vrijdag 9 augustus 2013

Kattenstuk

De kinderen zijn uit logeren, maar we hebben er nog twee. Ronnie B. is eergisteren uit het raam gedonderd. Eén hoog. Vermoedelijk heeft hij het gaas van de hor opengekregen, is aan de buitenkant van de vensterbank gaan zitten en toen uitgegleden. Nu heeft hij zijn rechterpoot gekneusd en doet het rustiger aan. Opvallend is dat zijn zusje sindsdien naar hem gromt en blaast. Helemaal niet begripvol.
Maar als ik het zusje op schoot genomen heb -  misschien keken we te veel naar haar arme broertje - wil ook Ronnie B. er per se bij komen liggen. Hij houdt zijn pootje een beetje slap omhoog en kijkt mij aan met zijn zwarte kopje. Het zusje blijft luid spinnend liggen waar ze ligt.
Toen heeft man Ronnie B. maar mee naar buiten genomen aan een tuigje. Zijn zusje zit nu met haar neus tegen het raam en volgt jaloers zijn bewegingen.
Verder hou ik niet bijzonder veel van katten. Behalve dus van deze twee. Zo ook met kinderen.

dinsdag 6 augustus 2013

98

Mijn vader en ik, met Jeetje (8) en Deetje (3) op de achterbank, rijden door het Noord-Limburgse landschap op weg naar oma's 98ste verjaardag. Als we er bijna zijn, zegt Deetje: 'Ik vind oma eng.'
'Waarom?'
'Daarom is geen reden, hè?' zegt ze.
'Nee,' zeg ik.
De verjaardag wordt in de immense tuin van één van haar zoons gevierd. Als wij aankomen, is iedereen er al. Oma heeft dekens om haar benen en een deken om haar schouders. Ze is bijna helemaal ingepakt omdat ze zo dun is. We zitten in een grote kring rondom haar met blote armen en benen. Ze eet taart en drinkt wijn. Ze heeft haar stoel rechtop staan, kijkt rond en ze praat ook best veel. Maar als ik haar feliciteer, zegt ze dat ze 98 echt te oud vindt. Dat ze zo moe is. Ze mag niet klagen van ons. 'Het is maar net wat je instelling is!' zegt een oom.
We zijn blij dat ze er nog is. Zij moet ook blij zijn dat wij er zijn. Als oma  binnen op de bank ligt, hebben wij het over leeftijd en dat we voor we het weten 98 zijn.
'O, nee, dat vind ik veel te oud,' zegt een tante.
'Ik wil ook zeker geen 98 worden,' zegt een andere tante. 'Absoluut niet.'
Een oom zegt dat hij liever van de brug geduwd zou willen worden dan ooit in het bejaardenhuis te belanden. Wij vinden dat oma blij moet zijn dat ze zo oud is, maar niemand zou zelf die leeftijd willen bereiken. Behalve ik, misschien. Ik weet het niet. Maar dood zijn, lijkt me helemaal niets.


maandag 5 augustus 2013

De bel ging

In mijn renpakje deed ik open. Voor de deur stond een rokende man met in zijn kielzog een vrouw. Ze identificeerden zich met een stuk dat ik op mijn weblog geplaatst had. Ze wilden dat ik het er vanaf haalde.
'Wat goed dat jullie mijn blog volgen,' zei ik. 'Dat wist ik niet.'
'Mijn broer zit in de gevangenis,' zei de vrouw.
'Ik verzin nog wel iets,' zei de man. 'Ik hoop dat je verkracht wordt in het park.'
Daarna verdwenen ze, even plotseling als ze gekomen waren, in het duister dat hen omringde. Mijn vriendin, die achter de deur had staan luisteren, en ik konden eindelijk gaan rennen.
'Nou, gezellig hier op IJburg,' zei ze.
'Ja,' zei ik, 'het is Living on the Edge hier.' Ik versnelde het tempo. 'Elke dag moeten we blij zijn dat we nog leven. Maar dan ben je ook ècht blij, snap je? Dat is het hele mooie.'
Ze knikte. Maar of ze het echt begreep, weet ik niet.

donderdag 1 augustus 2013

Mensen

Op deze bloedhete dag werk ik boven aan een kerstverhaal terwijl helemaal beneden twee poesjes over de piano wandelen. Of ze knallen balletjes in alle hoeken van de kamer. Maar als ik even niets hoor, loop ik de trap af om hun water te verversen. En meteen dat van mijzelf. Ook zij zullen zich hier nu wel gevangen voelen. Hoe leg ik die arme beestjes uit dat het voor hun eigen bestwil is dat ze binnen zitten? Dat het nog maar een paar weken duurt.
Ik mag hier gelukkig dadelijk al even weg. Die mensen overal om me heen. We zitten hier de laatste tijd veel te dicht opeengepakt volgens mij. Dat verstikt. Zoveel mensen op één eiland. Ze maken mekaar nog af. Ik heb ook helemaal geen zin in mensen. Ze vervuilen mijn hoofd. Ik wil me niet met ze bezighouden. Ze zijn lelijk en ze stinken. Geef mij maar kleine katjes.

woensdag 31 juli 2013

Liefde


We landden zacht dit jaar. Het terugkeren verliep pijnlozer dan ooit tevoren. Er was ook haast geen temperatuurovergang. Het buitenleven kon thuis worden voortgezet. Het was zelfs leuk alle buren weer te zien, misschien hadden we het keuvelen op de stoep wel gemist? Ook de logistiek binnenshuis ging gesmeerd. Op dezelfde dag dat we uit het vliegtuig stapten,  hadden we al vier wassen gedraaid,  waren de koffers teruggezet op de plaats waar ze hoorden en de boodschappen gedaan; pindakaas, drop, vegetarische kruidenworst en dorade voor op de barbecue.
 ’s Avonds gingen we met vijf burenstellen en hun kroost op de stoep barbecueën om het leven te vieren, dat we weer thuis waren, of ter afscheid van de familie die morgen zou vertrekken. We beschilderden hun caravan ‘make love not war.’ De kinderen verfden regenbogen en rode harten terwijl de volwassenen proostten. Als het zo doorging, zou dit weleens uit kunnen lopen op zo’n klef IJburgs lovefeest waar iedereen het altijd over heeft, maar waarvan niemand weet waar of het is.
Tegen half negen zwaait er ergens een deur open. De bewoners komen, met een bel wijn in hun hand, bij ons staan.
‘Ga lekker zitten. Er is nog genoeg.’ In eerste instantie vermoeden we niets. Hun dochter is de caravan aan het beschilderen met de andere kinderen. Deze mensen zijn meestal weg voor hun werk en doen niet aan stoepgekeuvel. Het zijn vooral hun steeds wisselende au-pairs waar we mee te maken hebben. Maar nu zijn ze er dan.
‘Jullie zijn slechte ouders,’ zegt de vrouw. ‘Dat wil ik even zeggen.’
Het wordt in een keer muisstil.
‘Twee jaar lang sluiten jullie met z’n allen onze dochter buiten. Hoe laag is het om een kind stelselmatig te negeren. Als volwassenen! En nu mag ze wel meedoen. Nu kan het ineens wèl, hè? Dit doen jullie alleen maar om goede sier te maken voor de rest van de buurt. Jullie zijn slechte ouders.’
Hierna begint ze de buurvrouw die ze het langst kent en plein public te beledigen. Niemand doet iets. Ik bekijk de tierende, lange vrouw met naast haar de gekromde, tengere echtgenoot. Zijn grote spiegelbril boven strakke kaken. Haar lijkbleke, maskerachtige gelaat. Wat is er ineens in die twee gevaren?
‘Ja, kijk maar niet zo verbaasd.’ Ze richt zich tot mij. ‘Jij weet goed waar ik het over heb. Héél goed. Jij doet het ook. Jij.’
De buurman fluistert dat ik kalm moet blijven. Dat het geen enkele zin heeft.
‘Ik weet van mezelf dat ik een goede moeder ben,’ hoor ik haar zeggen. ‘Een héél goede moeder.’
Het is mooi dat zij daar zo zeker van is. Ik zou het over mezelf niet durven beweren. Misschien is dat wel laf. Maar hun dochter is een  leuk, sprankelend kind. Daar is niets mis mee, nog niet. Juist door er zo min mogelijk voor haar te zijn, bewijst de vrouw haar meisje waarschijnlijk de allergrootste dienst. Dat inzien, is inderdaad goed moederschap. Dat is pure liefde. De goede moeder trekt haar dochter bij ons vandaan en sleurt haar - en haar spiegelman - mee terug hun huis in. De deur slaat dicht. Onze landing is alsnog hard.

Hier alvast de column voor de Brugkrant van augustus! 

dinsdag 30 juli 2013

Roze Princess

Ver na middernacht, het was na tweeën, liep de licht gekromde, tengere man op All Stars door de straat, - zwarte jeans, oversized t-shirt, sigaret tussen opmerkelijk gespannen kaken - met onder zijn arm een roze kinderfietsje. In het licht van de lantaarnpaal zag je dat er Princess op het frame geschreven stond. De spaken waren verroest maar wel versierd met gekleurde kraaltjes. De hoge zijwieltjes als vliegtuigvleugels. Het ijzeren mandje hing scheef aan de bagagedrager in plaats van aan het stuur en hinderde hem steeds bij het lopen. Maar hij liep verder.

In de deuropening rookte hij de laatste peuk voor het slapengaan toen het fietsje daar ineens gestaan had. Pontificaal voor zijn deur. Midden op zijn stukje stoep. Recht voor zijn neus. Hij zag dat driejarige buurmeisje er weer op voorbij sjezen. Hij hoorde haar lachen. Zingen. Terwijl zijn eigen achtjarige meisje binnen zat met het geluid van de televisie voluit om het kletsen van de kinderen niet te hoeven horen.
Zijn kaken verstrakten. Hij stak een nieuwe sigaret op, keek een paar keer om zich heen, pakte toen heel snel het fietsje en verdween ermee in het donker.

Op de steiger aan het einde van de straat hield hij halt, keek schichtig rond, en smeet de roze Princess het water in. Daarna dat rotmandje dat ernaast gevallen was. De plons was goed te horen. Maar vrijwel iedereen sliep toch.



maandag 29 juli 2013

Noe-Noe en Ronnie B.

Veel gebeurtenissen later, waarvan de bosbrand en de evacuatie van een camping in Portugal wat mij betreft het meeste indruk maakte, - niet per se leuk, maar de parallel met het boek dat ik net afgerond had, is op z'n minst vreemd te noemen, ik ben dol op parallellen en toevalligheden (als ze er niet zijn maak ik ze) - zijn we weer thuis. Waar ik de drukproef op de mat vond. Waar het leven weer begint. Voor het eerst sinds jaren, vind ik het terugkomen niet per se erg. Ook wonderlijk is dat.
Maar nu het belangrijkste: De komst van Noe-Noe en Ronnie B (voluit: Ronnie Blacky) gisteravond.  Onze twee nieuwe huisgenoten van twaalf weken oud. Het zijn stoere plattelandskinderen en nu dan, na een autotocht van anderhalf uur, in de stad terechtgekomen. Het eerste wat ze deden was hun kopjes tegen de achterdeur drukken, de vier houten schuttingen van ons tuintje bekijken. Die konden ze gemakkelijk hebben.Vannacht trof ik ze dicht tegen elkaar aan slapend op de gang voor onze slaapkamerdeur. Toen heb ik beneden de twee nieuwe mandjes gehaald. Noe-Noe en Ronnie B. trippelden geruisloos achter mij aan. Trap af en even later trap weer op. Ik zette de mandjes op de door hun gekozen plek neer en zei: 'Ga maar lekker slapen Noe-Noe en Ronnie. Het is goed.' Of ze dat gedaan hebben, weet ik niet. Af en toe schrok ik wakker van een pianotoets die aangeslagen werd. Ook hoorde ik een keer een ontzettend gekrab beneden. Ik hoopte maar dat dat niet het bankstel was. En dat bleek het ook niet te zijn.