zaterdag 30 maart 2013

Steek opschieten

Vanmorgen lag ik in bed te denken dat ik vijftig was. De tijd in mijn hoofd ging met grote sprongen: van het is alweer bijna april tot ik ineens vijftig bleek te zijn. Zestig. En nog altijd geen steek opgeschoten.  Dat denk ik er altijd achteraan. Kennelijk is het me daar om te doen in het leven: een steek opschieten. Ook kwam de opgestoken vinger van mijn vader voorbij: 'Pas op! De tijd gaat snel. Voor je het weet is het zover.'
Ik stond op en toen dacht ik meteen aan geld verdienen.
In het VK-magazine las ik namelijk over bloggers van twaalf, dertien jaar die minimaal dertig cent per bezoeker per dag krijgen. Ik maakte een snel rekensommetje en kom op de negentig Euro per dag uit. Zes (! )  jaar lang alweer houd ik nu een blog bij. En nog altijd geen steek opgeschoten.
In NRC boeken las ik over de gestorven schrijfster Aya Zikken. Haar onrust en rusteloosheid kwam me erg bekend voor, het vliedende en vluchtige,  al heb ik geen Indisch paradijs om naar terug te verlangen en woon ik almaar op dezelfde plek. Ik las de woorden van haar vader: 'Ergens wortelen is verkeerd. Het is nodig de moed op te brengen om steeds een nieuw leven te beginnen. En: 'Alles is voor even.'
Aha. Vandaar dat opschieten dus. Maar wat heb je er aan?

vrijdag 29 maart 2013

Kinderlokker


Deze column verscheen vandaag in De Brug:

Mijn dochter (7) heeft een grote pleister op haar knie als ze thuiskomt uit school. Ze is maar net ontsnapt aan de kinderlokker op het schoolplein, zegt ze.Ik had vandaag een mail ontvangen van de directie over de kwestie. Of we die voorzichtig met ons kind willen bespreken. Sinds een week of twee loopt er op IJburg een man rond die onze kinderen met lolly’s zijn wagen in probeert te krijgen, ook toont hij ze soms zijn penis. Aangenomen wordt dat het meerdere mannen zijn. Maar ik wil het probleem niet groter maken. Het kan net zo goed om een vrouw gaan natuurlijk. Meerdere vrouwen. Men gaat er vanuit dat dat niet zo is omdat de meeste vrouwen geen penis hebben. Toch denk ik soms aan al die vriendelijke crècheleidsters die hun gang kunnen gaan. Hoe goed kennen we ze eigenlijk? Niemand die hen verdenkt.  Maar ik wil nu vooral geen problemen maken waar ze niet zijn.
Ik ga naar buiten. Mijn dochter staat inmiddels samen met het buurmeisje op het trottoir. Het buurmeisje vraagt wat er met haar knie gebeurd is.
‘O, de kinderlokker was bij mij op het schoolplein.’
‘De wat?’
‘De kinderlokker.’
‘Daar heb ik nog nooit van gehoord.’
‘Die lokt kinderen.’
‘O, dat wist ik niet.’
‘Ja,’ zegt mijn dochter. ‘Hij vroeg of we in de auto wilden komen en hij strooide met lolly’s.’
‘En is dat leuk of niet leuk? Die kinderlokker?’ Het buurmeisje aarzelt.
‘Niet leuk’, zegt mijn dochter. ‘Ik ben weggerend en toen dus gevallen.’
Ik luister naar hun gesprek en zeg af en toe dat het best wel meevalt. Dat ik niet denk dat hij echt een spoor van lolly’s achterliet. Dat ze niet bang moeten gaan worden op straat. Dan vraagt het buurmeisje: ‘Maar wat doet een kinderlokker dan met de kinderen nadat hij ze gelokt heeft.’
‘Het gaat er gewoon om dat je je niet mee laat lokken, zeg ik. ‘Dat is alles.’
‘O,’ zegt ze. Een heel goed antwoord vind ik het ook niet.
‘Weet je ,’ zeg ik, ‘we moeten het probleem nu niet op gaan blazen. Zoveel van die mensen zijn er niet. Geloof me. De ergste bedreiging voor kinderen is nog altijd gewoon hun ouders.’
‘Wat bedoel je?’ zegt mijn dochter.
‘Je eigen ouders zijn het àllergevaarlijkst voor je. Dat is wetenschappelijk bewezen. De grootste doodsoorzaak onder kinderen is hun eigen papa of mama. Snap je? Het zijn meestal helemaal geen vréémde mannen die nare dingen met je doen.’
De kinderen kijken me aan. Al met al heb ik niet het gevoel dat ik het verhaal goed heb weten te ontzenuwen.

woensdag 27 maart 2013

Wà

Twee studenten bekenden net dat ze met moeite het 'wablief' zeggen afgeleerd hadden. Het zijn jongemannen. Ze afteren veel, ze hebben een harde 'g' en zeggen dus geen wablief meer.
Heel soms sluipt er nog een verkeerd langsgebruik in hun verhaal. Maar dat is alles waar je het aan zou kunnen merken. Dat ze daar vandaan komen.
Ik zei niets natuurlijk.
Wij zeiden ook geen wablief. Ik woonde in het Noordelijke puntje van die provincie en daar zeiden ze 'wà'.  Wel woonden we langs boer Koenen in plaats van ernaast. Ik dacht vroeger altijd dat hij Boekoenen heette.
Zijn boerderij is nu vervallen, de verf is afgebladderd, het cement is uit de voegen. Sinds een paar jaar staat het te koop. Boer Koenen ging naar het bejaardentehuis en is inmiddels al honderddrie. Verreweg de oudste man uit de streek.
Eén keer in de week ging ik eieren bij hem halen. Eén gulden voor tien eieren als ik het me goed herinner. In de houten la van de deel lag wisselgeld en toffees. Frambozen of caramel. Ik hoopte altijd op caramel. De kippenren die aan de tuin van mijn ouderlijk huis grenst is al heel lang leeg. Het gaas hangt los. Vroeger was het daar een oorverdovend kabaal.

* Afteren = na het stappen nog naar een afterparty gaan.

dinsdag 26 maart 2013

Brommers in je oren

's Avonds om elf uur fietste ik als enige over de Ringdijk, daar waar de Flevoroute begint, het was ijskoud, mijn gezicht bevroor natuurlijk, mijn benen verstijfden en ik maar recht tegen de storm in fietsen. Het Flevopark voorbij. Steeds dacht ik dat er een brommer vlak achter mij zat, ik hoorde de brommer luid optrekken maar als ik dan nog eens goed luisterde was er alleen het geloei van de wind.
Terwijl ik fietste, ik kwam nauwelijks vooruit, dacht ik aan mislukkingen, tijd die doortikt en aan begrafenissen. De hele Flevoroute lang was ik mezelf aan het uitschelden.
Ik wist: die brommer heeft z'n motor uitgezet en fietst nu geruisloos achter me aan over dit pad. Daar ging ik met de fietsende brommerrijder op mijn hielen.
Op een gegeven moment, ik naderde de Nesciobrug al, hoorde ik het geluid weer. Luid en duidelijk. Maar toen ik omkeek, heel nonchalant, was de weg achter mij volkomen verlaten. Geen brommer te zien. Ik dacht: ik hoor brommers in mijn oren. Dat bestaat niet. Daar moet je niet intrappen.
Ook al zie je de brommer niet, hij is er wel. Op een geven moment was ik ervan overtuigd dat er een brommer onzichtbaar achter me aan reed.
Eenmaal thuis zei man: 'je kunt niet fietsen met brommers.'

zaterdag 23 maart 2013

Verslag

We luisterden naar drie Vlaamse schrijvers in het NRC gebouw. Kristien Hemmerechts was erg lang aan het woord over het verschil tussen fictie en non-fictie schrijven. Waar het steeds weer op neerkwam was dat je bij fictie vrijer was om te schrijven over mensen die je kende dan bij non-fictie. Je hoefde alleen de naam te veranderen en kon je gang gaan. Terwijl je je bij non-fictie meer aan feiten en fatsoensregels diende te houden. Dat kon wel waar zijn. Maar toch klopte er iets niet aan haar betoog. Misschien omdat het er op leek dat het er in het schrijven om ging zoveel mogelijk over anderen te schrijven zonder dat ze dat in de gaten hebben. Ze praatte over schrijven om wraak te nemen en over weinig vrienden overhouden als je alles eerlijk zou beschrijven.
Karl Ove Knausgard, de schrijver van die hele dikke autobiografische boeken over zijn dagelijkse leven, de stream of consciousness methode, kwam ter sprake en dat hij inderdaad nog maar weinig vrienden scheen te hebben. (Hij staat hoog bovenaan mijn leeslijst trouwens)
Ze sprak over schrijven over je ouders, je familie en over bekenden, het kon eigenlijk allemaal middels fictie of non-fictie, behalve schrijven over je kinderen. Dat deed je niet. Heel af en toe kwam debutante Griet op de Beeck er tussendoor en die zei dat het familie kerstfeestje na haar debuut inderdaad minder leuk was dan daarvoor. Maar dat had ze er voor over.  Ook Peter Terrin mocht soms iets zeggen en hij zei dat het wel kon; schrijven over je kinderen.
'Maar niet over hun kleine kantjes,' zei Kristien Hemmerechts.
Hij zei dat hij geen wraak wilde nemen op zijn kinderen.
'Daar gaat het ook niet om,' zei Kristien.
Nu kan ik me niet meer precies herinneren hoe Peter Terrin het zei en wat hij zei, maar wat ik nog wel weet is dat ik het met hem eens was.


vrijdag 22 maart 2013

Uitzicht

Vanuit het raam van mijn werkkamer keek ik weer eens naar de vrijstaande zelfontworpen woningen. Voor mijn neus het industriële grijze houten huis dat filmmakers als hun studio gebruiken, ze wonen op de Keizersgracht, de blokkendoos links, weet ik veel wie er woont, en het witte huis in Portugese stijl rechts, daar worden veel feesten gegeven, daarnaast de enorme  boerderette, meer kan ik er niet van zeggen, het hele perceel is boerderette, en het laatste huis heeft een typische vorm en is helemaal Azuurblauw, dat geen Azuurblauw is, nee een zeer geheime kleur blauw, ik denk er elke dag wel een keer aan dat de man die dat huis ontworpen heeft niet wil zeggen welke kleur het precies is, dat blijft maar door mijn hoofd gaan, ook al onthoud ik normaliter bijna niks en moet het al minstens twee jaar geleden zijn dat een buurman mij vertelde dat hij daar had aangebeld omdat hij het zo'n mooie kleur vond en dat hij toen 'dat ga ik jou niet aan je neus hangen' zei.
Uit het raam keek ik en dacht: ik moet hier weg. Hoe kom ik hier ooit eens een keer weg?  Daarna googelde ik op vliegreizen. De allergoedkoopste. Maar weg komen we hier niet zo snel. Ook niet voor een korte vakantie. Het is allemaal te duur en zo. We moeten opletten. Het is crisis. Misschien wordt het nog wel eens zo erg dat we met het hele gezin het huis uit worden gezet.

woensdag 20 maart 2013

Verminken

Het is half acht in de ochtend. Jeetje leest de krant hardop: Hoe is het anno 2013 nog bestaanbaar dat ouders hun kinderen genitaal laten verminken en daarbij de lichamelijke integriteit van hun pasgeboren zoon aantasten?
'Jij zou nog even piano spelen,' zeg ik.
'Wat is verminken?' vraagt ze.
'Verminken, verminken,' zeg ik.
'Ja, wat is verminken?'
'Kapot maken.'
'Kapot maken? Hoe kun je je kind nou kapot maken?'
Ik zeg niets. In de hoop dat ze het opgeeft, dat ze het artikel terzijde legt en 'Old Mac Donald had a farm' gaat oefenen op de piano. Het is nog wat vroeg voor uitleg over besnijdenis.
Maar ze leest stug door.
'Aha, hier staat het!' roept ze na een tijdje. 'Hier staat wat ze bedoelen.'
Ze leest: In feite snijd je als ouder een stukje van het lichaam van je kind af...
Ze kijkt mij aan: 'Maar waarom doen ze dat dan?'
Bij mijn uitleg wordt de frons in haar voorhoofd steeds groter. Dan legt ze de krant neer en gaat piano spelen. Nee, ze duwt eerst haar tweejarige zus daar weg, die al die tijd luidkeels 'Olifantje in het bos, laat je mama toch niet los' aan het zingen was, zichzelf begeleidend op de piano.
De wereld van de zevenjarige wordt met de dag groter, besef ik, maar niet per se leuker.