dinsdag 19 maart 2013

Duh

De tweejarige, het is van naturen een erg stoer en stevig meisje, blijft halverwege de trap staan. Ze wijst naar het zilvervisje dat voor haar voeten wegschiet en schreeuwt dat ik moet komen om haar bij het gevaar weg te dragen. De vlinderkas in de hortus bleek afgelopen zondag ook al de hel, een spinnetje in een hoek doet haar verstijven en nu is er dus ook het zilvervisje.
Ze heeft die angst van haar vader.
Man is bang voor spinnen. Dat slaat nergens op vind ik. Maar hij zegt dat het een oerangst is en dus gegrond. Eigenlijk ben ik voor geen enkel beest bang. Als ik een muis op het aanrecht zie zitten, gil ik misschien wat hoog. Dat is meer omdat ik het niet verwacht had dan dat het om de angst voor het beest zelf gaat. Ik ben dan wel weer onredelijk bang voor mensen.
Deze ochtend redde ik mijn tweejarige van het zilvervisje, terwijl ik met mijn zevenjarige de eenkindpolitiek in China aan het bespreken was. We hadden het over de 336 miljoen abortussen in veertig jaar op vooral meisjesfoetussen. Ze kon er met haar hoofd niet bij waarom die gezinnen in Godsnaam liever een zoon zouden willen.
'Die zonen komen toch allemaal uit een vrouw,' zei ze. 'Duh.'


zondag 17 maart 2013

Rondjes

De ochtend na het boekenbal, ik was om half vijf thuisgekomen, zat ik om half acht weer rechtop beneden en keek naar een Märklintrein die rondjes door de kamer aan het rijden was. Man en zijn broer lagen languit op de vloer naast de rails. Man plaatste een playmobilpoppetje op het spoor en zijn broer bediende de transformator. Steeds opnieuw en steeds iets harder lieten ze het locomotief over het mannetje heen rijden. Het poppetje verongelukte keer op keer. Ze hadden de grootste lol.
 'Dat deed hij vroeger ook altijd,' riep zijn broer uit.
De meisjes keken toe. Ik vroeg me af of dit nou een goed voorbeeld was. Ik vroeg me wel meer af.
De kachel brandde, twee middelbare mannen speelden, twee meisjes liepen op hun tenen om de rails heen. Ik zat erbij en keek ernaar.  Flitsen van het bal kwamen voorbij. De rondjes die ik liep door de gangen van de stadsschouwburg. Het leek een lichtjaar geleden allemaal, op een andere planeet.

vrijdag 15 maart 2013

Keurslijf en eerlijk

Maarten Biesheuvel zag ik gisteravond bij de DWDD dat voor de gelegenheid omgeturnd werd in Hier is...Adriaan van Dis. Hij zat er met zijn vrouw Eva. Recentelijk ben ik het boekje 'Oude geschiedenis van pa die leefde als een dier want hij schaamde zich nergens voor en hij was erg praktisch' kwijtgeraakt. Ik had het nog niet eens zo lang in mijn bezit. Zo goed ken ik Maarten Biesheuvels werk niet maar toen las ik Zeeverhalen en toen moest ik alles van die man hebben.
Voor mijn studenten had ik het korte verhaal met de lange titel gekopieerd en moet het bij het kopieerapparaat hebben laten liggen en iemand nam het mee.
Toen ik naar hem keek gisteren moest ik denken aan het gesprek met een moeder die me zei dat de kinderen op zo'n crèche toch in een keurslijf geduwd werden en dat ik 'ja' tegen haar zei en dat we toch allemaal in zo'n keurslijf zaten. Dag in dag uit. Dat vond zij ook. En we werden er een beetje treurig van.
Nee, ik denk hier nu pas aan. Toen ik naar hem keek, keek ik gewoon. Om precies te zijn, ik kreeg ontzettende kramp in mijn linkervoet. Onder het kijken, verging ik van de pijn, maar ik deed alsof ik niets voelde.
Ik had geen flauw idee wat hij ging doen of zeggen. Ik was steeds bang dat het iets zou zijn dat niet goed voor hem was. Biesheuvel had geen enkel keurslijf, leek wel. Niets om op/in terug te vallen.
Maar toen ging hij voorlezen. Dat was fantastisch. Door het verhaal dat hij voorlas, het was een brief aan zijn overleden vader, wilde ik meteen zelf aan het werk. Ook zoiets doen. Maar dan anders. Maar net zo eerlijk. Zo zonder keurslijf. Ook wilde ik dagenlang achter elkaar zijn verhalen gaan lezen.




woensdag 13 maart 2013

Ongelukkig is goed

Bij DWDD zat Herman Brusselmans te beweren dat schrijvers die gelukkig zijn nooit een grote roman kunnen schrijven. Schrijvers moeten lijden was zijn overtuiging. Het is niet voor het eerst dat zoiets gezegd wordt natuurlijk. We noemen het  wel de schrijversmythe. Het is niet waar. Maar toch; Herman Brusselmans zelf zag er droever uit dan ooit en ik dacht terug aan de stoet droeve schrijvers die ik in de voorbije weken tegengekomen ben; opgeblazen, volgevreten, rooddoorlopen, klemgezopen, trillend, knarsend, zwetend of gewoon hartstikke gestoord. Er is er werkelijk niet één bij die normaal is, behalve ik, dacht ik. Ik lijd niet serieus genoeg. Ja, ik lijd wel. Als het schrijven niet vlot, lijd ik. Het afgelopen jaar heb ik geleden. Dat mocht best een naam hebben. Maar echt dood wou ik ook weer niet. Een verkapte doodswens is een belangrijke vereiste.  H.B. zei ook nog dat Kees van Kooten nooit een grote roman zou schrijven omdat hij nu eenmaal een héél gelukkig man is. Dat nooit, dacht ik. Dat zal mij nooit overkomen.
'Ik denk dat ik om te beginnen maar bij jou weg moet,' zei ik tegen man.
'Denk je nou echt dat je dáár ongelukkiger van wordt?'  vroeg hij ongelovig.


dinsdag 12 maart 2013

Ruimte

's Ochtends lees ik stiekem de krant terwijl ik met mijn gezin rond de ontbijttafel zit. De verse krant leg ik links van mij en terwijl ik een dubbele espresso drink, scan ik de berichten. Soms verdiep ik mij heel stilletjes in een niet al te lang artikel. En dan ben ik gelukkig. Tot vandaag op de plek waar anders de krant ligt, pontificaal een dochter zat.
Wegsturen durfde ik haar niet. Dat had ik laatst gedaan toen ze daar op een avond ineens was gaan zitten en dat had niet goed uitgepakt. 's Avonds in bed had man gezegd: 'Ze vindt het gewoon ook leuk om náást je te zitten. Wat is daar nou mis mee?'
Met links van mij een kind en rechts van mij een kind smeerde ik dus mijn boterham. Ik legde de krant opgevouwen voor me, tussen broodmand en beleg. Het jongste kind aan de rechterkant bevoelde met smeerworstvingers mijn arm, streek door mijn haar en schoof nog iets dichter tegen me aan. Wilde bij me op schoot klimmen. Het kind aan de linkerkant praatte tegen me, wees me terecht 'het is onbeleefd om de krant te lezen terwijl we aan tafel zitten, mama', ging door over het te kiezen onderwerp voor haar spreekbeurt, het te koken gerecht uit de Allerhande voor kids.
'Ze zijn gewoon graag in je buurt,' glimlachte man aan de andere kant van de tafel.
Ik herinnerde mij de woorden van de yogajuf gisteravond: 'Daar waar je nog een beetje ruimte hebt, kun je nog werken. Als je meteen zover gaat dat je niet meer kunt, heb je helemaal geen speling meer. Zo is dat eigenlijk met alles,' zei ze, 'als je geen ruimte meer hebt, kun je niets doen.'

zondag 10 maart 2013

Het eerste jaar

In de Kleine Komedie bezocht ik de eerste Avond van de Stadsdichter en aan de dichters en schrijvers werd gevraagd wanneer ze naar Amsterdam verhuisden en hoe ze het vonden. De meesten bekenden dat het eerste jaar eenzaam en ellendig was. Mijn eerste jaar in Amsterdam, ik woonde in één van de duurste straten van stad, was zo mogelijk nog eenzamer en ellendiger. Maar het is natuurlijk geen wedstrijd. We zijn allemaal op onze eigen manier eenzaam en ellendig.
Eénentwintig jaar was ik en woonde bij een kunstenares op zolder. De douche was in haar keuken. Ze had me vrijwillig in huis genomen maar had ook weer geen keuze. Iemand moest dat huis voor haar betalen. Ze had mij uitgezocht op onzichtbaarheid, onhoorbaarheid en gehoorzaamheid.  Mijn kwaliteiten. Ze vond het ook leuk dat ik iets met kunst te maken had, zei ze. Elke dag liep ik naar de Bijenkorf, ging de roltrappen op en af, en terug. Ik was na mijn studie naar Amsterdam gekomen omdat je daar moest zijn. De beweegreden van de meesten. Maar toen ik er eenmaal was, had ik geen flauw idee wat ik daar moest doen. 

vrijdag 8 maart 2013

Praten

Zij zat achterop mijn fiets en tot aan de supermarkt praatten we non-stop en in de supermarkt ging het gewoon door. De bijna 3-jarige en ik praten als we samenzijn eigenlijk altijd aan één stuk door, nu ik erover nadenk. We kletsen terwijl we haar kamer opruimen, we kletsen tijdens de lunch over wat we dadelijk op brood gaan doen, of we er wel of geen boter op nemen, dat we smeerkaas hebben gekocht en dat het al heel lang geleden is dat we dat kochten, we praten over de mensen die bij ons horen maar die nu op school zijn of op het werk en we hebben het over de kleur van de jassen die ze dragen. Dit gepraat van ons viel me vandaag op omdat werkelijk de hele supermarkt op dat tijdstip, 11 uur op vrijdagochtend, gevuld leek te zijn met ouders en kinderen, - alle gangpaden werden gebarricadeerd door wandelwagens of enorme karren - maar allemaal zwegen ze. De hele winkel zweeg.  Pas toen ik enkele mensen zag kijken, werd ik me bewust van het praten. Duidelijk verstaanbaar, onophoudelijk en onvermoeibaar. We gilden niet of zo. Maar het was alsof de wereld een stiltecoupé was en ik dat niet wist.