'Hoe is het met je boek?'
De afgelopen twee jaar een veelgehoorde vraag waar ik almaar iets anders op antwoordde. Of: bezig. Of: moeilijk. Iets te vaak zei ik: moeilijk. Tot ik Moeilijk in hoogst eigen persoon werd. Het laatste wat ik over dat boek zei was: 'Ik heb het weggedaan.'
Na er ongeveer twee jaar aan te hebben gewerkt, moest het weg. Of vriendelijker gezegd: blijven liggen. De dag erna begon ik met iets nieuws. Een idee dat er nog lag voor ik met de roman begon.
Nu een kleine vier maanden later is het 'af', heb ik op send geduwd.
Toen ik net uit raam keek zag ik op de gevel van het huis, rechts van het onze, de spreuk die er ingebeiteld is: Waar veel mensen zijn, moet meer lucht. Adem.
Ik haal adem.
maandag 8 april 2013
donderdag 4 april 2013
Superieur
We zaten in de personeelsruimte. Mijn collega at soep en ik bokkenpootjes. Ze vertelde over haar eerste keer op een basisschool - ze bracht het kind van haar vriend naar school - en de ontmoeting met Moeders. Hun superieure blikken. 'O jij schrijft. Leuk. Leuk.' Alsof die Moeders nou zo nuttig bezig waren. Met het snotterige kroost aan hun benen en in kangoeroebuidels op hun buik.
'Kijken alle moeders zo?' vroeg ik.
'Ja allemaal!' zei ze. 'Allemaal even superieur.'
Ik knikte, propte het bokkenpootje naar binnen en transformeerde in een vrouw zonder kinderen. Transformeren, daar ben ik sowieso goed in. Kameleon had ik moeten worden.Dit terzijde.
Voor het met mij zover kwam, voelde ik me juist superieur aan de mensen die vertelden dat ze zwanger waren. Ik vond ze zielig. Alsof ze niets beters wisten te doen met hun tijd. Wie koos er vrijwillig voor zo'n slavenleven? Nou ik niet. Ik nooit. Ook wist ik zeker dat er nooit één kind in mijn geschriften terecht zou komen. Zo oninteressant. Die gedachte herinner ik me vrij letterlijk. Daar word ik nog ongemakkelijk van.
Terwijl ik de derde bokkenpoot uit de trommel pakte, bekeek ik de collega tegenover me. Ze was jong, mooi, had de liefde van haar leven gevonden en zag overal superieure moeders.
Misschien ook in mij.
'Kijken alle moeders zo?' vroeg ik.
'Ja allemaal!' zei ze. 'Allemaal even superieur.'
Ik knikte, propte het bokkenpootje naar binnen en transformeerde in een vrouw zonder kinderen. Transformeren, daar ben ik sowieso goed in. Kameleon had ik moeten worden.Dit terzijde.
Voor het met mij zover kwam, voelde ik me juist superieur aan de mensen die vertelden dat ze zwanger waren. Ik vond ze zielig. Alsof ze niets beters wisten te doen met hun tijd. Wie koos er vrijwillig voor zo'n slavenleven? Nou ik niet. Ik nooit. Ook wist ik zeker dat er nooit één kind in mijn geschriften terecht zou komen. Zo oninteressant. Die gedachte herinner ik me vrij letterlijk. Daar word ik nog ongemakkelijk van.
Terwijl ik de derde bokkenpoot uit de trommel pakte, bekeek ik de collega tegenover me. Ze was jong, mooi, had de liefde van haar leven gevonden en zag overal superieure moeders.
Misschien ook in mij.
woensdag 3 april 2013
Moeder wordt niet goed
's Avonds, net als ik nog even door wil werken, huilen de dames. Nee, dat is overdreven. Eén dametje huilt. De andere fluistert steeds dat ze niet kan slapen. Nog voor ze het geprobeerd heeft.
Drie keer ben ik al teruggekomen voor de huilende. Dorst. Pop gevallen. Speentje gevallen. (Lees: gegooid) Bij de vierde keer, ik zit net achter mijn computer als ik het hese gebrul weer hoor, stamp ik de trap af. Moeder is er klaar mee.
Ze heeft bloed, zegt ze. Ze moet nu een pleister. Ik knik.
Het is beter te gehoorzamen dan nu een scène te gaan maken over gebiedende wijs, bloed en pleisters. Nodig of niet nodig. Het gaat mij er tenslotte om dat ik nog even door wil werken.
Dus moeder gaat op zoek naar pleisters. In de badkamer zoekt ze. Alle kastjes en laatjes trekt ze open, maar nergens een pleister te zien. De tijd tikt door. De hele bovenverdieping haalt ze overhoop voor een fucking pleister. Moeder wordt niet goed.
Uiteindelijk onderbreekt de tweejarige haar gehuil om mij kalm een aanwijzing te geven: 'De pleisters liggen beneden, mama!'
Uit de andere kamer roept de slapeloze zevenjarige: 'Ja! In de bruine kast, in het laatje.'
zaterdag 30 maart 2013
Steek opschieten
Vanmorgen lag ik in bed te denken dat ik vijftig was. De tijd in mijn hoofd ging met grote sprongen: van het is alweer bijna april tot ik ineens vijftig bleek te zijn. Zestig. En nog altijd geen steek opgeschoten. Dat denk ik er altijd achteraan. Kennelijk is het me daar om te doen in het leven: een steek opschieten. Ook kwam de opgestoken vinger van mijn vader voorbij: 'Pas op! De tijd gaat snel. Voor je het weet is het zover.'
Ik stond op en toen dacht ik meteen aan geld verdienen.
In het VK-magazine las ik namelijk over bloggers van twaalf, dertien jaar die minimaal dertig cent per bezoeker per dag krijgen. Ik maakte een snel rekensommetje en kom op de negentig Euro per dag uit. Zes (! ) jaar lang alweer houd ik nu een blog bij. En nog altijd geen steek opgeschoten.
In NRC boeken las ik over de gestorven schrijfster Aya Zikken. Haar onrust en rusteloosheid kwam me erg bekend voor, het vliedende en vluchtige, al heb ik geen Indisch paradijs om naar terug te verlangen en woon ik almaar op dezelfde plek. Ik las de woorden van haar vader: 'Ergens wortelen is verkeerd. Het is nodig de moed op te brengen om steeds een nieuw leven te beginnen. En: 'Alles is voor even.'
Aha. Vandaar dat opschieten dus. Maar wat heb je er aan?
Ik stond op en toen dacht ik meteen aan geld verdienen.
In het VK-magazine las ik namelijk over bloggers van twaalf, dertien jaar die minimaal dertig cent per bezoeker per dag krijgen. Ik maakte een snel rekensommetje en kom op de negentig Euro per dag uit. Zes (! ) jaar lang alweer houd ik nu een blog bij. En nog altijd geen steek opgeschoten.
In NRC boeken las ik over de gestorven schrijfster Aya Zikken. Haar onrust en rusteloosheid kwam me erg bekend voor, het vliedende en vluchtige, al heb ik geen Indisch paradijs om naar terug te verlangen en woon ik almaar op dezelfde plek. Ik las de woorden van haar vader: 'Ergens wortelen is verkeerd. Het is nodig de moed op te brengen om steeds een nieuw leven te beginnen. En: 'Alles is voor even.'
Aha. Vandaar dat opschieten dus. Maar wat heb je er aan?
vrijdag 29 maart 2013
Kinderlokker
Deze column verscheen vandaag in De Brug:
Mijn dochter (7) heeft
een grote pleister op haar knie als ze thuiskomt uit school. Ze is maar net
ontsnapt aan de kinderlokker op het schoolplein, zegt ze.Ik had vandaag
een mail ontvangen van de directie over de kwestie. Of we die voorzichtig met
ons kind willen bespreken. Sinds een week of
twee loopt er op IJburg een man rond die onze kinderen met lolly’s zijn wagen in
probeert te krijgen, ook toont hij ze soms zijn penis. Aangenomen wordt dat het
meerdere mannen zijn. Maar ik wil het probleem niet groter maken. Het kan net
zo goed om een vrouw gaan natuurlijk. Meerdere vrouwen. Men gaat er vanuit dat
dat niet zo is omdat de meeste vrouwen geen penis hebben. Toch denk ik soms aan
al die vriendelijke crècheleidsters die hun gang kunnen gaan. Hoe goed kennen
we ze eigenlijk? Niemand die hen verdenkt. Maar ik wil nu vooral geen problemen maken
waar ze niet zijn.
Ik ga naar
buiten. Mijn dochter staat inmiddels samen met het buurmeisje op het trottoir. Het
buurmeisje vraagt wat er met haar knie gebeurd is.
‘O, de
kinderlokker was bij mij op het schoolplein.’
‘De wat?’
‘De kinderlokker.’
‘Daar heb ik nog
nooit van gehoord.’
‘Die lokt
kinderen.’
‘O, dat wist ik
niet.’
‘Ja,’ zegt mijn
dochter. ‘Hij vroeg of we in de auto wilden komen en hij strooide met lolly’s.’
‘En is dat leuk
of niet leuk? Die kinderlokker?’ Het buurmeisje aarzelt.
‘Niet leuk’, zegt
mijn dochter. ‘Ik ben weggerend en toen dus gevallen.’
Ik luister naar hun
gesprek en zeg af en toe dat het best wel meevalt. Dat ik niet denk dat hij echt
een spoor van lolly’s achterliet. Dat ze niet bang moeten gaan worden op
straat. Dan vraagt het
buurmeisje: ‘Maar wat doet een kinderlokker dan met de kinderen nadat hij ze
gelokt heeft.’
‘Het gaat er
gewoon om dat je je niet mee laat lokken, zeg ik. ‘Dat is alles.’
‘O,’ zegt ze. Een
heel goed antwoord vind ik het ook niet.
‘Weet je ,’ zeg
ik, ‘we moeten het probleem nu niet op gaan blazen. Zoveel van die mensen zijn
er niet. Geloof me. De ergste bedreiging voor kinderen is nog altijd gewoon hun
ouders.’
‘Wat bedoel je?’
zegt mijn dochter.
‘Je eigen ouders
zijn het àllergevaarlijkst voor je. Dat is wetenschappelijk bewezen. De grootste
doodsoorzaak onder kinderen is hun eigen papa of mama. Snap je? Het zijn
meestal helemaal geen vréémde mannen die nare dingen met je doen.’
De kinderen
kijken me aan. Al met al heb ik niet het gevoel dat ik het verhaal goed heb
weten te ontzenuwen.
woensdag 27 maart 2013
Wà
Twee studenten bekenden net dat ze met moeite het 'wablief' zeggen afgeleerd hadden. Het zijn jongemannen. Ze afteren veel, ze hebben een harde 'g' en zeggen dus geen wablief meer.
Heel soms sluipt er nog een verkeerd langsgebruik in hun verhaal. Maar dat is alles waar je het aan zou kunnen merken. Dat ze daar vandaan komen.
Ik zei niets natuurlijk.
Wij zeiden ook geen wablief. Ik woonde in het Noordelijke puntje van die provincie en daar zeiden ze 'wà'. Wel woonden we langs boer Koenen in plaats van ernaast. Ik dacht vroeger altijd dat hij Boekoenen heette.
Zijn boerderij is nu vervallen, de verf is afgebladderd, het cement is uit de voegen. Sinds een paar jaar staat het te koop. Boer Koenen ging naar het bejaardentehuis en is inmiddels al honderddrie. Verreweg de oudste man uit de streek.
Eén keer in de week ging ik eieren bij hem halen. Eén gulden voor tien eieren als ik het me goed herinner. In de houten la van de deel lag wisselgeld en toffees. Frambozen of caramel. Ik hoopte altijd op caramel. De kippenren die aan de tuin van mijn ouderlijk huis grenst is al heel lang leeg. Het gaas hangt los. Vroeger was het daar een oorverdovend kabaal.
* Afteren = na het stappen nog naar een afterparty gaan.
Heel soms sluipt er nog een verkeerd langsgebruik in hun verhaal. Maar dat is alles waar je het aan zou kunnen merken. Dat ze daar vandaan komen.
Ik zei niets natuurlijk.
Wij zeiden ook geen wablief. Ik woonde in het Noordelijke puntje van die provincie en daar zeiden ze 'wà'. Wel woonden we langs boer Koenen in plaats van ernaast. Ik dacht vroeger altijd dat hij Boekoenen heette.
Zijn boerderij is nu vervallen, de verf is afgebladderd, het cement is uit de voegen. Sinds een paar jaar staat het te koop. Boer Koenen ging naar het bejaardentehuis en is inmiddels al honderddrie. Verreweg de oudste man uit de streek.
Eén keer in de week ging ik eieren bij hem halen. Eén gulden voor tien eieren als ik het me goed herinner. In de houten la van de deel lag wisselgeld en toffees. Frambozen of caramel. Ik hoopte altijd op caramel. De kippenren die aan de tuin van mijn ouderlijk huis grenst is al heel lang leeg. Het gaas hangt los. Vroeger was het daar een oorverdovend kabaal.
* Afteren = na het stappen nog naar een afterparty gaan.
dinsdag 26 maart 2013
Brommers in je oren
's Avonds om elf uur fietste ik als enige over de Ringdijk, daar waar de Flevoroute begint, het was ijskoud, mijn gezicht bevroor natuurlijk, mijn benen verstijfden en ik maar recht tegen de storm in fietsen. Het Flevopark voorbij. Steeds dacht ik dat er een brommer vlak achter mij zat, ik hoorde de brommer luid optrekken maar als ik dan nog eens goed luisterde was er alleen het geloei van de wind.
Terwijl ik fietste, ik kwam nauwelijks vooruit, dacht ik aan mislukkingen, tijd die doortikt en aan begrafenissen. De hele Flevoroute lang was ik mezelf aan het uitschelden.
Ik wist: die brommer heeft z'n motor uitgezet en fietst nu geruisloos achter me aan over dit pad. Daar ging ik met de fietsende brommerrijder op mijn hielen.
Op een gegeven moment, ik naderde de Nesciobrug al, hoorde ik het geluid weer. Luid en duidelijk. Maar toen ik omkeek, heel nonchalant, was de weg achter mij volkomen verlaten. Geen brommer te zien. Ik dacht: ik hoor brommers in mijn oren. Dat bestaat niet. Daar moet je niet intrappen.
Ook al zie je de brommer niet, hij is er wel. Op een geven moment was ik ervan overtuigd dat er een brommer onzichtbaar achter me aan reed.
Eenmaal thuis zei man: 'je kunt niet fietsen met brommers.'
Terwijl ik fietste, ik kwam nauwelijks vooruit, dacht ik aan mislukkingen, tijd die doortikt en aan begrafenissen. De hele Flevoroute lang was ik mezelf aan het uitschelden.
Ik wist: die brommer heeft z'n motor uitgezet en fietst nu geruisloos achter me aan over dit pad. Daar ging ik met de fietsende brommerrijder op mijn hielen.
Op een gegeven moment, ik naderde de Nesciobrug al, hoorde ik het geluid weer. Luid en duidelijk. Maar toen ik omkeek, heel nonchalant, was de weg achter mij volkomen verlaten. Geen brommer te zien. Ik dacht: ik hoor brommers in mijn oren. Dat bestaat niet. Daar moet je niet intrappen.
Ook al zie je de brommer niet, hij is er wel. Op een geven moment was ik ervan overtuigd dat er een brommer onzichtbaar achter me aan reed.
Eenmaal thuis zei man: 'je kunt niet fietsen met brommers.'
Abonneren op:
Posts (Atom)