we aan tafel zitten, mama', ging door over het te kiezen onderwerp voor haar spreekbeurt, het te koken gerecht uit de Allerhande voor kids.
'Ze zijn gewoon graag in je buurt,' glimlachte man aan de andere kant van de tafel.
Ik herinnerde mij de woorden van de yogajuf gisteravond: 'Daar waar je nog een beetje ruimte hebt, kun je nog werken. Als je meteen zover gaat dat je niet meer kunt, heb je helemaal geen speling meer. Zo is dat eigenlijk met alles,' zei ze, 'als je geen ruimte meer hebt, kun je niets doen.'
Wegsturen durfde ik haar niet. Dat had ik laatst gedaan toen ze daar op een avond ineens was gaan zitten en dat had niet goed uitgepakt. 's Avonds in bed had man gezegd: 'Ze vindt het gewoon ook leuk om náást je te zitten. Wat is daar nou mis mee?'
Met links van mij een kind en rechts van mij een kind smeerde ik dus mijn boterham. Ik legde de krant opgevouwen voor me, tussen broodmand en beleg. Het jongste kind aan de rechterkant bevoelde met smeerworstvingers mijn arm, streek door mijn haar en schoof nog iets dichter tegen me aan. Wilde bij me op schoot klimmen. Het kind aan de linkerkant praatte tegen me, wees me terecht 'het is onbeleefd om de krant te lezen terwijl we aan tafel zitten, mama', ging door over het te kiezen onderwerp voor haar spreekbeurt, het te koken gerecht uit de Allerhande voor kids.
'Ze zijn gewoon graag in je buurt,' glimlachte man aan de andere kant van de tafel.
Ik herinnerde mij de woorden van de yogajuf gisteravond: 'Daar waar je nog een beetje ruimte hebt, kun je nog werken. Als je meteen zover gaat dat je niet meer kunt, heb je helemaal geen speling meer. Zo is dat eigenlijk met alles,' zei ze, 'als je geen ruimte meer hebt, kun je niets doen.'
zondag 10 maart 2013
Het eerste jaar
In de Kleine Komedie bezocht ik de eerste Avond van de Stadsdichter en aan de dichters en schrijvers werd gevraagd wanneer ze naar Amsterdam verhuisden en hoe ze het vonden. De meesten bekenden dat het eerste jaar eenzaam en ellendig was. Mijn eerste jaar in Amsterdam, ik woonde in één van de duurste straten van stad, was zo mogelijk nog eenzamer en ellendiger. Maar het is natuurlijk geen wedstrijd. We zijn allemaal op onze eigen manier eenzaam en ellendig.
Eénentwintig jaar was ik en woonde bij een kunstenares op zolder. De douche was in haar keuken. Ze had me vrijwillig in huis genomen maar had ook weer geen keuze. Iemand moest dat huis voor haar betalen. Ze had mij uitgezocht op onzichtbaarheid, onhoorbaarheid en gehoorzaamheid. Mijn kwaliteiten. Ze vond het ook leuk dat ik iets met kunst te maken had, zei ze. Elke dag liep ik naar de Bijenkorf, ging de roltrappen op en af, en terug. Ik was na mijn studie naar Amsterdam gekomen omdat je daar moest zijn. De beweegreden van de meesten. Maar toen ik er eenmaal was, had ik geen flauw idee wat ik daar moest doen.
vrijdag 8 maart 2013
Praten
Zij zat achterop mijn fiets en tot aan de supermarkt praatten we non-stop en in de supermarkt ging het gewoon door. De bijna 3-jarige en ik praten als we samenzijn eigenlijk altijd aan één stuk door, nu ik erover nadenk. We kletsen terwijl we haar kamer opruimen, we kletsen tijdens de lunch over wat we dadelijk op brood gaan doen, of we er wel of geen boter op nemen, dat we smeerkaas hebben gekocht en dat het al heel lang geleden is dat we dat kochten, we praten over de mensen die bij ons horen maar die nu op school zijn of op het werk en we hebben het over de kleur van de jassen die ze dragen. Dit gepraat van ons viel me vandaag op omdat werkelijk de hele supermarkt op dat tijdstip, 11 uur op vrijdagochtend, gevuld leek te zijn met ouders en kinderen, - alle gangpaden werden gebarricadeerd door wandelwagens of enorme karren - maar allemaal zwegen ze. De hele winkel zweeg. Pas toen ik enkele mensen zag kijken, werd ik me bewust van het praten. Duidelijk verstaanbaar, onophoudelijk en onvermoeibaar. We gilden niet of zo. Maar het was alsof de wereld een stiltecoupé was en ik dat niet wist.
donderdag 7 maart 2013
Over horror en medelijden
In de VK lees ik deze ochtend het stuk over Stanley A. die de drang om te doden niet kon weerstaan en dus een vijftien jarig meisje neerstak. Ik krijg medelijden met Stanley A. Een week eerder stuurde hij nog een mailtje aan zijn hulpverlener waarin stond dat hij zich zorgen maakte over zijn eigen drang om te doden. Hij vertrouwde zichzelf niet. Daarop kwam geen respons. Er is ook medelijden met het vijftien jarige meisje natuurlijk. Die 's nachts op het verkeerde moment op het verkeerde bankje zit. Aangeschoten, telefoon leeg, tussen twee feestjes in daar terechtgekomen in plaats van op het logeeradres. Maar ik ben meer bezig met Stanley A. die terugkomt van een avondje triviant met vrienden en het meisje een slaapplek biedt omdat het koud is. Hij laat haar de hele nacht met rust. Ergens in de ochtend, nadat zijn vader en vriendin op citytrip zijn gegaan, houdt hij het niet meer. Dat omslagpunt fascineert me.
Daarna lees ik in NRC over het vreselijke wezen dat Mama heet.
Er is een nieuwe horrorfilm uit: Mama. Dat had ik bedacht willen hebben. Al is de Mama uit de horrorfilm niet de echte mama van de kinderen, naar ik begrijp uit de stukken. Ik zou dat wel de echte moeder hebben laten zijn. Dat is nog veel enger. Maar misschien te realistisch.
Ook lees ik dat horror een vrouwengenre is. Goede horror wekt begrip voor het monster. (....) De dader, het monster: die is interessant want onbegrepen. (...) Dr. Jekyll en de weerwolf zijn mannen met gebrekkige impulscontrole en daaropvolgend schuldgevoel. Identificatie met het monster maakt horror tot een vrouwengenre.
Die gebrekkige impulscontrole, dat is het.
Daarna lees ik in NRC over het vreselijke wezen dat Mama heet.
Er is een nieuwe horrorfilm uit: Mama. Dat had ik bedacht willen hebben. Al is de Mama uit de horrorfilm niet de echte mama van de kinderen, naar ik begrijp uit de stukken. Ik zou dat wel de echte moeder hebben laten zijn. Dat is nog veel enger. Maar misschien te realistisch.
Ook lees ik dat horror een vrouwengenre is. Goede horror wekt begrip voor het monster. (....) De dader, het monster: die is interessant want onbegrepen. (...) Dr. Jekyll en de weerwolf zijn mannen met gebrekkige impulscontrole en daaropvolgend schuldgevoel. Identificatie met het monster maakt horror tot een vrouwengenre.
Die gebrekkige impulscontrole, dat is het.
dinsdag 5 maart 2013
Uitstelscène
Dadelijk begin ik, dacht ik steeds. Dadelijk begin ik. Het één en ander was bij mekaar gekomen in mijn hoofd. Het leek me best een aardig idee. Ik had ook echt zin om te beginnen. Dadelijk.
Tegelijk met de lente ontstaan bij mij altijd de ideeën. Met de lente in de lucht, komt het leven terug in mijn hoofd. In mijn hele lijf geloof ik. Het is iets om in het vervolg rekening mee te houden. Maar elke winter weer ben ik ervan overtuigd dat deze gedachte onzin is.
Zo, ik begin, dacht ik. Maar aan mijn bureau zat ik, niks te doen. Ja, ik veranderde een naam. Ik schreef iets op in een schrift. Ik antwoordde op een Facebookbericht. Steeds als ik bijna begon, stond ik weer op, rende naar beneden om iets te eten of thee te zetten of de post van de mat te halen en rende daarna weer terug naar boven. Buiten begon de zon ineens te schijnen. Ik moest ook drie minuten in de tuin zitten en holde weer terug naar mijn werkkamer. En toen, vlak voor de dag afgelopen was en het hele gezin huiswaarts keerde, begon ik dan eindelijk.
Abonneren op:
Posts (Atom)