woensdag 10 april 2013

Onze strijd

'Pas op de natuur neemt het van ons over.' We kijken door de glazen pui van de kapperszaak in mijn straat naar de eenden die aan de andere kant staan. Een mannetje en een vrouwtje zo te zien. Eentje is namelijk bontgekleurd en de andere is grijs/bruin. Zo staren we naar elkaar, gescheiden door het glas gelukkig, natuur en cultuur. Tot de eenden besluiten door te lopen. Op hun oranje vliezen wandelen ze door een totaal versteende wereld. Op hun gemak. Alsof ze lunchpauze hebben. Toen ik ze voor het eerst tegenkwam, een week of twee geleden, dacht ik dat het verdwaalde eenden waren. Maar niets is minder waar. Ze komen hier steeds weer terug, wordt mij nu verteld. Het zijn bekende eenden. Het is alsof ze iets willen. Als buiten de twee eenden uit ons zicht verdwenen zijn, gaan wij binnen door met onze strijd tegen de natuur, het oprukkende grijs.  Alsof dat zin zou hebben.

dinsdag 9 april 2013

Rustig

Tijd van wachten is tijd van lezen. Dus kocht ik gisteren dan eindelijk Vader van Karl Ove Knausgard.    Het is niet zo dat ik geen enkel ongelezen boek meer hier heb liggen. Aan beide zijden van mij stapelen ze zich op. Er is een half jaar vakantie voor nodig om de stapel weg te werken. Zonder kinderen. En dat laatste zou ik ook weer niet willen. Dus het wordt gewoon hapsnap lezen zoals altijd. Ik bedenk me nu dat we het laatst, tijdens een geheime bijeenkomst, nog hadden over dat ene halve uurtje per dag dat mensen over schijnen te hebben. Het ging erom dat wij die tijd in moesten zien te pikken met onze verhalen. Het kort verhaal als ideale vorm.
Voor ik Vader kocht, fietste ik nog naar een zieke vriendin, geen zieke vriendin maar gewoon een vriendin met griep. Bij haar lunchte ik. Ik had iets smerigs meegenomen voor op het brood, maar zij wilde dat graag eten. Ze legde repen Tony Chocolonely op tafel en toen ik weer wegging deed ze die repen weer terug in de kast. We praatten over in hoeverre je jezelf kunt vertrouwen, je eigen mening over wat je maakt. We kwamen er niet helemaal uit. Ook hadden we het erover waarom je bij het lezen van sommige literatuur zo rustig wordt. De uitkomst was dat dat goede literatuur moest zijn. Van het lezen van de boeken van Gerbrand Bakker word je rustig. Dat zit ook in zijn blogs. Maar wat dat precies is? Ik heb het ook heel sterk als ik Coetzee lees.
In de Bijenkorf paste ik spijkerbroeken, maar ze zaten allemaal niet goed. Bij de HEMA kocht ik een kinderwcbril en salmiaklolly's. Op de terugweg at ik op de fiets vijf lolly's achter elkaar, deed de stokjes in mijn jaszak en probeerde te onthouden dat ik die straks ongezien de prullenbak in zou moeten doen. Dat deed ik.

maandag 8 april 2013

Send

'Hoe is het met je boek?'
De afgelopen twee jaar een veelgehoorde vraag waar ik almaar iets anders op antwoordde. Of: bezig. Of: moeilijk. Iets te vaak zei ik: moeilijk. Tot ik Moeilijk in hoogst eigen persoon werd. Het laatste wat ik over dat boek zei was: 'Ik heb het weggedaan.'
Na er ongeveer twee jaar aan te hebben gewerkt, moest het weg. Of vriendelijker gezegd: blijven liggen. De dag erna begon ik met iets nieuws. Een idee dat er nog lag voor ik met de roman begon.
Nu een kleine vier maanden later is het 'af', heb ik op send geduwd.
Toen ik net uit raam keek zag ik op de gevel van het huis, rechts van het onze, de spreuk die er ingebeiteld is: Waar veel mensen zijn, moet meer lucht. Adem.
Ik haal adem.

donderdag 4 april 2013

Superieur

We zaten in de personeelsruimte. Mijn collega at soep en ik bokkenpootjes. Ze vertelde over haar eerste keer op een basisschool - ze bracht het kind van haar vriend naar school - en de ontmoeting met Moeders. Hun superieure blikken. 'O jij schrijft. Leuk. Leuk.' Alsof die Moeders nou zo nuttig bezig waren. Met het snotterige kroost aan hun benen en in kangoeroebuidels op hun buik.
'Kijken alle moeders zo?' vroeg ik.
'Ja allemaal!' zei ze. 'Allemaal even superieur.'
Ik knikte, propte het bokkenpootje naar binnen en transformeerde in een vrouw zonder kinderen. Transformeren, daar ben ik sowieso goed in. Kameleon had ik moeten worden.Dit terzijde.
Voor het met mij zover kwam, voelde ik me juist superieur aan de mensen die vertelden dat ze zwanger waren. Ik vond ze  zielig. Alsof ze niets beters wisten te doen met hun tijd. Wie koos er vrijwillig voor zo'n slavenleven? Nou ik niet. Ik nooit. Ook wist ik zeker dat er nooit één kind in mijn geschriften terecht zou komen. Zo oninteressant. Die gedachte herinner ik me vrij letterlijk. Daar word ik nog ongemakkelijk van.
Terwijl ik de derde bokkenpoot uit de trommel pakte, bekeek ik de collega tegenover me. Ze was jong, mooi, had de liefde van haar leven gevonden en zag overal superieure moeders.
Misschien ook in mij.

woensdag 3 april 2013

Moeder wordt niet goed

's Avonds, net als ik nog even door wil werken, huilen de dames. Nee, dat is overdreven.  Eén dametje huilt. De andere fluistert steeds dat ze niet kan slapen. Nog voor ze het geprobeerd heeft.
Drie keer ben ik al teruggekomen voor de huilende. Dorst. Pop gevallen. Speentje gevallen. (Lees: gegooid) Bij de vierde keer, ik zit net achter mijn computer als ik het hese gebrul weer hoor, stamp ik de trap af. Moeder is er klaar mee.
Ze heeft bloed, zegt ze. Ze moet nu een pleister. Ik knik.
Het is beter te gehoorzamen dan nu een scène te gaan maken over gebiedende wijs, bloed en pleisters. Nodig of niet nodig. Het gaat mij er tenslotte om dat ik nog even door wil werken. 
Dus moeder gaat op zoek naar pleisters. In de badkamer zoekt ze. Alle kastjes en laatjes trekt ze open, maar nergens een pleister te zien. De tijd tikt door. De hele bovenverdieping haalt ze overhoop voor een fucking pleister. Moeder wordt niet goed.
Uiteindelijk onderbreekt de tweejarige haar gehuil om mij kalm een aanwijzing te geven: 'De pleisters liggen beneden, mama!'
Uit de andere kamer roept de slapeloze zevenjarige: 'Ja! In de bruine kast, in het laatje.'

zaterdag 30 maart 2013

Steek opschieten

Vanmorgen lag ik in bed te denken dat ik vijftig was. De tijd in mijn hoofd ging met grote sprongen: van het is alweer bijna april tot ik ineens vijftig bleek te zijn. Zestig. En nog altijd geen steek opgeschoten.  Dat denk ik er altijd achteraan. Kennelijk is het me daar om te doen in het leven: een steek opschieten. Ook kwam de opgestoken vinger van mijn vader voorbij: 'Pas op! De tijd gaat snel. Voor je het weet is het zover.'
Ik stond op en toen dacht ik meteen aan geld verdienen.
In het VK-magazine las ik namelijk over bloggers van twaalf, dertien jaar die minimaal dertig cent per bezoeker per dag krijgen. Ik maakte een snel rekensommetje en kom op de negentig Euro per dag uit. Zes (! )  jaar lang alweer houd ik nu een blog bij. En nog altijd geen steek opgeschoten.
In NRC boeken las ik over de gestorven schrijfster Aya Zikken. Haar onrust en rusteloosheid kwam me erg bekend voor, het vliedende en vluchtige,  al heb ik geen Indisch paradijs om naar terug te verlangen en woon ik almaar op dezelfde plek. Ik las de woorden van haar vader: 'Ergens wortelen is verkeerd. Het is nodig de moed op te brengen om steeds een nieuw leven te beginnen. En: 'Alles is voor even.'
Aha. Vandaar dat opschieten dus. Maar wat heb je er aan?

vrijdag 29 maart 2013

Kinderlokker


Deze column verscheen vandaag in De Brug:

Mijn dochter (7) heeft een grote pleister op haar knie als ze thuiskomt uit school. Ze is maar net ontsnapt aan de kinderlokker op het schoolplein, zegt ze.Ik had vandaag een mail ontvangen van de directie over de kwestie. Of we die voorzichtig met ons kind willen bespreken. Sinds een week of twee loopt er op IJburg een man rond die onze kinderen met lolly’s zijn wagen in probeert te krijgen, ook toont hij ze soms zijn penis. Aangenomen wordt dat het meerdere mannen zijn. Maar ik wil het probleem niet groter maken. Het kan net zo goed om een vrouw gaan natuurlijk. Meerdere vrouwen. Men gaat er vanuit dat dat niet zo is omdat de meeste vrouwen geen penis hebben. Toch denk ik soms aan al die vriendelijke crècheleidsters die hun gang kunnen gaan. Hoe goed kennen we ze eigenlijk? Niemand die hen verdenkt.  Maar ik wil nu vooral geen problemen maken waar ze niet zijn.
Ik ga naar buiten. Mijn dochter staat inmiddels samen met het buurmeisje op het trottoir. Het buurmeisje vraagt wat er met haar knie gebeurd is.
‘O, de kinderlokker was bij mij op het schoolplein.’
‘De wat?’
‘De kinderlokker.’
‘Daar heb ik nog nooit van gehoord.’
‘Die lokt kinderen.’
‘O, dat wist ik niet.’
‘Ja,’ zegt mijn dochter. ‘Hij vroeg of we in de auto wilden komen en hij strooide met lolly’s.’
‘En is dat leuk of niet leuk? Die kinderlokker?’ Het buurmeisje aarzelt.
‘Niet leuk’, zegt mijn dochter. ‘Ik ben weggerend en toen dus gevallen.’
Ik luister naar hun gesprek en zeg af en toe dat het best wel meevalt. Dat ik niet denk dat hij echt een spoor van lolly’s achterliet. Dat ze niet bang moeten gaan worden op straat. Dan vraagt het buurmeisje: ‘Maar wat doet een kinderlokker dan met de kinderen nadat hij ze gelokt heeft.’
‘Het gaat er gewoon om dat je je niet mee laat lokken, zeg ik. ‘Dat is alles.’
‘O,’ zegt ze. Een heel goed antwoord vind ik het ook niet.
‘Weet je ,’ zeg ik, ‘we moeten het probleem nu niet op gaan blazen. Zoveel van die mensen zijn er niet. Geloof me. De ergste bedreiging voor kinderen is nog altijd gewoon hun ouders.’
‘Wat bedoel je?’ zegt mijn dochter.
‘Je eigen ouders zijn het àllergevaarlijkst voor je. Dat is wetenschappelijk bewezen. De grootste doodsoorzaak onder kinderen is hun eigen papa of mama. Snap je? Het zijn meestal helemaal geen vréémde mannen die nare dingen met je doen.’
De kinderen kijken me aan. Al met al heb ik niet het gevoel dat ik het verhaal goed heb weten te ontzenuwen.